Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB6901

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
16/995016-05 en 16/992054-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van gewoontewitwassen, medeplegen van opzettelijke overtreding van het in artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening gestelde verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijke overtreding van het in artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening gestelde verbod, meermalen gepleegd. (illegale geneesmiddelenhandel). Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Een reisdocument op grond van valse gegevens doen verstrekken.

Wetsverwijzingen
Wet op de geneesmiddelenvoorziening
Wet op de geneesmiddelenvoorziening 2
Wet op de geneesmiddelenvoorziening 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2008/5 met annotatie van R. Claessens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/995016-05 en 16/992054-07 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 30 oktober 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadslieden: mrs. G. Spong en S.G.M. Goedvriend.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 juni, 3 september en 10, 15 en 16 oktober 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 16/995016-05 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 7 juni 2007 toegestaan en op 10 oktober 2007 is een vordering van de officier van justitie tot wijziging van het onder 16/995016-05 feit 1 ten laste gelegde toegestaan.

Van de dagvaardingen en van de voornoemde vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I, II en III aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De geldigheid van de dagvaarding

Verbergen en/of verhullen

De raadsman van medeverdachte [medeverdachte D] heeft de geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit ter discussie gesteld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging voorkomende, kennelijk aan artikel 420bis Sr. ontleende woorden ‘verbergen’ respectievelijk ‘verhullen’ op zichzelf niet vormen een opgave van het feit als bedoeld in artikel 261 Sv en dat nadere feitelijke uitwerking van deze woorden in de tenlastelegging ontbreekt, zodat de dagvaarding mitsdien in zoverre aan nietigheid lijdt. Nu de tenlastelegging van verdachte op dit punt overeenstemt met de tenlastelegging van zijn medeverdachte [medeverdachte D] overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

Bij de beoordeling van de vraag of de tenlastelegging ‘een opgave van het feit’ behelst komt het er uiteindelijk op aan of voor de rechtbank en de verdachte/verdediging aan de hand van de in de tenlastelegging gebezigde woorden, bezien tegen de achtergrond van het procesdossier, voldoende duidelijk kan zijn welke feitelijke gedragingen het strafbare feit zouden moeten uitmaken dat de verdachte wordt verweten. Weliswaar heeft de Hoge Raad eerder geoordeeld (vgl. HR 8 december 1970, NJ 1971, 278) dat de term ‘verbergen’ als bedoeld in artikel 280 Sr op zichzelf mede feitelijke betekenis heeft, maar daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank nog niet vast dat ook in het onderhavige geval aan het duidelijkheidsvereiste is voldaan. Voor het tegendeel kan er in de eerste plaats op worden gewezen dat de delictsomschrijving van artikel 280 Sr slechts één object van het ‘verbergen’ kent te weten “een minderjarige die…uitoefent”, terwijl het ‘verbergen’ als bedoeld in artikel 420bis Sr betrekking kan hebben op een scala aan eigenschappen (de werkelijke aard, herkomst, etc.) van het van misdrijf afkomstige voorwerp. Eigenschappen die in de onderhavige tenlastelegging ook allemaal, zonder feitelijke toelichting, zijn opgenomen. Daarnaast is van belang dat het voorhanden procesdossier zo veel handelingen en gedragingen met betrekking tot de ‘voorwerpen’ waarop de steller van de tenlastelegging kennelijk het oog heeft bevat, dat het beantwoorden van de vraag welke (van die handelingen of gedragingen) in de visie van die steller invulling zouden moeten geven aan de delictsbestanddelen ‘verbergen’ en/of ‘verhullen’ een tamelijk hoog speculatief gehalte krijgt.

Het hiervoor overwogene brengt de rechtbank tot de slotsom dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard, in dier voege dat de in de tenlastelegging gebezigde woorden ‘verbergen’ en ‘verhullen’ niet kunnen dienen als grondslag voor de beraadslaging als bedoeld in artikel 350 Sv.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ne bis in idem

De verdediging heeft een beroep gedaan op het vervolgingsbeletsel van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank dient voor de beoordeling van dit verweer van de volgende feiten te worden uitgegaan.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] zijn in België vervolgd ter zake van overtreding van artikel 505 van het (Belgisch) Strafwetboek, welke strafbepaling kan worden aangemerkt als het equivalent van de Nederlandse strafbaarstelling van “witwassen” (artikel 420bis Sr). De feitelijke gedragingen welke aan die vervolging ten grondslag zijn gelegd betreffen:

1. op 24 oktober 2001.

Overhandiging van contanten van 3.450.000.000 ITL, 218.000IEP en 170.000 DEM, voor een totale tegenwaarde van € 2.293.01510 aan [betrokkene].

2. op 24 oktober 2001.

Overhandiging in contanten van 645.000.000 ITL, met een tegenwaarde van € 333.114,70 aan [betrokkene].

3. op 31 oktober 2001.

Overschrijving van 1.500.000 NLG, met een tegenwaarde van € 680.670,33 naar rekening [nummer].

4. op 2 november 2001.

Overschrijving van 2.700.000 NLG, met een tegenwaarde van € 1.225.206,68 naar rekening [nummer].

Deze betalingen strekten tot de aankoop van een belang van 30,77 % in de projectontwikkeling in de TT-wijk te Hasselt.

Bij vonnis van 8 december 2004 zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] door de correctionele rechtbank te Hasselt “plichtig” verklaard aan de hiervoor omschreven feiten en zijn beiden veroordeeld tot gevangenisstraf. Tevens verklaarde de rechtbank in dit vonnis een bedrag van circa € 200.000 verbeurd.

Op 20 juni 2005 is door de Belgische vennootschap [Bedrijf 12], een andere participant in voornoemd TT-project, een bedrag van € 2.982.111,- overgeboekt op de derdenrekening van de advocaat [medeverdachte D]. Op 27 juni 2005 is van deze rekening een bedrag van € 2.926.000,- overgeboekt naar een rekening van [Verdachte] in Dubai (V.A.E.).

Bij arrest van 3 januari 2006 is medeverdachte [medeverdachte B] door het Hof van Beroep te Antwerpen vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. In hetzelfde arrest heeft het Hof [Verdachte] wel schuldig verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten en hem terzake veroordeeld tot gevangenissstraf. Tevens heeft het Hof in dit arrest de verbeurdverklaring gelast van de in de tenlastelegging voorziene gelden (€ 4.384.491,83 in totaal). Dit arrest van het Hof is inmiddels onherroepelijk en de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf is volledig uitgevoerd.

Eén van de verwijten die de officier van justitie thans aan de verdachten maakt is -kortweg- het witwassen van voormeld bedrag van € 2.982.111,-.

In de visie van de verdediging betreft de transactie waarop de tenlastelegging in dat verband ziet hetzelfde feit, in de zin van artikel 68 Sr, als waarvoor verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] reeds in België terecht hebben gestaan. De redenering die daarbij wordt gevolgd komt er in de kern op neer dat de thans ten laste gelegde transactie –door de verdediging ook wel aangeduid als ‘desinvestering’, welke term de rechtbank kortheidshalve ook zal hanteren- moet worden gezien als de voltooiing c.q. voortzetting van een gedraging die feitelijk reeds in 2001 is aangevangen (en waarvoor zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte B] reeds zijn vervolgd). De verdediging bedient zich in dat verband van de metafoor van het wassen van wasgoed in een wasmachine, waarbij de investering in 2001 van ‘crimineel geld’ het in de wasmachine doen van vuil wasgoed, het TT-project de wasmachine en de ‘desinvestering’ het gereinigde wasgoed moeten verbeelden. Deze ‘desinvestering’ is dus een logisch, dwingend sequeel van de reeds berechte investering – niemand vult immers zijn wasmachine om het wasgoed er na reiniging vervolgens in te laten zitten.

Dit verweer faalt.

