Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB7491

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-11-2007
Datum publicatie
13-11-2007
Zaaknummer
219438/ HA ZA 06-2280 220093/HA ZA 06-2360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Ten aanzien van Aegon: reeds bindend advies gegeven. Ten aanzien van tussenpersoon: vordering onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 219438 / HA ZA 06-2280 en 220093 / HA ZA 06-2360

Vonnis in verzet van 7 november 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

1. de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

eisers in het verzet,

procureur mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser], Aegon en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenvonnissen van 18 oktober 2006 (229438/ HA ZA 06-2280) en 6 december 2006 (2200093 / HA ZA 06-2360).

- het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Aegon is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan.

Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Maandelijks worden door de deelnemer rentebetalingen gedaan. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het AEGON Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting AEGON BeleggingsGiro gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlanproduct kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. [eiser] heeft naar aanleiding van een per post ontvangen folder over het SprintPlan met Aegon contact opgenomen en is in contact gekomen met [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 2] was toen franchisenemer van Spaarbelegger B.V. en adviseerde uitsluitend over producten van Spaarbeleg.

2.3. [eiser] en [gedaagde sub 2] hebben gesproken over de opties voor de mogelijke belegging een geldbedrag dat [eiser] had verkregen uit de verkoop van een woning. [gedaagde sub 2] adviseerde een deel van het geld te beleggen en een deel te sparen.

2.4. Naar aanleiding van het gesprek heeft [eiser] een SprintPlanovereenkomst afgesloten op 3 juni 1998. Later, op 23 juni 2000, is na tussenkomst van tussenpersoon mevrouw [naam], nog een SprintPlanovereenkomst gesloten. Daarnaast is [eiser] in mei 1998 een Spaarbeleg DividendFondsovereenkomst aangegaan die per 1 februari 2000 is omgezet naar een KlimFondsovereenkomst.

2.5. [eiser] heeft voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een ingevuld inschrijfformulier voor het SprintPlan aan Aegon verzonden, dat door Aegon is ontvangen. Aegon heeft aan [eiser] een welkomstpakket gestuurd achtereenvolgens bestaande uit een namens Spaarbeleg ondertekend Certificaat (hierna: “het Certificaat”), een exemplaar van de door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden (hierna: “de Algemene Voorwaarden), de Specifieke Bepalingen van het Spaarbeleg GarantieFonds en een brochure over het SprintPlan (hierna: “de Brochure”).

2.6. [eiser] heeft bij brief van 16 juli 2003 geklaagd bij Aegon over het SprintPlan en Aegon heeft hierop gereageerd.

2.7. Bij brief van 6 augustus 2003 heeft [eiser] zijn klacht voorgelegd aan de Geschillencommissie Bankzaken. In het reglement van de Geschillencommissie Bankzaken is onder meer opgenomen:

“Artikel 25

1. Vernietiging van het bindend advies van de commissie kan uitsluitend plaatsvinden door het ter toetsing voor te leggen aan de gewone rechter binnen twee maanden na de verzending van de uitspraak aan partijen. De rechter zal het bindend advies vernietigen, indien de uitspraak in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Door niet binnen de genoemde termijn de uitspraak aan de gewone rechter voor te leggen, wordt de uitspraak onaantastbaar.”

2.8. De Geschillencommissie Bankzaken heeft bij bindend advies van 13 mei 2004 de klacht van [eiser] afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. voor recht verklaart dat de overeenkomst:

primair: nietig is vanwege het ontbreken van een op grond van de Wet op het consumentenkrediet (Wck) benodigde vergunning;

subsidiair: vernietigd is wegens dwaling;

meer subsidiair: ontbonden is op grond van een tekortkoming in de nakoming van de op gedaagden rustende verplichtingen die tevens toerekenbaar is en hun schadeplichtig maken dan wel dat er sprake is van een onrechtmatig handelen zijdens gedaagden hetgeen gedaagden schadeplichtig maken;

B. Aegon en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het geleden verlies van EUR 19.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de voldoening;

met veroordeling van Aegon en [gedaagde sub 2] in de proceskosten.

