Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB8303

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-10-2007
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
236431/ JE RK 07-1746
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OTS, machtiging uithuisplaatsing, IVRK, Glen Mills School.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 19
Verdrag inzake de rechten van het kind 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Verlenging machtiging uithuisplaatsing.

zaaknummer: 236431 / JE RK 07-1746

beschikking van 29 oktober 2007 van de kinderrechter met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op 1 september 1994,

kind van

[vader],

en

[moeder], beiden wonende te [woonplaats].

1. Verloop van de procedure

Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft op 5 september 2007 een verzoek tot verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend.

Daarbij zijn overgelegd het hulpverleningsplan en verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Tevens is verwezen naar het rechtbankdossier met betrekking tot deze ondertoezichtstelling.

Aangezien verlenging van de duur van de machtiging tot plaatsing in de Glen Mills School (hierna mede te noemen Glen Mills) is verzocht, is aan de minderjarige als raadsman toegevoegd mr. B.M.E. Drykoningen.

Bij beschikking van 4 oktober 2007 van de kinderrechter te Utrecht is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd met ingang van 16 oktober 2007 voor de tijd van twee weken en is het verzoek voor het overige aangehouden teneinde Bureau Jeugdzorg (BJZ) in de gelegenheid te stellen om inlichtingen te verschaffen over de situatie van de minderjarige op de Glen Mills School en voor voornoemde minderjarige een eventueel meer geschikte locatie dan de Glen Mills School te onderzoeken.

Op 23 oktober 2007 heeft Bureau Jeugdzorg aan de rechtbank overgelegd:

Schriftelijk informatie d.d. 23 oktober 2007 met een toelichting van zijn standpunt, schriftelijke informatie d.d. 15 oktober 2007 van De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, met het psychologisch pro justitia rapport en schriftelijke informatie d.d. 12 oktober 2007 van de trajectcoördinator van de Glen Mills School.

Op 29 oktober 2007 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

2. Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van 21 juni 2007 van de kinderrechter te Utrecht is de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige met ingang van 27 juni 2007 verlengd voor de duur van een jaar.

In reactie op de beschikking van 4 oktober 2007 van deze rechtbank heeft Bureau Jeugdzorg zich op het standpunt gesteld dat de plaatsing op de Glen Mills School in het belang van [de minderjarige] gecontinueerd dient te worden en dat er voor [de minderjarige] geen alternatieve behandelingsplek binnen de Hoenderloo-groep geschikt is. De inschatting van BJZ is dat een behandeling binnen een Justitiële Jeugd Inrichting (JJI) geen effect zal sorteren. [de minderjarige] is immers eerder geplaatst in een dergelijke setting (Eikenstein en de Hunnerberg). Deze tenderbehandeling heeft geen gedragsverandering opgeleverd, aldus Bureau Jeugdzorg.

De advocaat van de minderjarige heeft naar voren gebracht dat de behandeling van [de minderjarige] in Glen Mills in strijd is met de artikelen 19 en 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en hij heeft daarnaast gewezen op artikel 1 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Folteringverdrag) Vooral het strafsysteem als gevolg waarvan [de minderjarige] uren zonder te bewegen op de grond moet zitten met opgetrokken benen en een arm daarom heen geslagen, moet in de visie van de advocaat worden opgevat als marteling dan wel kindermishandeling. Deze strafmethode brengt schade toe aan de kinderen, dat ook blijkt uit het feit dat [de minderjarige] klaagt over pijn in zijn benen en rug. Daarnaast heerst er op de Glen Mills School, in de visie van de advocaat, een onderdrukkende sfeer. Dit blijkt uit de vele incidenten die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen, zoals het onder een koude douche zetten van pupillen bij wijze van disciplinaire maatregel. Als [de minderjarige] iets doet wat de leiding onwelgevallig is, moet hij ‘schrobben’ en als hij dat weigert wordt hij met dreiging van lichamelijk geweld daartoe gedwongen.

[de minderjarige] is door het verblijf op Glen Mills depressief geworden, hetgeen de advocaat onder meer afleidt uit de contacten met [de minderjarige] sinds hij op Glen Mills zit. Daarvoor was [de minderjarige] in voor grapjes, nu niet meer.

Bovendien zal een behandeling in Glen Mills bij [de minderjarige] niet tot ander gedrag leiden omdat hij daar alleen leert zich te conformeren aan de groepsdruk. Tenslotte voert de advocaat aan dat het niet terecht is dat [de minderjarige] uit huis geplaatst is omdat [de minderjarige] een blanco strafblad heeft en hij nog niet eerder de kans heeft gehad om mee te werken aan ITB Criem dan wel MST. Dit zijn volgens de advocaat de geschikte alternatieven. Daarnaast zou [de minderjarige] naar Marokko kunnen om los van de context in Nederland aan zijn toekomst te werken.