Vooropgesteld moet worden dat de toepasselijkheid van artikel 68 Sr. niet afstuit op het criterium van de gelijksoortigheid van het verwijt. Bij beide feiten gaat het immers om ‘witwassen’.

Waar het vervolgens evenwel op aankomt is de beantwoording van de feitelijke vraag of tussen de investering in 2001 en de ‘desinvestering’ in 2005 een zodanig verband bestaat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte dat van hetzelfde feit in artikel 68 Sr moet worden gesproken. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Het ontbreken van gelijktijdigheid is evident. Voor dit ‘gebrek’ zal dus compensatie moeten kunnen worden gevonden in de andere component van het criterium, de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte. Die compensatie is er niet. Daarvoor is van belang dat de rechtbank niet deelt het standpunt van de verdediging dat beide feitelijke gebeurtenissen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wezenlijk met elkaar samenhangen. Met name valt in zijn algemeenheid niet in te zien waarom elke investering zou moeten worden gevolgd door een desinvestering, ook niet als daarbij het oogmerk van ‘witwassen’ zou hebben voorgezeten. Immers ook zonder desinvestering kan een witwas-investering haar vruchten afwerpen, die bovendien niet persé van materiële aard behoeven te zijn. Daarbij valt te denken aan macht, zeggenschap, status, maar ook dividend, en ander(soortig)e op geld te waarderen revenuen. Dat dit in dit specifieke geval anders lag, is gesteld noch gebleken.

Een logische conclusie uit het hiervoor overwogene is voorts dat de desinvestering een uitdrukkelijke, van de investering te onderscheiden (wils)besluit heeft gevergd. In die zin is van een voortgezette handeling of voortdurend delict dan ook geen sprake. Voor wat betreft het laatste kan daaraan ten overvloede nog worden toegevoegd dat in de visie van de Hoge Raad de kwalificatie van een delict als ‘voortdurend’ op zich niet in de weg hoeft te staan aan een herhaalde vervolging, vgl. HR 14 juni 1994, DD 94.392.

De vergelijking met het gebruikelijke wasprocédé gaat mitsdien op meerdere punten mank.

Hieromtrent nog een opmerking. De term ‘witwassen’ is een vlag die de lading niet dekt. Immers, zodra ‘witwassen’ als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Stafrecht kan worden vastgesteld, blijft ‘buit’ ‘buit’, blijft ‘crimineel geld’ ‘crimineel geld’. ‘Witwassen’ doet dus niet wat het belooft. Een vorm van misleiding die wel vaker schijnt voor te komen.

Aldus moet worden geoordeeld dat de Belgische rechtsgang in het licht van artikel 68 Sr geen beletsel vormt om de verdachte thans te vervolgen ter zake van de meergenoemde ‘desinvestering’.

Specialiteitsbeginsel

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover de vervolging verder strekt dan de grondslag van de uitlevering door de Belgische autoriteiten.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Uit de door de raadsman van verdachte, mr. Goedvriend, bij zijn pleitnota overgelegde kopie van het “Europees arrestatiebevel” dd. 29 januari 2007 waarin de overlevering is verzocht van verdachte, blijkt het volgende. Het bevel heeft betrekking op in totaal vier strafbare feiten -zakelijk weergegeven- :

1. Een gewoonte maken van het witwassen van vermogen, terwijl men weet dat het vermogen – zowel onmiddellijk of middellijk- afkomstig is uit enig misdrijf, strafbaar gesteld bij artikel 420bis en artikel 420ter van het wetboek van strafrecht vermoedelijk gepleegd te Amsterdam en/of Breukelen en/of Landsmeer en/of Nieuwegein en/of Peize en/of Roden en/of Utrecht, althans in Nederland, op of omstreeks diverse data in 2003, 2004, 2005 en 2006;

2. Het handelen in ongeregistreerde geneesmiddelen, strafbaar gesteld bij artikel 2 lid 3 en artikel 3 lid 4 van de wet op de geneesmiddelenvoorziening en de overtreding daarvan is strafbaar gesteld bij artikel 1 onder 1, juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten gepleegd te Amsterdam en/of Breukelen en /of Dalfsen en/of Landsmeer en/of Nieuwegein en/of in Oudenbosch en/of Peize en/of Roden en/of Zwolle, althans in Nederland, op of omstreeks diverse data in 2003, 2004, 2005 en 2006;

3. Het deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht gepleegd te Amsterdam en/of Breukelen en /of Dalfsen en/of Landsmeer en/of Nieuwegein en/of in Oudenbosch en/of Peize en/of Roden en/of Zwolle, althans in Nederland, op of omstreeks diverse data in 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006;

4. Het op valse gegevens doen verstrekken van een reisdocument te Düsseldorf op of omstreeks 31 juli 2006.

Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt gewezen op 11 april 2007 en bevestigd door het Hof van Beroep te Antwerpen op 3 mei 2007, eveneens beiden in kopie gehecht aan de pleitnota van mr. Goedvriend, is de tenuitvoerlegging van bovengenoemd Europees arrestatiebevel bevolen waarbij is bepaald -zakelijk weergegeven- dat verdachte niet mag worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander voor de overlevering begaan strafbaar feit dan dat welk de reden voor zijn overlevering is geweest, zulks overeenkomstig de bepalingen van het recht van de uitvaardigende staat, genomen overeenkomstig de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit.

De officier van justitie heeft in de onder 1, 2 en 3 telastegelegde feiten op de dagvaarding met parketnummer 16/995016-05 naast diverse pleegplaatsen in Nederland ook pleegplaatsen buiten Nederland tenlastegelegd. Voorts is ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit een ruimere periode tenlastegelegd dan in het Europees arrestatiebevel omschreven.

Het in artikel 27 van het Kaderbesluit opgenomen specialiteitsbeginsel houdt in dat een persoon na diens uitlevering niet dan met toestemming van de uitleverende staat mag worden vervolgd, of in zijn vrijheid mag worden belemmerd, ter zake van andere feiten, gepleegd voorafgaand aan zijn uitlevering, dan waarvoor zijn uitlevering is toegestaan.

Doorbreking van dit mede tot rechtsbescherming strekkend beginsel kan plaatsvinden indien de uitgeleverde persoon zelf instemt met die vervolging en/of berechting of

akkoord is gegaan met de overlevering via de verkorte procedure of

indien de uitleverende staat op verzoek van de officier van justitie alsnog aanvullende toestemming tot vervolging en/of berechting terzake van nieuwe feiten geeft.

Uit het proces-verbaal noch uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is gebleken dat één van deze situaties zich heeft voorgedaan.

Nu geen van de hiervoor genoemde situaties zich heeft voorgedaan zal de rechtbank moeten beoordelen of de in de tenlastelegging onder 1 tot en met 3 aan de verdachte verweten uitvoeringshandelingen voorzover deze buiten Nederland dan wel buiten de in het Europees arrestatiebevel vermelde periode zouden zijn verricht, niet van zodanig doorslaggevende betekenis zijn dat een nieuw oordeel van de aangezochte staat in casu België behoefde te worden gevraagd.

Naar het oordeel van de rechtbank moet feitelijk worden vastgesteld dat van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten belangrijke uitvoeringshandelingen veelal mede buiten Nederland worden verricht. Ook overigens blijkt uit de wijze waarop het onderzoek is verricht en de wijze waarop de tenlastelegging is geredigeerd dat de officier van justitie in zijn vervolging ook uitdrukkelijk de uitvoeringshandelingen wil vervolgen welke buiten Nederland zijn gepleegd en dat deze ook een essentieel onderdeel uitmaken van de onder 1 en daarmee ook onder 3 tenlastegelegde feiten.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het hetgeen hiervoor is weergegeven, dat de onderhavige uitvoeringshandelingen die niet in het Europees arrestatiebevel waren opgenomen van zodanig doorslaggevende betekenis zijn dat deze niet onder het feit waarvoor is uitgeleverd, begrepen zijn.