3.2. Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiser] toegewezen met dien verstande dat de subsidiair gevorderde is toegewezen. Aegon en [gedaagde sub 2] zijn veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal EUR 784,87.

3.3. Aegon en [gedaagde sub 2] vorderen in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiser] alsnog worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Overwogen wordt dat het verzet geacht kan worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat Aegon en [gedaagde sub 2] in zoverre in hun verzet kunnen worden ontvangen.

4.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het bedrag van EUR 54.453,63 is geslonken tot EUR 29.045,- als gevolg van zeer risicovolle beleggingen. De SprintPlanovereenkomsten en het DividendklimFonds hadden negatieve opbrengsten. De vorm en constructie van de overeenkomsten werd [eiser] pas bij de eindafrekening duidelijk.

Primair stelt [eiser] dat de overeenkomst nietig is vanwege het ontbreken van een door de Wck vereiste vergunning.

Subsidiair beroept [eiser] zich op dwaling, omdat hij niet is gewezen op het risico van verlies van de volledige inleg. Hem is verteld dat er nooit sprake kan zijn van verlies. [eiser] heeft [gedaagde sub 2] uitvoerig inzicht gegeven in zijn financiële positie. De constructie van aandelenlease past niet bij het doel van [eiser] om op een zo veilig mogelijke wijze geld opzij te zetten voor een aantal jaren. [eiser] had voldoende eigen geld en hoefde geen aandelen te leasen.

Meer subsidiair stelt [eiser] dat Aegon en [gedaagde sub 2] niet aan hun zorgplicht hebben voldaan, omdat in onvoldoende mate is gewezen op de risico’s van beleggen met geleend geld en geen doel/risicoprofiel is opgemaakt. Er is in strijd gehandeld met het gewone recht zoals nader is uitgewerkt inde Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer. De overeenkomst had niet tot stand mogen worden gebracht.

4.3. De rechtbank overweegt allereerst dat het petitum in de dagvaarding niet erg duidelijk is. Gevorderd wordt onder meer “de onderhavige overeenkomst” nietig te verklaren, dan wel te vernietigen of te ontbinden. Uit de dagvaarding blijkt echter dat er van meerdere overeenkomsten sprake is. [eiser] geeft aan dat hij vier SprintPlanovereenkomsten heeft gesloten en een Dividend KlimFondsovereenkomst. Aegon heeft aangegeven dat [eiser] slechts twee SprintPlanovereenkomsten afsloot; diens echtgenote heeft ook twee overeenkomsten gesloten. [eiser] heeft dat niet betwist. De rechtbank gaat er bij de beoordeling vanuit dat het petitum ziet op de twee SprintPlanovereenkomsten van [eiser] en de Dividend KlimFondsovereenkomst.

SprintPlan / Aegon

4.4. Het meest verstrekkende verweer van Aegon is dat het geschil, wat betreft de SprintPlanovereenkomsten, reeds onderwerp is geweest van bindend advies waarbij [eiser] in het ongelijk is gesteld. Dit bindend advies is onaantastbaar geworden, zodat de vordering in deze procedure dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer slaagt. Niet in geschil is dat de Geschillencommissie Bankzaken dezelfde SpintPlanovereenkomsten van [eiser] heeft beoordeeld waartegen [eiser] in de onderhavige procedure ageert. In mei 2004 heeft de Geschillencommissie Bankzaken het bindend advies gegeven, terwijl [eiser] in juni 2006 de dagvaarding in de onderhavige procedure heeft laten uitbrengen. Het reglement van de Geschillencommissie Bankzaken, voor zover van belang weergegeven onder 2.7, bepaalt dat een toetsing van het advies binnen een termijn van twee maanden aan de rechter kan worden voorgelegd. Deze termijn is overschreden. Het bindend advies is daarmee onaantastbaar geworden. [eiser] heeft ter comparitie gesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat op het bindend advies een beroep wordt gedaan door Aegon, omdat de rechtbank Utrecht eerder heeft geoordeeld dat de SprintPlanovereenkomsten in strijd zijn met de wet en dus met de openbare orde. De rechtbank begrijpt de stelling van [eiser] aldus dat het in zijn visie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tevens onaanvaardbaar is dat Aegon een beroep doet op de termijnoverschrijding. De rechtbank overweegt dat de stelling van [eiser] dat de rechtbank Utrecht eerder heeft geoordeeld dat de SprintPlanovereenkomsten in strijd zijn met de wet en dus met de openbare orde feitelijk onjuist is en berust op een verkeerde lezing van de uitspraken van deze rechtbank. Door [eiser] zijn geen andere feiten en omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat een beroep van Aegon op het bindend advies of de overschrijding van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hieruit volgt dat het bindend advies onaantastbaar is geworden. Het overige dat is aangevoerd ten aanzien van de SprintPlanovereenkomsten behoeft daarom ten aanzien van Aegon geen nadere bespreking.

