Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB8264

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
SBR 07-788
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen van aanslag precariobelasting. In rechte onaantastbare exploitatievergunning terecht als uitgangspunt gehanteerd voor berekening precariobelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/788

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 oktober 2007

inzake

[X],

wonende te [Y],

eiser,

tegen

de directeur Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente [Y],

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op de uitspraak van verweerder van 14 februari 2007, waarbij het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 30 juni 2006 ongegrond is verklaard en waarbij eiser voor het jaar 2006 een aanslag precariobelasting is opgelegd ten bedrage van € 7.132,26 ter zake van een terras op het [adres] te [Y].

Bij brief van 26 april 2007 heeft verweerder de aanslag precariobelasting 2006 ambtshalve verminderd tot een bedrag van € 6.476,42 vanwege de omstandigheid dat voor het betreffende terras 16 m² te veel in rekening was gebracht.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 24 september 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door L.T. de Lange, werkzaam bij Adviesbureau “ELTEE” B.V. te Nieuwerkerk a/d IJssel. Verweerder is verschenen bij gemachtigde drs. J.J.M. Woeltjes, werkzaam bij de gemeente [Y].

Overwegingen

2.1 Artikel 2 van de Verordening precariobelasting 2006 (hierna: de Verordening) van de gemeente [Y] bepaalt dat onder de naam “precariobelasting” een directe belasting wordt geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Het tarief voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegronden bedraagt voor terrassen, die zijn gelegen in gebied A, is neergelegd in paragraaf 5 van de Tarieventabel.

Ingevolge artikel 3 van de Verordening wordt de precariobelasting geheven van degene die één of meer in de tabel opgenomen voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, dan wel ten behoeve van wie die voorwerpen onder, op op boven voor de openbare dienst gestemde gemeentegronden worden aangetroffen.

In artikel 6, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat voor de berekening van de precariobelasting een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid wordt aangemerkt.

Het tweede lid van artikel 6 bepaalt dat een per oppervlakte vastgesteld tarief wordt berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, waarbij wordt uitgegaan van de maten van het grootste buitenwerks gemeten oppervlak, tenzij anders is bepaald.

Tenslotte bepaalt artikel 6, vierde lid, van de Verordening dat indien in de tabel voor het hebben van voorwerpen zowel een dag-, week-, maand-, seizoen- of jaartarief is opgenomen, voor de berekening van de precariobelasting het tarief van toepassing is dat het meest aansluit bij een terzake door de gemeente verleende vergunning. In de gevallen waarin geen vergunning is verleend, geldt het tarief voor de kleinste tijdseenheid.

Op grond van paragraaf 5 van de Tarieventabel hanteert verweerder voor terrassen gelegen in gebied A, zijnde het gebied waarbinnen het terras van eiser ligt, de volgende tarieven:

- per m² per dag EUR 0,69

- per m² per week EUR 2,72

- per m² per maand EUR 8,18

- per m² per seizoen EUR 40,99

Onder een seizoen wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening verstaan de periode van 1 april tot en met 30 september.

2.2 De burgemeester van de gemeente [Y] heeft eiser bij besluit van 26 maart 2007 - dat strekt ter vervanging van een besluit van 5 januari 2006 - voor het jaar 2006 een (gewijzigde) exploitatievergunning als bedoeld in de Horecaverordening [Y] 2004 verleend voor het exploiteren van een horecabedrijf. De betreffende vergunning geldt tevens voor het inrichten van de tot zijn horecabedrijf behorende terrassen, te weten:

- terras gesitueerd op een afstand van 6 meter van de gevel, evenwijdig aan de inrichting, welk terras met een oppervlakte van 60 m² (5 x 12 meter) uitsluitend is toegestaan op vrijdag tot 17.00 uur;

- terras gesitueerd direct tegen de gevel, op alle dagen van de week, met een oppervlakte van 14 m² (7 x 2 meter) en

- terras gesitueerd op een afstand van 6 meter van de gevel, in het verlengde van de lokaliteit, welk terras, met een oppervlakte van 144 m² (9 x 16 meter), uitsluitend is toegestaan op maandag tot en met donderdag en op zondag.