Nu niet is gebleken dat er een nieuw oordeel met betrekking tot de onderhavige uitvoeringshandelingen is gevraagd, staat het specialiteitsbeginsel derhalve aan de vervolging van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten voor zover het betreft de hierna te noemen plaatsen en tijdstippen in de weg.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in zijn vervolging voor zover deze ziet op:

ten aanzien van feit 1:

- de periode 14 december 2001 tot en met 31 december 2002;

- de pleegplaatsen Seefeld en/of elders in Oostenrijk en/of Düsseldorf en/of elders in Duitsland en/of Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten;

en

ten aanzien van feit 3:

- de pleegplaatsen Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten en/of Seefeld en/of elders in Oostenrijk en/of Düsseldorf en/of elders in Duitsland en/of Hasselt en/of (elders) in België.

Ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde buiten Nederland gelegen pleegplaatsen, te weten Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten, is de rechtbank van oordeel dat, voorzover daar uitvoeringshandelingen zijn verricht, deze niet van zodanig doorslaggevende betekenis zijn dat deze niet onder het feit waarvoor is uitgeleverd begrepen zijn.

Hier stuit de ontvankelijkheid van de officier van justitie evenwel af op een andere voorwaarde voor vervolging waaraan niet is voldaan, te weten de uit artikel 5 van het Wetboek van strafrecht voortvloeiende eis van ‘dubbele strafbaarheid’. De rechtbank is niet kunnen blijken dat op de onder 2 tenlastegelegde feiten door de wet van Dubai en/of de Verenigde Arabische Emiraten straf is gesteld. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit zulks zou kunnen worden afgeleid en een dergelijke strafbaarstelling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan bijvoorbeeld heeft te gelden voor een Duits equivalent van artikel 231 Sr, niet van algemene bekendheid. In zoverre dient derhalve niet-ontvankelijkheid te volgen.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, eerste en tweede ‘bullet’, is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Met name acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte deze feiten in Nederland heeft begaan.

De bewezenverklaring

De bewezenverklaring t.a.v parketnummer 16/995016-05 onder feit 1 en 3:

Criminele herkomst

De verdediging heeft betoogd dat voor de bewezenverklaring van witwassen moet komen vast te staan van welk specifiek misdrijf het voorwerp dat wordt witgewassen afkomstig is.

De rechtbank verwerpt dit betoog nu uit de totstandkoming van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2005, NJ 2006, 473.

De verdediging heeft ook betoogd dat de gelden die genoemd worden in de tenlastelegging een andere en legale oorspong kunnen hebben nu verdachte een lucratieve handel ([BEDRIJF 1]) had in mobiele telefoons met afnemers in Hong Kong en Singapore. Voorts heeft hij gewezen op het door [accountant H.] uitgebrachte accountantsrapport, dat aantoont dat het bedrijf [BEDRIJF 1] een financieel goed draaiend bedrijf was met grote omzetten. De verdachte heeft ook nog gewezen op zijn verdiende miljoenen in de handel in cement en staal.

Voor beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde gaat de rechtbank uit van het volgende feitencomplex.

Uit het dossier is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte B] op 20 augustus 2001 contante geldbedragen in de valuta Britse ponden, Duitse Marken, Ierse Ponden en Italiaanse Lires heeft aangeboden aan de Hypo Tirol Bank te Oostenrijk (D169). Deze gelden zouden afkomstig zijn geweest van [BEDRIJF 1] en zijn verdiend met de handel in mobiele telefoons, CPU’s en andere computerdelen. Het geld zou bestemd zijn voor Dubai ter investering in onroerend goed. De Oostenrijkse bank heeft hiervan een melding van witwassen gedaan. Daarnaast heeft [medeverdachte B] van 29 augustus 2001 tot en met 23 oktober 2001 en van 4 september tot en met 3 oktober 2001 grote geldbedragen in contanten (totaal (omgerekend) € 980.474 in diverse valuta en 487.000 Britse Ponden) gestort op twee rekeningen op zijn naam bij de Hypo Tirol Bank in Oostenrijk ( D174 en D189). Bij het openen van één van de rekeningen geeft [medeverdachte B] op sinds 1996 in dienst te zijn van [BEDRIJF 1]. [medeverdachte B] en verdachte hebben over de herkomst van dit geld wisselende verklaringen afgelegd. Ter zitting is door beiden verklaard dat het gestorte geld verdiend was door [BEDRIJF 1] en toebehoorde aan verdachte. Het zou per koerier vanuit Dubai naar Oostenrijk zijn gekomen en daar zijn gestort in verband met de ruimere openingstijden van banken in Europa. Volgens verdachte moest het geld in Europese valuta bij de bank worden gestort en was het in Dubai destijds zo dat contant Europees geld alleen kon worden opgenomen in de bij de bank op het moment van opname toevallig beschikbare valuta. De rechtbank acht deze verklaringen zeer ongeloofwaardig. Het op deze wijze verplaatsen van geld is volstrekt onlogisch in het licht van het internationale bankverkeer, waar het ook reeds in 2001 normaal was om giraal geld over te boeken. Dat dit in Dubai anders zou zijn (geweest) is enkel uit de mond van verdachte opgetekend en niet onderbouwd.

Van genoemde rekeningen in Oostenrijk is onder meer op 21 september 2001 ruim 1 miljoen Duitse Marken op een rekening van verdachte bij de Hypo Vereinsbank te Düsseldorf gestort voor het aankopen van onroerend goed in Duitsland en zijn bedragen van € 600.000 en 150.000 Britse Ponden overgeboekt naar de derdenrekening van advocatenkantoor [medeverdachte D] & [Kantoorgenoot V.] advocaten te Roden voor deelname in de bouw van een kantoor en winkelcentrum te Hasselt (D178). Ook van deze transacties heeft de Oostenrijkse Bank witwasmeldingen gedaan.

Vanaf de derdenrekening van het advocatenkantoor van verdachte [medeverdachte D], gevoed via de contante stortingen van [medeverdachte B] in Oostenrijk en door stortingen uit Zwitserland op naam van ‘A Third’, is vervolgens op naam van verdachte een geldbedrag van ƒ 4.200.000 overgemaakt naar [Bedrijf 2] voor een investering in een onroerend goed in Hasselt, België (TT-project) (D195). In dat project is ook een contant geldbedrag gestort door verdachte ter waarde van (omgerekend) € 2.626159,- in Italiaanse Lires, Ierse Ponden en Duitse Marken. Verdachte heeft in de Belgische strafzaak verklaard dit bedrag contant meegenomen te hebben toen hij op 15 juni 2001 vanuit Dubai naar Nederland kwam. Hij bewaarde het in een kluis in Luxemburg. [medeverdachte B] zou ook contante bedragen vanuit Dubai hebben meegenomen en wel voor mei 2001. Uit stukken die verdachte via [medeverdachte D] heeft ingebracht in de Belgische strafzaak zou moeten blijken dat deze valuta zijn gewisseld bij een wisselkantoor in Dubai. Wat daaraan onder meer opvalt is dat er ook wisseltransacties hebben plaatsgevonden nadat [medeverdachte B] en verdachte reeds in Europa waren (namelijk op 19, 20 en 21 juni 2001). Voor deze investering zijn de verdachten [Verdachte] en [medeverdachte B] in België vervolgd en in december 2004 veroordeeld (RHV1). Zoals hiervoor overwogen is [medeverdachte B] in hoger beroep vrijgesproken en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar.