SprintPlan / [gedaagde sub 2]

4.5. Wat betreft de vorderingen van [eiser] wat betreft de SprintPlanovereenkomsten gericht tegen [gedaagde sub 2] stelt de rechtbank voorop dat het bindend advies van de Geschillencommissie Bankzaken slechts ziet op het geschil dat [eiser] met Aegon had en slechts tussen die twee partijen is aanhangig gemaakt en beslist. Het bindend advies is derhalve niet bindend ten opzichte van [gedaagde sub 2].

Voorts overweegt de rechtbank dat de vordering van [eiser] tot het nietig verklaren wegens het ontbreken van een Wck-vergunning, dan wel te vernietigen wegens dwaling van de overeenkomst, slechts kunnen worden ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst. [gedaagde sub 2] is echter geen partij bij de overeenkomsten, althans dit is gesteld noch gebleken, zodat de primaire en subsidiaire vordering reeds daarom zullen worden afgewezen.

Beoordeeld dient te worden of het meer subsidiair gevorderde, een verklaring voor recht dat de overeenkomsten ontbonden zijn dan wel dat sprake is van onrechtmatig handelen, voor toewijzing in aanmerking komt. Hetgeen [eiser] hiertoe aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd is weergegeven onder 4.2.

4.6. [gedaagde sub 2] heeft aangegeven zich te scharen achter het verweer als gevoerd door Aegon. Primair voert [gedaagde sub 2] als verweer aan dat [eiser] niet heeft voldaan aan de stelplicht. Voorts is de vordering van [eiser] verjaard. Sinds de advisering van [eiser] in mei en juni 1998 heeft [gedaagde sub 2] tot de dagvaarding in juni 2006 niets meer van [eiser] vernomen. Wat betreft de zorgplicht betoogt [gedaagde sub 2] dat hij hieraan heeft voldaan. [gedaagde sub 2] heeft de financiële situatie en wensen van [eiser] en zijn echtgenote geïnventariseerd en heeft zijn advies daarop afgestemd; een gespreid risicoprofiel was daarvan het resultaat. Het opmaken van een schriftelijk doel/risicoprofiel was toen geen wettelijke verplichting. Hij heeft [eiser] voorgelicht over de werking en de risico’s van het SprintPlan en het beleggen met geleend geld. [eiser] en zijn echtgenote wisten dat zij belegden met geleend geld, hetgeen blijkt uit het feit dat zij de betaalde rente fiscaal in aftrek hebben gebracht. [eiser] heeft nimmer kenbaar gemaakt dat hij niet op een risicovolle manier wilde beleggen. Ter comparitie heeft [gedaagde sub 2] hieraan toegevoegd dat hij tot 1juli 1999 franchisenemer was van de Spaarbelegger B.V. en dat hij daarna zijn klantenportefeuille aan Spaarbelegger B.V. heeft overgedragen.