2.3 In bezwaar en beroep heeft eiser tegen de aanslag precariobelasting aangevoerd dat verweerder in het verleden rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het terras niet gedurende de hele week optimaal kon worden gebruikt. Eiser heeft in dat verband erop gewezen dat het gebruik van het terras qua oppervlakte nog al wisselde en op sommige dagen helemaal niet mogelijk was omdat er regelmatig marktkramen moeten worden opgebouwd en weer worden afgebroken. Door de gemiddelde beschikbaarheid van het terras als uitgangspunt te nemen, is eiser van mening dat voor de berekening van de precariobelasting uitgegaan moet worden van een terras met een oppervlakte van 72 m². Eiser betwist daarbij niet dat hem een exploitatievergunning is verleend, onder meer voor het hebben van een terras van in totaal 144 m².

2.4 De rechtbank stelt vast dat aan eiser bij besluit van 26 maart 2007 een exploitatievergunning is verleend en dat door eiser tegen deze vergunning geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Geoordeeld moet dan ook worden dat deze vergunning in rechte onaantastbaar is geworden. Gelet op hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder die vergunning terecht als uitgangspunt heeft gehanteerd voor de berekening van de precariobelasting.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen onjuiste toepassing gegeven aan de bepalingen van de Verordening door ten behoeve van de berekening van de precariobelasting het seizoensgebonden tarief te hanteren en daarbij uit te gaan van de in de terrasvergunning vermelde 144 m². De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de aan eiser verleende terrasvergunning niet seizoensgebonden is doch voor het gehele jaar geldt. Die omstandigheid in aanmerking nemende moet het er voor worden gehouden dat de door verweerder gehanteerde berekening voor eiser een gunstiger resultaat oplevert in vergelijking met de overige in paragraaf 5 van de Tarieventabel opgenomen tariefmogelijkheden, zelfs indien zou worden uitgegaan van de door eiser omschreven beperkte gebruiksmogelijkheden. Eiser betwist op zichzelf niet zozeer dat de aldus door verweerder toegepaste berekening voor hem gunstiger uitvalt in vergelijking tot de andere in paragraaf 5 van de Tarieventabel genoemde berekeningsmogelijkheden, doch meent dat verweerder, gelijk als in de voorgaande jaren, de gemiddelde beschikbaarheid van het terras als uitgangspunt had moeten nemen bij berekening van de precariobelasting. Door dat uitgangspunt te hanteren is eiser van mening dat hij over een aanzienlijk kleiner aantal m² precariobelasting is verschuldigd. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor eisers standpunt is de rechtbank van oordeel dat eiser hierin niet kan worden gevolgd, reeds omdat voor hantering van het door eiser gewenste uitgangspunt geen steun is te vinden in de Verordening.

Voor zover eiser meent dat hij er op mocht vertrouwen dat verweerder de vóór 2006 gehanteerde berekeningswijze zou continueren, is de rechtbank van oordeel dat eiser aan die omstandigheid geen in rechte te honoreren verwachting heeft kunnen ontlenen dat ook voor het thans in geding zijnde jaar die berekeningswijze zou worden gehanteerd. De rechtbank overweegt daarbij dat van verweerder niet kan worden verlangd dat hij volhardt in een in het verleden gemaakte fout bij de berekening van de precariobelasting.

2.6 Nu verweerder het in de bestreden uitspraak van 14 februari 2007 neergelegde standpunt, waarbij eiser een aanslag is opgelegd in de precariobelasting voor het jaar 2006 ter hoogte van € 7.132,26, niet langer handhaaft, zal het beroep gegrond moeten worden verklaard. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de beschikking van 30 juni 2006 te herroepen en de aanslag precariobelasting 2006 ter zake van het terras op het [adres] te [Y] te verminderen tot een bedrag van € 6.476,42.

2.7 De rechtbank ziet dan ook aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt de uitspraak van 14 februari 2007,

3.3 voorziet zelf in de zaak, vermindert de aanslag precariobelasting 2006 ter zake van het terras op het [adres] te [Y] tot een bedrag van € 6.476,42 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak,

3.4 bepaalt dat de gemeente [Y] het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan hem vergoedt,

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van € 644,-, te betalen door de gemeente [Y].

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter als voorzitter en mr. drs. R. in ´t Veld en mr. M.P. van der Burg als leden, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2007.

De griffier: De voorzitter:

W.B. Lakeman mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.