Ten slotte verwijst de rechtbank naar het vonnis van de rechtbank te Hasselt en het Belgische strafdossier waaruit onder meer blijkt dat [BEDRIJF 1] wereldwijd niet terug te vinden is en dat wisseltransacties opeenvolgende nummers hebben terwijl ze afkomstig zijn van 2 wisselkantoren. Getuige [getuige Z] heeft verklaard dat het zeer merkwaardig is om vanuit Dubai Italiaanse Lires mee te brengen. Voorts is uit het Belgische onderzoek gebleken dat één van de vier vermeende klanten van [BEDRIJF 1] ([Bedrijf 3]) GSM-toestellen van [BEDRIJF 1] heeft doorver[getuige K.]t aan een bedrijf ([Bedrijf 4]), waarbij de transactie werd gefinancierd en de prijs werd bepaald door [BEDRIJF 1]. Deze telefoons werden door Jalo ver[getuige K.]t aan [Bedrijf 5] ([Bedrijf 5]) , die deze weer dezelfde dag doorver[getuige K.]t aan [Bedrijf 6] te Dubai in opdacht van [medeverdachte B] en verdachte. Van deze transacties zijn geen facturen en gebleken is dat de Duitse belastingdienst een onderzoek naar Jalo heeft ingesteld omdat de telefoons rechtstreeks zonder heffing vanuit Duitsland zouden zijn geleverd. Handel met twee andere klanten is niet aangetoond en handel met [Bedrijf 5] is niet onderbouwd met een kloppende administratie. Daarnaast stond [BEDRIJF 1] niet geregistreerd als afnemer van Nokia en werden de telefoons in de administratie van [Bedrijf 5] geleverd onder de minimumprijs. Verdachte heeft ook nimmer aangegeven wie de leveranciers van [BEDRIJF 1] waren, in welk geval de inkoop vergeleken had kunnen worden met de verkoop.

De rechtbank overweegt omtrent de handel in telefoons nog het volgende. In de woning van [getuige y] zijn aangetroffen vijftig originele, aan [BEDRIJF 1] t.a.v. [Verdachte] gerichte facturen [bedrijf 13], volgens het briefpapier gevestigd in Indonesië. [getuige y] heeft daarover verklaard (G14-1 en bij de rechter-commissaris) dat hij die in opdracht van verdachte en [medeverdachte B] had gemaakt. [medeverdachte B] had hem verteld wat op die facturen moest komen te staan. Siegfried [getuige X] heeft de verklaring van [getuige y] bevestigd (G21-1). Dit brengt met zich dat de vermelde transacties op de facturen [bedrijf 13] niet reëel zijn. Deze facturen zijn echter wel verwerkt in de jaarstukken 2001 van het bedrijf [BEDRIJF 1]. De waarde van deze door [accountant H.] opgemaakte jaarstukken is -gelet op het vorenstaande- naar het oordeel van de rechtbank minstgenomen dubieus. [accountant H.] heeft immers nooit de onderliggende facturen gezien en heeft het moeten doen met de door het bedrijf aangeleverde cijfers, waarvan ten zeerste moet worden betwijfeld of zij een juiste weergave van de feiten vormen. Het rapport [accountant H.] kan in de visie van de rechtbank dan ook niet dienen als ondersteuning van de stelling dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen een legale herkomst zouden hebben.

Voor zover verdachte heeft aangegeven dat hij miljoenen heeft verdiend met zijn “Syb-group” die zou handelen in cement en staal overweegt de rechtbank het volgende. Uit onderzoek is gebleken dat de Syb-group zou handelen in computeronderdelen, elektronische apparatuur en voedingssupplementen, maar niets wijst echter op handel in beton en staal. Ook uit de bij verdachte inbeslaggenomen bescheiden en telefoons blijkt niets van een dergelijke handel. Twee Nederlandse cementhandelaren, [getuige R.] en [getuige H.], zijn door tussenkomst van dhr. [Kantoorgenoot V.], kantoorgenoot van [medeverdachte D] in contact gekomen met verdachte. In de tweede helft van 2005 zijn zij gedrieën op uitnodiging van verdachte naar Dubai gekomen om het één en ander over de handel in cement te bespreken, maar deze besprekingen liepen op niets uit. Zowel dhr. [getuige R.] als [getuige H.] zijn blijkens hun verklaringen van mening dat verdachte absoluut geen verstand had van cement. [getuige H.] heeft ook verklaard dat hij zich misbruikt voelt om een rookgordijn op te werpen. Ook de heer [Kantoorgenoot V.] verklaart zeer te twijfelen aan de deskundigheid van verdachte op het gebied van cement. De rechtbank is derhalve van oordeel dat uit de stukken niet blijkt dat verdachte in cement en staal heeft gehandeld. Verdachte heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk in deze wereld actief is geweest. Ook van deze kant is derhalve niet gebleken dat verdachte over enige legale inkomstenbron kon beschikken.

Ter zitting heeft verdachte voor het eerst naar voren gebracht dat hij natuurlijk geen open kaart heeft gespeeld met [getuige R.], [getuige H.] en [Kantoorgenoot V.], omdat hij dan teveel van zijn handel zou hebben prijsgegeven. Verdachte heeft kennelijk lang moeten nadenken over deze versie van het verhaal, nu hij dit niet eerder heeft verklaard. Uiteraard was hij daartoe vanuit strafvorderlijk oogpunt geenszins gehouden, maar het tijdsverloop draagt, voorzichtig geformuleerd, aan de geloofwaardigheid van de verklaring niet in positieve zin bij.

Het voorgaand feitenresumé brengt de rechtbank tot het volgende.

Vooreerst moet worden opgemerkt dat het resumé nog vele malen uitgebreider had kunnen zijn en dat het dan, bezien tegen de achtergrond van het van feiten uitpuilend dossier, nog steeds slechts een relatief bescheiden resumé was geweest. Dit neemt evenwel niet weg dat uit voorgaand feitenresumé met voldoende nauwkeurigheid kan worden afgeleid waarom het in essentie draait en dat is het volgende.

In 2001 beschikten de verdachten kennelijk ineens over een enorme som geld in contanten in diverse Europese valuta. Die contanten hebben in de daaropvolgende jaren, inmiddels goeddeels in girale vorm, een traject afgelegd. Die trajecten zijn door de FIOD/ECD tot op aanmerkelijke hoogte in beeld gebracht en gevolgd. In die trajecten zijn op verschillende momenten in de tijd ten overstaan van verschillende instanties en personen door de verdachte en zijn medeverdachten de meest uiteenlopende verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld. Wat daarbij opvalt is dat al die verklaringen, voor zover zij verwijzen naar een legale bron van herkomst, bij doorvragen dan wel nader onderzoek uiteindelijk geen van alle stand blijken te houden. Geeft deze vaststelling op zich al voeding aan de hypothese dat het geld een niet-legale herkomst moet hebben, dan wordt dit nog eens versterkt door verklaringen van in het dossier figurerende getuigen die tamelijk concrete beschuldigingen aan het adres van de verdachten naar voren brengen en hen met name betichten van betrokkenheid bij grootschalige BTW-fraude in de jaren ’90 en begin dit decennium. Die beschuldigingen worden op geen enkele wijze overtuigend weersproken of weerlegd. Sterker nog, in het woud van rechtspersonen in binnen- en buitenland waarvan de verdachten zich hebben bediend bij de vele transacties die in het onderhavig onderzoek in beeld zijn gebracht, kan een sterke aanwijzing worden gevonden voor de juistheid ervan.

Terzijde kan nog worden opgemerkt dat de rechtbank zich uiteraard bewust is van het feit dat de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden zich ten dele hebben afgespeeld voorafgaand aan de ten laste gelegde periode (die begint op 14 december 2001). Vermelding van die feiten en omstandigheden is in de visie van de rechtbank evenwel onontbeerlijk voor een juiste waardering van de gedragingen die (wel) gedurende de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden.

Dit alles brengt de rechtbank ertoe het ervoor te houden dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen (onder de ‘bullets’ 3 tot en met 7) welke alle geheel of gedeeltelijk zijn te plaatsen in de hiervoor bedoelde trajecten, moeten worden beschouwd als ‘afkomstig uit enig misdrijf’. De verdachte heeft over deze bedragen beschikt al dan niet via zijn advocaat [medeverdachte D] in Nederland en zich daarmee schuldig gemaakt aan het misdrijf van gewoonte-witwassen zoals bedoeld in artikel 420ter jo. 420bis van het Wetboek van Strafrecht .