Wat betreft het beroep van de advocaat op de artikelen 19 en 37 IVRK overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 19 IVRK dienen staten die partij zijn bij het Verdrag alle mogelijke maatregelen te treffen om het kind te beschermen tegen alle vormen van kindermishandeling. Het eerste lid ziet op het bieden van bescherming tegen elke vorm van lichamelijk geweld. Uit de onderhandelingen bij de totstandkoming van het IVRK kan niet worden opgemaakt dat een opvoedkundige lichamelijke bestraffing onder deze bepaling zou moeten vallen. Ook de bewoordingen van het verdrag geven geen aanleiding om ook tegen een lichte opvoedkundige tik, waaruit geen lichamelijk of geestelijk letsel voortvloeit, bescherming te moeten bieden. Het tweede lid geeft een opsomming van mogelijk in het kader van het eerste lid te nemen maatregelen. De rechtbank is gelet op de aard, inhoud en strekking van artikel 19 IVRK van oordeel dat aan deze bepaling geen rechtstreekse werking toekomt.

Artikel 37 IVRK bevat een aantal waarborgen met betrekking tot de vrijheidsbeneming van kinderen, zoals de waarborg dat geen enkel kind wordt onderworpen aan foltering of aan een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Gezien de aard, inhoud en strekking van artikel 37 IVRK kent de rechtbank hieraan rechtstreekse werking toe.

Uit de inhoud en de bedoeling van deze bepaling leidt de rechtbank af dat deze niet alleen van toepassing is op jeugdgevangenissen maar ook op opvoedingsinternaten. De status van de Glen Mills School is niet eenduidig. Glen Mills is formeel geen justitiële jeugdinrichting in de zin van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) en daarom niet gebonden aan de in deze wet neergelegde rechtspositionele voorzieningen, zoals een Commissie van Toezicht. De formele verantwoordelijkheid voor de Glen Mills School is neergelegd bij het Ministerie van VWS die deze heeft overgedragen aan de provincie Zuid-Holland, omdat de Wet op de Jeugdzorg niet voorziet in landelijke instellingen. Aangezien de Glen Mills School zich tot doel stelt om het gedrag van de pupillen te veranderen van antisociaal naar prosociaal en hen vaardigheden te leren ontwikkelen waarmee ze deze verandering in stand kunnen houden, en de werkwijze waarin centraal staat dat de pupil zich gedurende zijn maandenlange verblijf niet onttrekt aan het regime, kan de Glen Mills School worden opgevat als een opvoedingsinternaat.

Ter terechtzitting van 29 oktober 2007 heeft mevrouw Mendels, die als trajectbegeleider [de minderjarige] vanaf zijn binnenkomst op Glen Mills heeft meegemaakt, desgevraagd informatie verstrekt over het verblijf van [de minderjarige] op de Glen Mills School. Zij vertelde dat in de groep van [de minderjarige] 20 tot 25 % van de pupillen 14 jaar oud is. Gelet op zijn ontwikkeling past [de minderjarige] volgens haar in de groep. [de minderjarige] reageert niet anders op het programma dan de andere studenten. Hij zoekt de grenzen op, maar dat is geen afwijkend gedrag. In de groepsgesprekken waar de pupillen onder meer over zaken die het gevoel aangaan kunnen praten, heeft [de minderjarige] een goede inbreng. Het zogenoemde schrobben is een individuele sanctie die volgt op individueel gedrag. Als [de minderjarige] zijn gedrag op bepaalde punten bijstelt, hoeft hij niet te schrobben. Dat schrobben gebeurt ’s avonds gedurende een uur en een kwartier. Het straffen van een hele groep voor daden van een individuele student kan bestaan uit het stilzitten op de grond. Maar als een student klaagt over pijn dan mag hij op een stoel zitten. Er wordt op toegezien dat studenten er geen lichamelijke problemen aan over houden, aldus de trajectbegeleider.

Om het beroep van de raadsman op artikel 37 van het IVRK te kunnen honoreren zal aannemelijk moeten zijn dat in de Glen Mills School straf- en disciplineringsmethodes worden toegepast die als foltering of anderszins als onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing kunnen worden opgevat.

De raadsman heeft zijn betoog vooral toegespitst op de filosofie en het regime van de Glen Mills School, die hij beide verwerpelijk vindt. Naar het oordeel van de rechtbank zou een door de raadsman gewenste discussie over wat de Glen Mills School met de pupillen doet en waarom, voor de beoordeling van het onderhavige verzoek relevant zou kunnen zijn wanneer de conclusie van de raadsman dat Glen Mills stelselmatig in strijd met de genoemde verdragen handelt, zou kunnen worden gestaafd. Daarvan is de rechtbank onvoldoende gebleken.