4.7. Overwogen wordt dat [eiser] wisselend heeft verklaard over het al dan niet weten dat hij met het SprintPlan belegde met geleend geld. Ter comparitie heeft [eiser] eerst aangegeven dat hij hiervan wél op de hoogte was en vervolgens weer verklaard dat hij het níet wist. [eiser] heeft deze discrepantie in zijn verklaringen erkend, maar kan hiervoor geen verklaring gegeven. De rechtbank acht de verklaring dat [eiser] niet wist dat hij met geleend geld belegde daardoor niet geloofwaardig. Voorts heeft [gedaagde sub 2] in zijn verweer voldoende gemotiveerd betwist dat niet op de risico’s van beleggen met geleend geld is gewezen. Ook heeft [gedaagde sub 2] betwist dat het maken van een schriftelijk doel/risicoprofiel noodzakelijk was en heeft hij aangevoerd wel alle relevante omstandigheden bij zijn advies in acht te hebben genomen. Ook staat tussen partijen vast dat de tweede SprintPlan-overeenkomst in 2000 is gesloten door tussenkomst van een andere tussenpersoon van [gedaagde sub 2]. [eiser] heeft ter zake slechts opgemerkt dat deze tweede overeenkomst een uitvloeisel was van het eerdere advies van [gedaagde sub 2], maar deze stelling is niet nader geconcretiseerd. Het beroep van [eiser] op de schending van de zorgplicht, die de grond vormt voor diens beroep op ontbinding dan wel schadevergoeding, is in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde sub 2] onvoldoende onderbouwd. Ook de vordering op die grondslag en de daarmee samenhangende vordering tot schadevergoeding, genoemd onder 3.1 bij B, worden daarom afgewezen.

DividendFondsovereenkoms en KlimFondsovereenkomst

4.8. Wat betreft de Spaarbeleg DividendFondsovereenkomst dan wel KlimFondsovereenkomst heeft Aegon ten verwere naar voren gebracht dit beleggingsfondsen betreffen waarbij met eigen geld, althans geld van de deelnemer, wordt belegd. Beleggen brengt altijd risico’s met zich mee, welke bij [eiser] bekend mogen worden verondersteld. [eiser] heeft ter zake niet aan zijn stelplicht voldaan, omdat de dagvaarding slechts ziet op aandelenlease-overeenkomsten en nalaat aan te geven waarom dat relevant is voor de DividendFondsovereenkomst of KlimFondsovereenkomst. [gedaagde sub 2] onderschrijft dit verweer van Aegon.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer slaagt. [eiser] heeft niet betwist dat de DividendFondsovereenkomst en KlimFondsovereenkomst geen aandelenlease-overeenkomsten betreffen, terwijl de dagvaarding uitsluitend stellingen bevat ter zake van aandelenleaseovereenkomsten.

4.9. Op grond van het vorenstaande zal het verstekvonnis worden vernietigd. De vorderingen van [eiser] zullen alsnog worden afgewezen.

4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het betekenen van het verstekvonnis blijken niet uit het dossier en worden daarom begroot op nihil. Deze kosten en de kosten van het uitbrengen van de verzetdagvaarding komen op grond van het bepaalde in art. 141 Rv voor rekening van Aegon en [gedaagde sub 2], omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat zij in eerste instantie niet zijn verschenen.

De door [eiser] te vergoeden kosten aan de zijde van Aegon worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 248,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 452,00 (1,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 700,00

De door [eiser] te vergoeden kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 248,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 452,00 (1,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 700,00

4.11. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het door deze rechtbank op 16 augustus 2006 onder zaaknummer / rolnummer 215496 / HA ZA 06-1668 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

5.2. wijst de vorderingen af,

5.3. veroordeelt [eiser] in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van Aegon en [gedaagde sub 2] tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten van de verzetprocedure met uitzondering van na te melden kosten, aan de zijde van Aegon tot op heden begroot op EUR 700,00 en aan de zijde van [gedaagde sub 2] eveneens begroot op EUR 700,00,

5.4. veroordeelt Aegon en [gedaagde sub 2] in de kosten die zijn veroorzaakt door het aanvankelijk niet verschijnen, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil voor de kosten van de betekening van het verstekvonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2007.

w.g. griffier w.g. rechter

FvG