De bewezenverklaring t.a.v. parketnummer 16/995016-05 onder feit 2 en 3:

Voor wat betreft de aan de verdachte verweten gedragingen met betrekking tot –kortweg- Sigraplus gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de tweede helft van 2003 heeft de onderneming van medeverdachte [medeverdachte A], genaamd [Bedrijf 8] en gevestigd te Zuidwolde, in opdracht van medeverdachte [medeverdachte D], optredend namens de in Zwitserland gevestigde onderneming [Bedrijf 9] waarvan verdachte verklaart 100 % eigenaar te zijn (V1-4), uit 5 grondstoffen een substantie samengesteld die nadien, gecapsuleerd en verpakt, zou worden verhandeld als Sigraplus. Die samenstelling vond plaats aan de hand van een daartoe door medeverdachte [medeverdachte D] aan medeverdachte [medeverdachte A] verstrekt recept.

Na samenstelling heeft medeverdachte [medeverdachte A] in opdracht van medeverdachte [medeverdachte D] enkele monsters van de substantie verzonden aan de heer [getuige M.], welke de substantie heeft getest op de aanwezigheid van pesticiden, zware metalen, c.a. Aan [getuige M.] is niet verzocht om de substantie te testen op tadalafil.

Vervolgens heeft medeverdachte [medeverdachte A] de substantie gecapsuleerd in circa 100.000 capsules. Deze capsules heeft medeverdachte [medeverdachte A] per 2 laten blisteren en verpakken als Sigraplus bij het bedrijf [Bedrijf 10] te Oudenbosch. Medeverdachte [medeverdachte A] heeft één en ander op 3 november 2003 gefactureerd aan [BEDRIJF 1] te Dubai (D-95), de onderneming van verdachte, die ter terechtzitting heeft erkend financieel te hebben geparticipeerd in Sigraplus. De factuur is betaald via medeverdachte [medeverdachte D].

De Sigraplus-capsules (althans 67.500 stuks) zijn in november 2003 geleverd aan de onderneming [Bedrijf 11] ([Bedrijf 11]) in België. Deze onderneming is daartoe benaderd door medeverdachte [medeverdachte C] ([getuige K.] d.d. 3-3-06). Als betaling voor de Sigraplus heeft [Bedrijf 11] onder meer enkele auto’s geleverd (D-158) welke door medeverdachte [medeverdachte C] zijn opgehaald ([getuige K.] d.d. 28-6-06 G22-1).

Vervolgens is Sigraplus door [Bedrijf 11] ver[getuige K.]t aan diverse seks- en smartshops (D-62). Daartoe zijn onder meer documenten en brochures vervaardigd waarin Sigraplus is aangeprezen als een 100 % natuurlijke ‘sexual stimulant erektiepil’, gemaakt van 100 % natuurlijke kruiden die in combinatie de bloedtoevoer naar de penis bevorderen waardoor de erectie langer aanhoudt. Voorts is ten behoeve van het product en de verpakking van Sigraplus een zgn. CE-certificaat en een zgn. KOAG/KAG goedkeuringsnummer aangevraagd en verkregen. Bij deze voorbereidingen voor het op de markt brengen van Sigraplus zijn onder meer medeverdachten [medeverdachte D] en [medeverdachte B] betrokken (zie o.m. verklaringen van [getuige P.]).

Een deel van de Sigraplus-capsules is in de loop van 2005 geretourneerd aan medeverdachte [medeverdachte A] (wiens onderneming [Bedrijf 8] inmiddels was gefailleerd). Medeverdachte [medeverdachte A] heeft de capsules omgepakt c.q. laten ompakken in opdracht van medeverdachte [medeverdachte D] en medeverdachte [medeverdachte B]. Op 24 november 2005 wordt [medeverdachte A] aangehouden in Zwolle met in zijn bezit 3.600 Sigraplus-capsules. Op aanwijzing van medeverdachte [medeverdachte A] wordt op 29 november 2005 in Oudenbosch nog een hoeveelheid van 63.000 Sigraplus-capsules in beslag genomen.

Bij onderzoek blijken de capsules onder meer een geringe, in de voorgeschreven hoeveelheid niet werkzame, dosis (circa 0,2 mg/capsule) tadalafil te bevatten; tadalafil is het werkzame bestanddeel van het in Europees verband geregistreerde receptgeneesmiddel Cialis (D-163).

Op 3 maart 2006 wordt medeverdachte [medeverdachte A] aangehouden als hij 3000 Sigraplus-capsules aflevert bij [Bedrijf 11].

Geneesmiddel

Het begrip geneesmiddel in de WOG moet worden uitgelegd in overeenstemming met de betekenis van dat begrip in artikel 1 lid 2 van richtlijn 65/65 EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1965, nr. 22, p. 369), volgens welke bepaling als geneesmiddel heeft te gelden:

a. Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens;

b. Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.

Onder a. wordt het zgn. aandieningscriterium beschreven, b. betreft het toedieningscriterium.

Een product is een geneesmiddel in de zin van de communautaire richtlijn, en dus van de WOG, indien het door één van beide criteria wordt gedekt.

Dat tadalafil als een geneesmiddel moet worden aangemerkt behoeft geen nader betoog. Van dit product staat immers vast dat het een werkzaam bestanddeel is van een geregistreerd receptgeneesmiddel. Op grond van de werking valt het in elk geval onder het toedieningscriterium.

In het licht van de tenlastelegging behoeft wel nader betoog de vraag of de verdachte wist of moest weten dat de Sigraplus-capsules tadalafil bevatten, met dien verstande dat moet worden beantwoord de vraag of de verdachte het al dan niet voorwaardelijk opzet had op het bereiden dan wel afleveren van tadalafil. Die vraag beantwoordt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, ontkennend. Daarvoor acht de rechtbank met name van belang de inhoud van de telefoongesprekken die tussen de verdachten hebben plaatsgevonden na de inbeslagneming van de Sigraplus-capsules in november 2005. Uit deze gesprekken leidt de rechtbank af dat de verdachten bepaald onaangenaam verrast waren door de aanwezigheid van tadalafil in hun product. Deze vaststelling verdraagt zich niet met de hypothese dat de verdachte het hem verweten opzet heeft gehad. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat in 2002 is vastgesteld dat in Sigra –de voorloper van Sigraplus, een product samengesteld door en afkomstig van een Amerikaanse producent- de aan tadalafil verwante stof sildenafil is aangetroffen. Dit oordeel had wellicht anders kunnen uitvallen indien ook in Sigraplus die sildenafil zou zijn aangetroffen. Dit is echter niet het geval. Nu bieden de voorhanden bewijsmiddelen onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de stelling dat de verdachten, vanwege de Sigra-sildenafil-connectie, zich dermate bewust hadden moeten zijn van het risico van de mogelijke aanwezigheid van tadalafil in Sigraplus dat het verzuim om Sigraplus op tadalafil te testen kan bijdragen aan het bewijs van het opzet. Zo blijft de (chemische) relatie tussen sildenafil en tadalafil, voor de rechtbank althans, tamelijk troebel. Uit het voorhanden bewijs kan niet volgen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat Sigraplus tadalafil zou bevatten.

Van dit onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte mitsdien worden vrijgesproken.