Uit het onderzoek van de Inspectie Jeugdzorg naar aanleiding van door de advocaat aangehaalde incidenten van september 2006 en in het in april 2007 uitgekomen rapport veiligheid en continuïteit van zorg in justitiële inrichtingen worden er geen diskwalificerende conclusies getrokken over het regime op de Glen Mills School. Daarnaast blijkt dat de Nederlandse afdeling van Defense voor Children International zich in haar tijdschrift voor de rechten van het kind weliswaar kritisch is over Glen Mills, maar dat zij de School het voordeel van de twijfel geeft met de aanbeveling dat het regime zal worden getoetst aan de normen van het IVRK.

Tenslotte merkt de rechtbank op dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [de minderjarige] als gevolg van het regime op Glen Mills te kampen heeft met meer of minder ernstige gevolgen daarvan. Dat [de minderjarige] depressief zou zijn geworden, zoals de advocaat stelt, is gelet op de weerspreking daarvan door de trajectbegeleider, onvoldoende aannemelijk. Wat de trajectbegeleider hierover naar voren heeft gebracht komt ook meer overeen met de eigen waarneming van de Kinderrechter. Op de zitting van 29 oktober 2007 maakte [de minderjarige] een sterkere indruk dan op de zitting van 4 oktober 2007. Wanneer [de minderjarige] echter serieuze pijnklachten heeft als gevolg van het stilzitten op de grond, zullen maatregelen moeten worden getroffen. Maar dat daarvan nu sprake is, is de rechtbank niet gebleken.

Een regime in een jeugdinternaat dat een straf- en disciplineringsysteem kent waarbij fysieke en geestelijke druk wordt uitgeoefend loopt weliswaar een risico dat de internationale normen opgenomen in het IVRK worden overschreden, maar overschrijdt deze niet per definitie. De grens is in ieder geval overschreden wanneer sprake is van kindermishandeling. In navolging van de definitie die door bewindslieden die belast zijn met jeugdbeleid wordt gehanteerd, zou daaronder het volgende kunnen worden begrepen: ‘Kindermishandeling is elke vorm van voor het kind bedreigende en gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de opvoeders van het kind in de afhankelijkheidsrelatie , actief of passief, opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend aan het kind in de vorm van fysiek letsel en/of psychische stoornissen’. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de behandeling van [de minderjarige] op de Glen Mills School moet worden opgevat als kindermishandeling laat staan als marteling of foltering. Het beroep van de raadsman op de artikelen 19 en 37 IVRK en het Folteringverdrag wordt dan ook verworpen.

De rechtbank gaat ook voorbij aan de stellingen van de raadsman dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] geen passende maatregel is omdat er alternatieven zijn. Op 17 juli 2007 heeft de kinderrechter besloten een machtiging uithuisplaatsing in een JJI te verlenen omdat dat noodzakelijk was wegens ernstige gedragsproblemen. Uit het psychologisch rapport pro justitia van 6 augustus 2007 blijkt dat eerdere pogingen om de bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] tegen te gaan hebben gefaald en dat het voortduren van de thuissituatie onwenselijk moet worden geacht voor zijn verdere ontwikkeling. Het advies van de psycholoog luidt een de uithuisplaatsing van [de minderjarige] op de Glen Mills School. [de minderjarige] zal volgens de psycholoog daarvan goed kunnen profiteren omdat de daar gehanteerde methode goed zal aansluiten op zijn belevingswereld en hem meer groepsconfrontatie zal bieden. Uit de inlichtingen die de Glen Mills School heeft verstrekt komt naar voren dat [de minderjarige], zo blijkt uit observatie van de afgelopen 11 weken, het programma technisch gezien prima begrijpt en kan opvolgen. Ondanks zijn leeftijd past [de minderjarige] volgens de inlichtingen van Glen Mills prima in het programma en is hij in staat het programma af te ronden.

Op grond van deze inlichtingen en de toelichting van Bureau Jeugdzorg daarop is de rechtbank van oordeel dat verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in de hierna te noemen voorziening noodzakelijk is.

3. Beslissing

De kinderrechter verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een behandelgroep, te weten de Glen Mills School, als bedoeld in het indicatiebesluit d.d. 10 september 2007, kenmerk B-CAM-TUD51, met ingang van 30 oktober 2007 tot 16 april 2008.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van

29 oktober 2007 door mr. M.C. Oostendorp, kinderrechter, in bijzijn van M.A. Wiezer als griffier.