De verdediging heeft betwist dat Sigraplus –zonder tadalafil- kan worden aangemerkt als geneesmiddel in de zin van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening (WOG). Dit verweer wordt verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient Sigraplus op grond van het toedieningscriterium als geneesmiddel te worden aangemerkt. Essentieel in het toedieningscriterium is de mogelijke functie van het product. Kan een product worden toegediend om een medische diagnose te stellen of om organische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, dan wordt het als geneesmiddel beschouwd. Daarbij is voorts van belang het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 1991, NJ 1992, 674, waarin is uitgemaakt dat aan de hand van het toedieningscriterium “niet enkel de producten met een reële inwerking op de organische functies onder de definitie van geneesmiddel worden gebracht, maar ook de producten die niet de aangekondigde werking hebben”. Het feit dat Sigraplus niet deed wat het beloofde –de bloedtoevoer naar de penis bevorderen- sluit de toepasselijkheid van het toedieningscriterium dus geenszins uit.

Inzake de bevoegdheid tot het uitoefenen van de artsenijbereidkunst valt nog op te merken dat het feit dat [Bedrijf 8] een apotheker in dienst had, gelijk van de zijde van medeverdachte [medeverdachte A] is aangevoerd, de verdachte niet kan disculperen. Immers, feitelijk is op geen enkele wijze gebleken dat die apotheker op enige wijze betrokken is geweest bij het capsuleren, verpakken en etiketteren van de Sigraplus, welke verrichtingen krachtens artikel 1 lid 1 onder j, ten eerste, WOG mede onder het bereiden van geneesmiddelen moeten worden begrepen. Bovendien moet uit de artikelen 2 en 14 van de WOG worden afgeleid dat een apotheker van zijn bevoegdheid tot uitoefening van de artsenijbereidkunst slechts gebruik mag maken indien hij is ingeschreven in het register van gevestigde apothekers. De door medeverdachte [medeverdachte A] opgevoerde apotheker betrof geen gevestigde apotheker, hij was in loondienst van [Bedrijf 8] Die onderneming noch medeverdachte [medeverdachte A] zelf, tenslotte, beschikten over een vergunning tot het bereiden of afleveren van geneesmiddelen (vgl. V5-2), zodat de bevoegdheid tot het uitoefenen van de artsenijbereidkunst evenmin kan worden ontleend aan het gestelde in artikel 2 lid 1 sub 4 WOG.

Opzettelijk

De verdediging heeft verweer gevoerd inzake het bestanddeel ‘opzettelijk’. Daarbij is erop gewezen dat de verdachte niet wist en niet hoefde te weten dat Sigraplus ingevolge de WOG als een geneesmiddel had te gelden en daaraan de conclusie verbonden dat de verbodsbepaling van artikel 2 lid 3 dus niet opzettelijk is overtreden. Dit verweer wordt verworpen.

In HR 18 maart 1952, NJ 1952, 314 en 315 en in HR 24 juni 1952, NJ 1952, 710 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het opzet in zijn algemeenheid niet op het overtreden van het verbod behoeft te zijn gericht, ook niet in die gevallen waarin de strafbepaling is geformuleerd in de vorm van opzettelijke overtreding van een wettelijk voorschrift. De Hoge Raad overweegt in dat verband “dat in het algemeen feiten strafbaar behoren te zijn, zowel wanneer de dader beseft heeft als wanneer hij had behoren te beseffen, dat zijn gedraging was van een onrechtmatigheid die uitdrukking vond in haar strafbaarstelling, en dan in beide gevallen ook strafbaar kunnen zijn tot eenzelfde maximum, zodat alleen bij afwezigheid van alle schuld ten aanzien van die onrechtmatigheid strafbaarheid ontbreekt.” Het voorgaande komt erop neer dat kennis van de wet, ook de ingewikkelde ordeningswet, in beginsel –behoudens verschoonbare dwaling ten aanzien van het recht- wordt voorondersteld. Deze opvatting is ook thans nog geldend recht, zoals kan worden opgemaakt uit HR 24 april 2007, LJN AZ8783.

Vervolgens dient zich de vraag aan of de verdachte zich kan beroepen op verschoonbare rechtsdwaling in welk geval hij wegens afwezigheid van alle schuld zou dienen te worden ontslagen van alle rechtvervolging. Ook dit verweer mist doel.

Indachtig het adagium dat een ieder wordt geacht de wet te kennen, plegen (en dienen) aan een geslaagd beroep op verschoonbare rechtsdwaling zeer hoge eisen te worden gesteld. Eén van de hier relevante eisen houdt in dat degene die zich op een bepaalde wijze in of in een bepaald segment van het maatschappelijk verkeer begeeft, in dit geval de handel in erectiebevorderende middelen, de nodige inspanningen aan de dag legt om zich te informeren omtrent de relevante regelgeving. Bovendien dient aan de aangezochte informatiebron een zodanig gezag te kunnen worden toegekend dat de betrokkene in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Dat de verdachte zodanige informatie heeft ingewonnen dan wel heeft laten inwinnen acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Illustratief in dit verband is de verklaring van de heer G.C.M. Peters (V 7-2) waarin te lezen staat dat aan een door hem opgestelde lijst met vereisten waaraan een legale introductie op de markt van Sigraplus zou dienen te voldoen (D-124), niet of nauwelijks uitvoering is gegeven.

Hetgeen hiervoor is overwogen geldt mutatis mutandis evenzeer met betrekking tot de farmaceutische specialité/het farmaceutisch preparaat Sigraplus.

De bewezenverklaring t.a.v. parketnummer 16/995016-05 onder feit 3:

Uit het hiervoor overwogene volgt dat alle verdachten ([Verdachte], [medeverdachte D], [medeverdachte B], [medeverdachte C] en [medeverdachte A]) kunnen worden aangemerkt als medeplegers van de genoemde WOG-misdrijven. De vraag of de verdachten gezamenlijk ‘een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ hebben gevormd, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Gegeven de duur van de samenwerking en de onderlinge verhoudingen die tussen de verdachten hebben bestaan, is sprake geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Elk van de verdachten had daarbinnen een eigen taak(accent), die in hoofdlijnen als volgt kan worden geschetst: [medeverdachte A] hield zich bezig met de bereiding en verpakking, [medeverdachte C] en [medeverdachte B] met de afzet, [medeverdachte D] was belast met de financiële en juridische gang van zaken, terwijl [Verdachte] fungeerde aan financier. Uit het onderzoek is evenzeer duidelijk geworden dat de betrokkenen ook tot op grote hoogte bekend waren met elkanders rol in de handel in de verboden middelen. Tot slot is van belang dat de samenwerking tussen deze vijf verdachten juist zag op het plegen van de bewezenverklaarde WOG-misdrijven, zodat daarmee ook het door de wet bedoelde oogmerk van de organisatie gegeven is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de ‘criminele organisatie’ zich voor wat betreft [Verdachte], [medeverdachte D] en [medeverdachte B] tevens uitstrekte tot het daadwerkelijk zelf plegen van witwassen. Voor [Verdachte] en [medeverdachte D] vloeit dit goeddeels ook voort uit de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde feiten. Voor [medeverdachte B], die van dit feit is vrijgesproken, vraagt dit nader(e) bewijs en motivering.

In algemene zin kan worden opgemerkt dat uit het gedeelte van het dossier dat op witwassen ziet, moet volgen dat [medeverdachte B], met [Verdachte] en [medeverdachte D], bepaald een prominente en actieve rol heeft gespeeld. Meer concreet kan de betrokkenheid van [medeverdachte B] bij -onder meer- de volgende witwasmisdrijven worden vastgesteld.

Naar [medeverdachte B] heeft erkend (onder meer in V2-3) heeft hij zgn. commissiegeld, voortvloeiend uit de bemiddeling bij de verkoop van het TT-project, voorhanden gehad (zie D-44 en D-74; uit T10-642N volgt dat op 16 februari 2006 terzake een bedrag van € 145.000 is gestort op de Zwitserse bankrekening van [medeverdachte B]). Dit commissiegeld betreft de indirecte opbrengst van het eerdere witwassen, t.w. de investering in het TT-project en is daarmee van criminele herkomst. Dit moet [medeverdachte B] ook zonder meer duidelijk zijn geweest. Voor wat betreft de samenwerking met [medeverdachte D] kan gewezen worden op [medeverdachte D]’ betrokkenheid bij de overeenkomst van dading, terwijl de betrokkenheid van [Verdachte] onder meer kan worden afgeleid uit (ook) zijn door aanwezigheid bij de ontmoeting in het Van der Valk Hotel te Breukelen d.d. 6 februari 2006 (vgl. OBS7).

In september en november 2004 wordt van de rekening van [medeverdachte D] in totaal een bedrag van € 250.000 overgemaakt naar de rekening van [Bedrijf 7] AG (D-10/44, 46 en 51; D-93). De rechtbank houdt het ervoor dat dit geld een gedeelte betreft van een bedrag van € 310.000 dat op 6 juli 2004 naar de rekening van [medeverdachte D] is overgeboekt van de Hypo Vereins-rekening van [Verdachte] te Düsseldorf. Vervolgens worden gedurende ruim een half jaar vanaf de rekening van [Bedrijf 7] maandelijks bedragen, variërend van € 3.500 tot € 5.000 overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte B] (D-48; voor het eerst op 18 oktober 2004 € 4.000). [medeverdachte B] verklaart (V2-01) tevens in 2004 contant door [Bedrijf 7] te zijn betaald (vgl. ook contante stortingen blijkend uit D-47).

De terzake door [medeverdachte B] afgelegde verklaringen, inhoudende onder meer dat deze betalingen dienden als loon voor door hem ten behoeve van [Bedrijf 7] verrichte werkzaamheden, alsmede zijn ontkenning van zijn wetenschap van het feit dat [Verdachte] belangen had in [Bedrijf 7] (V2-08) en [medeverdachte B]’s stelling dat hij toen de (straf)zaak in België liep besloten had geen zaken meer te doen met [Verdachte], acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De betalingen zijn niet te rijmen met een aan [getuige P] getoonde arbeidsovereenkomst waarin te lezen staat dat [medeverdachte B] ‘slechts’ aanspraak kon maken op een bruto-salaris van € 3.500 per maand (D-110). Dat [medeverdachte B] niet zou weten dat [Verdachte] ‘toevallig’ één van de investeerders was in zijn ([medeverdachte B]’s) werkgeefster acht de rechtbank ongeloofwaardig in het licht van de vaststelling dat verdachte en [medeverdachte B] gedurende een reeks van jaren zakelijk zo niet als waren zij onafscheidelijk, dan toch zeer nauw met elkaar hebben samengewerkt. Voor wat betreft de beweerdelijke breuk tussen beiden ten tijde van de rechtsgang in België kan worden volstaan met een verwijzing naar het Sigraplus-dossier.

Verder heeft [medeverdachte B] verklaard (V2-01) dat hij in 2003 tussen de € 20.000 en € 30.000 –naar de rechtbank begrijpt- contant heeft ‘geleend’ van [Verdachte], welke geld hij in kleinere porties contant op zijn ([medeverdachte B]’s) rekening heeft gestort (vgl. D-47). De rechtbank houdt het ervoor dat [medeverdachte B] wist dat het geld van [Verdachte] geheel of gedeeltelijk een criminele herkomst had.

Al met al zijn er voldoende bewijzen om ook [medeverdachte B] strafrechtelijk aansprakelijk te houden voor zijn betrokkenheid bij witwashandelingen in crimineel georganiseerd met [Verdachte] en [medeverdachte D] begaan.

Voor zover het [medeverdachte C] en [medeverdachte A] betreft is naar het oordeel van de rechtbank niet althans onvoldoende komen vast te staan dat zij met de vereiste graad van opzet betrokkenheid hebben gehad bij concrete witwasmisdrijven. Dit neemt evenwel niet weg dat zij als deelnemers aan de criminele organisatie aansprakelijk dienen te worden gehouden voor de door andere deelnemers in het verband van de criminele organisatie gepleegde witwasmisdrijven. Dat hun strafrechtelijke aansprakelijkheid zich mede tot die feiten uitstrekt moet worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 18 november 1997, NJ 1998, 225, waarin hij overwoog dat voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat hij dus geen weet behoeft te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De Hoge Raad heeft deze opvatting –in weerwil van o.m. een kritische noot van De Hullu- nadien bevestigd (vgl. o.m. HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 64).

De bewezenverklaring t.a.v. parketnummer 16/992054-07

De -navolgende- motivering van de bewezenverklaring, verwijst naar het in wettelijke vorm opgemaakte dossier van de FIOD-ECD, genummerd 33878.

De rechtbank komt tot de vaststelling van de volgende feiten.

Verdachte is op 6 april 2006 aangehouden als verdachte en inverzekering gesteld. Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 11 juli 2006 is de voorlopige hechtenis van verdachte onder voorwaarden geschorst met ingang van 12 juli 2006 te 10.00 uur. Eén van de voorwaarden was dat verdachte zijn paspoort -zo dit niet inbeslaggenomen was- bij ingang van voormelde schorsing zou overdragen aan de officier van justitie van het Functioneel Parket te Zwolle. Daarnaast mocht de verdachte zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken. Uit de stukken blijkt dat het paspoort van verdachte op 6 april 2006 bij zijn aanhouding in beslag is genomen door de rechter-commissaris en is bewaard in de kluis van de FIOD-ECD te Utrecht.

Op 31 juli 2006 en dus ± 3 weken nadat de voorlopige hechtenis van verdachte werd geschorst, heeft verdachte bij het Nederlands consulaat in Düsseldorf een noodpaspoort aangevraagd. Dit met de bedoeling om nog dezelfde dag naar Dubai te vliegen. Uit de door verdachte ondertekende “Verklaring vermissing reisdocument” moet worden opgemaakt dat verdachte als reden voor vermissing van het eerder aan hem verstrekte paspoort heeft opgegeven dat hij dit op het vliegveld van Düsseldorf had verloren, dat hij de vermissing op 31 juli 2006 had geconstateerd en dat hij geen vermoeden had wie het document nu in bezit had. De valsheid van deze gegevens is door de verdachte ter terechtzitting erkend.

Tussen het consulaat en de Afdeling Consulair-Juridische Zaken in Den Haag heeft een mailwisseling plaatsgevonden waarin de Afdeling Consulair-Juridische Zaken laat weten dat verdachte nog een verkeersboete had openstaan maar dat aan hem een noodpaspoort afgegeven kon worden voor de duur van de reis. Het paspoort is op 31 juli 2006 vervolgens daadwerkelijk aan verdachte afgegeven.

Bij een exit-controle voor de vlucht van Düsseldorf naar Dubai is de verdachte aangehouden omdat hij de hem in België opgelegde gevangenisstraf nog diende uit te zitten.

De raadsman heeft de causaliteit tussen de door de verdachte opgegeven valse gegevens en het verstrekken van het paspoort betwist. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de verstrekking veeleer het gevolg is van de, niet aan de verdachte toe te rekenen, gebrekkige registratie in c.q. werking van de verschillende opsporingsregisters –de ‘signalering’ voor België was de Afdeling Consulair-Juridische Zaken kennelijk onbekend- dan van de door de verdachte gedebiteerde onjuistheden.

Deze redenering houdt de rechtbank voor onjuist en onwenselijk. Onjuist, omdat het de verdachte is geweest die het paspoort heeft doen verstrekken, en wel op basis van (deels: zijn naam, geboortedatum/-plaats moeten voor juist worden gehouden) valse gegevens, en niet het/een falend registratiesysteem. Onwenselijk, omdat de redenering neigt naar de (rechtens trouwens evenzeer onjuiste) opvatting dat degene die steelt uit een onafgesloten woning zich niet aan diefstal schuldig zou maken.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

De rechtbank acht -gelet op het vorenstaande- wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 16/995016-05 en 16/992054-07 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

T.a.v. parketnummer 16/995016-05 feit 1.

Dat hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1januari 2003 tot en

met 6 april 2006, in tezamen en vereniging met een persoon, telkens geldbedragen, bestaande uit

• een geldbedrag van € 148.252,- (gebruikt voor de betaling van de woning aan de Sydwende 89 te Drachten) en

• een geldbedrag van in totaal € 310.000,- op de bankrekening ten name van Stichting Beheer Derden [medeverdachte D]

• een geldbedrag van € 2.982.111,- via de bankrekening ten name van Stichting Beheer Derden [medeverdachte D] geldbedrag van in totaal € 29.750,- (van de bankrekening ten name van Stichting Beheer Derden [medeverdachte D] naar een bankrekening ten name van E.M. van Stralendorff, zijnde de echtgenote van R. [Verdachte] en

• een geldbedrag van € 60.000,- wordt via een bankrekening ten name van P. [getuige H.] in contanten opgenomen door P. [getuige H.] en wordt op het kantoor van C. [medeverdachte D] overhandigd aan E.M. [medeverdachte C]

terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovengenoemde geldbedrag–onmiddelijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededader van het plegen van voormeld feit, een gewoonte hebben gemaakt.

T.a.v parketnummer 16/995016-05 feit 2.

Dat hij in de periode van 1 januari 2003 tot en

met 6 april 2006, in de gemeente(n) Breukelen en/of Dalfsen en/of Zwolle en/of Amsterdam en/of De Wolden en/of Halderberge en/of (elders) in Nederland ,tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen, (telkens) opzettelijk:

- een geneesmiddel, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder e van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, heeft bereid en/of afgeleverd, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet bevoegd waren/was tot de uitoefening van de artsenijbereidkunst

en

- hoeveelheden van de/het ongeregistreerde farmaceutische specialité/farmaceutisch preparaat SigraPlus (bevattende Tadalafil) heeft bereid en/of heeft afgeleverd en/of heeft verhandeld

T.a.v. parketnummer 16/995016-05 feit 3.

Dat hij op in de periode van 14 december 2001 tot en

met 6 april 2006, in de gemeente Breukelen en/of Drachten en/of Landsmeer en/of Amsterdam en/of Zwolle en/of Dalfsen en/of Oudebosch en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door [Verdachte] en/of [medeverdachte B] en [medeverdachte D] en [medeverdachte C] en [medeverdachte A],

welke organisatie tot oogmerk had het tezamen en in vereniging met een ander of anderen plegen van misdrijven, te weten

? het van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergen of verhulen, dan wel verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp –onmiddellijk of middellijk- afkomstig is uit enig misdrijf,

? het opzettelijk een geneesmiddel, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder e van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, bereiden en/of ,

? het opzettelijk ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten, bereiden en/of verkopen en/of afleveren en/of verhandelen en/of ter aflevering in voorraad

Parketnummer 16/992054-07:

Dat hij op 31 juli 2006 te Düsseldorf een reisdocument, te weten een (nood)paspoort, met

nummer EA0239547, op grond van valse gegevens heeft doen verstrekken, welke

valse gegevens bestonden uit het in strijd met de waarheid meedelen dat het

eerder afgegeven paspoort was verloren.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 16/995016-05 feit 1, ‘bullets’ 3 tot en met 7, onder feit 2, onder feit 3 en onder 16/992054-07 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

T.a.v. parketnummer 16/995016-05 onder feit 1:

Medeplegen van gewoontewitwassen.

T.a.v. parketnummer 16/995016-05 onder feit 2:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van het in artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening gestelde verbod, meermalen gepleegd.

en

medeplegen van opzettelijke overtreding van het in artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening gestelde verbod, meermalen gepleegd.

T.a.v. parketnummer 16/995016-05 onder feit 3:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

T.a.v. parketnummer 16/992054-07:

Een reisdocument op grond van valse gegevens doen verstrekken.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De gedragingen die hebben geleid tot het oordeel dat de verdachte het verbod van artikel 2 lid 3 WOG heeft overtreden, hebben (telkens) tevens geleid tot het oordeel dat de verdachte het verbod van artikel 3 lid 4 WOG heeft overtreden. Gegeven deze feitelijke samenhang en de vergaande mate van gelijkheid van de strekking van de betreffende verbodsbepalingen moeten de overtredingen worden geacht te zijn gepleegd in eendaadse samenloop.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het misdrijf witwassen kent in het algemeen weliswaar geen directe slachtoffers, maar het maakt er wel heel veel. Het vormt in meerdere opzichten een bedreiging voor de integriteit van de samenleving. Het maakt criminaliteit lucratief, ook voor diegenen die naar de buitenwereld een schijn van fatsoen wensen op te houden. Tevens vormt het een aantasting van het financieel-economisch bestel. Het heeft een corrumperend effect op het reguliere handels- en betalingsverkeer en werkt bovendien concurrentievervalsing in de hand.

Dat de verdachte gedurende meerdere jaren witwasactiviteiten aan de dag heeft gelegd is hem dan ook zeer kwalijk te nemen.

Het belang van handhaving van het verbod op de illegale handel in geneesmiddelen behoeft nauwelijks nadere beargumentering. Het vertrouwen in de deugdelijkheid van geneesmiddelen is immers één van de kernwaarden van de volksgezondheid. Aan die waarde wordt ook afgedaan als geneesmiddelen worden aangeboden die geen werking hebben of die een andere werking hebben dan op grond van gedegen wetenschappelijk onderzoek mag worden verwacht. Het gevaar van ongereglementeerde bereiding en verhandeling van geneesmiddelen heeft zich in deze zaak bovendien, zij het in relatief milde vorm, verwezenlijkt. Dankzij een gebrekkig procédé en een dito controle is er immers, tot verrassing van een ieder, een stof in het eindproduct opgedoken die onder omstandigheden, in een andere concentratie, gemakkelijk een onverwachte uitwerking had kunnen hebben. Nu een soortgelijke ‘verrassing’ zich reeds had voorgedaan met betrekking tot Sigra-sildenafil, valt het de verdachte des temeer aan te rekenen dat hij met Sigraplus de volksgezondheid opnieuw in de waagschaal heeft gesteld.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 mei 2007, waaruit blijkt dat de verdachte op 29 maart 2000 door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld ter zake opzetheling en valsheid in geschrift. Voorts is het de rechtbank -gelet op het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen- bekend dat verdachte op 3 januari 2006 voor witwassen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de alle onder de parketnummers 16/995016-05 en 16/992054-07 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur als passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan. Daarbij speelt onder meer een rol dat de verachte inmiddels voor soortgelijke feiten een gevangenisstraf van 2 jaar heeft ondergaan in België en dat de thans bewezen- en strafbaar verklaarde feiten voordien hebben plaatsgevonden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 57, 140, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht op de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en op de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder parketnummer 16/995016-05 feit 1 ten laste gelegde feit nietig voor zover betrekking hebbende op het “verhullen” en “verbergen”

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging voor zover deze ziet op: ten aanzien van parketnummer 16/995016-05 feit 1:

- de periode 14 december 2001 tot en met 31 december 2002;

- de pleegplaatsen Seefeld en/of elders in Oostenrijk en/of Dusseldorf en/of elders in Duitsland en/of Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten;

en

ten aanzien van parketnummer 16/995016-05 feit 2:

- de pleegplaatsen Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten;

en

ten aanzien van parketnummer 16/995016-05 feit 3:

- de pleegplaatsen Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten en/of Seefeld en/of elders in Oostenrijk en/of Dusseldorf en/of elders in Duitsland en/of Hasselt en/of (elders) in België.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 16/995016-05 feit 1, eerste en tweede ‘bullet’, is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 16/995016-05 feit 1, derde tot en met zevende ‘bullet’, onder feit 2, onder feit 3 en onder 16/992054-07 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W. Foppen. A. Muller en A.J.P. Schotman, bijgestaan door J.J. Veldhuizen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van .