Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB6514

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
218918/ HA ZA 06-2190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 218918 / HA ZA 06-2190

Vonnis van 24 oktober 2007

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te Haarzuilens,gemeente Utrecht,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats].

6. [eiser sub 6],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.M. van Noort,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. P.J. Soede.

Partijen zullen hierna [eiser c.s.] en [gedaagde] genoemd worden.

Dit vonnis is een vervolg op het op 20 december 2006 in deze zaak in het incident en in de hoofdzaak uitgesproken vonnis.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 20 december 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 22 maart 2007

- de akte houdende overlegging producties van [eiser c.s.]

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank verwijst naar en blijft bij hetgeen zij in het vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 20 december 2006 heeft overwogen.

2.2. Bij laatstgenoemd vonnis heeft de rechtbank in het incident de vordering van [gedaagde] dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident. In de hoofdzaak heeft de rechtbank een comparitie bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Deze comparitie is, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, op 22 maart 2007 gehouden. Partijen hebben geen schikking bereikt. Teneinde partijen voldoende tijd te geven voor het voeren van onderhandelingen, is de zaak naar de rol verwezen voor doorhaling op eenstemmig verzoek danwel voor vonnis.

2.3. De raadslieden van partijen hebben ter comparitie de bereidheid uitgesproken om met elkaar te onderzoeken hoe inzage aan [eiser c.s.] kan worden verstrekt van het protocol en de nadere afspraken op een zodanige wijze dat aan de belangen van beide partijen tegemoet wordt gekomen.

[eiser c.s.] stellen dat de raadslieden van partijen, uitvoering gevend aan voormeld voornemen, vervolgens overleg hebben gevoerd en dat de uitkomst daarvan was dat [gedaagde] bereid was genoemde stukken in ‘gekuisde’ vorm aan hen ter inzage te leggen. Bij akte houdende overlegging producties hebben [eiser c.s.], deze door hun raadsman ontvangen, bescheiden (het protocol en de nadere Afspraken) als producties 14 en 15 in het geding gebracht. [eiser c.s.] stellen dat beide stukken, naar hun mening, hun stellingen in deze procedure ondersteunen.

2.4. [gedaagde] heeft bij antwoordakte in herinnering geroepen dat het voorkeursrecht van [eiser c.s.] gekoppeld is aan de situatie waarin de grondeigenaar tijdens de duur van het erfpachtrecht tot vervreemding van de in erfpacht uitgegeven grond wil overgaan. Die situatie doet zich, aldus [gedaagde], niet voor. De werkelijke vervreemding van percelen, waarop een voorkeursrecht van een erfpachter rust waarvan deze geen afstand wil doen en die onderdeel uitmaken van het Landgoed, zoals de percelen van [eiser c.s.], vindt, volgens [gedaagde], eerst plaats zodra rechten van derden daaraan niet meer in de weg staan. [gedaagde] stelt dat de omstandigheid dat het beheer van het Landgoed, waaronder begrepen de percelen van de erfpachters die als gevolg van het niet-prijsgegeven het voorkeursrecht van koop niet zijn geleverd, is opgedragen aan Natuurmonumenten, een en ander niet anders maakt. Dat het beheer van een Landgoed in één hand wordt gegeven is volgens [gedaagde] alleszins gebruikelijk. [gedaagde] stelt dat het voor hem bovendien praktisch ondoenlijk is om vanuit Engeland het beheer te voeren over alleen de erfpachtpercelen. Beheer door een derde was, aldus [gedaagde], dan ook noodzakelijk en daarvan uitgaande lag beheer van het gehele Landgoed door Natuurmonumenten het meest voor de hand. Ten slotte heeft [gedaagde] nog opgemerkt dat uitwerking van het beheer in een separate overeenkomst nimmer heeft plaatsgevonden. [gedaagde] handhaaft zijn overige verweren, waaronder begrepen het beroep op verjaring in welk kader de aan het proces-verbaal van comparitie gehechte productie B.6 moet worden bezien en zijn conclusie zoals verwoord in par. 76 (de rechtbank neemt aan dat bedoeld is 66 e.v.) van de conclusie van antwoord.

Verjaring

2.5. [gedaagde] heeft als verweer onder meer aangevoerd dat de vordering van [eiser c.s.] is verjaard, aangezien tussen het moment waarop [eiser c.s.] aanspraak hebben gemaakt op nakoming van het voorkeursrecht en het moment waarop zij hem voor het eerst hebben aangeschreven (zie de brief van 4 november 2005 door [eiser c.s.] als productie 13 overgelegd) langer dan vijf jaar is verstreken. [eiser c.s.] hebben gemotiveerd betwist dat van verjaring sprake is.

2.6. De rechtbank gaat er vanuit dat door [gedaagde] gedane beroep op verjaring

van de rechtsvordering van [eiser c.s.] is gebaseerd op het bepaalde in artikel 3:311 BW. In het onderhavige geschil verschillen partijen van mening over de aanvang van de termijn waarop de verjaring is gaan lopen. De verjaring begint te lopen zodra de schuldeiser, in casu [eiser c.s.], met de tekortkoming bekend is geworden. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2001 NJ 2002,384 volgt dat het criterium ‘bekend is geworden’ subjectief moet worden opgevat. Het komt er dus op aan dat degene die zich op verjaring beroept, stelt en zonodig bewijst dat de schuldeiser, in casu [eiser c.s.], daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming. Dat neemt, aldus de Hoge Raad, evenwel niet weg dat de rechter, indien de schuldeiser zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden.

2.7. [gedaagde] stelt dat [eiser c.s.], gelet op de inhoud van de correspondentie in 2000, van de hoed en de rand wisten. In de brief van augustus 2000 stellen [eiser c.s.], aldus [gedaagde], ook dat nu alles naar Natuurmonumenten gaat, er aan de erfpachter moet worden aangeboden. Ter aanvulling op de stukken en correspondentie uit het jaar 2000 heeft [gedaagde] ter comparitie nog de brief van 24 oktober 2000 als productie B6 overgelegd, welke brief aan het proces-verbaal van de comparitie is gehecht.

Deze, door drs. [naam] aan [eiser c.s.] geschreven brief houdt onder meer het volgende in:

“ Namens [gedaagde] kan ik u hierbij mededelen dat in het kader van het beheer van

het Landgoed [x] de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten per 31

augustus j.l. de rentmeesteractiviteiten uitvoert. (…).

Voor de goede orde zij opgemerkt dat de bloot eigendom van de erfpachten geen

onderwerp van de transactie met de Vereniging Natuurmonumenten is. Dit is reeds aan de

orde geweest in de gezamenlijke bijeenkomst van 26 juli 2000.

Door het feit dat de rest van het landgoed inmiddels aan de Vereniging

Natuurmonumenten is overgedragen (met uitzondering van voornoemde bloot eigendom)

kan er geen sprake zijn van een aanbieding zoals door vele erfpachters wordt

verondersteld, zoals ondermeer in de gezamenlijke brief de dato 25 augustus j.l.

Volledigheidshalve verwijs ik naar eerdere brieven waarin uitdrukkelijk is gesteld dat het

verzoek tot afstand van uw voorkeursrecht dat aan u gedaan is, op geen enkele wijze een

aanbod tot overdracht van de bloot eigendom inhield.

Tot slot zij opgemerkt dat zoals in vorenbedoelde bijeenkomst ook aan de orde is geweest,

[gedaagde] de betreffende registergoederen nimmer aan de erfpachters te koop zal

aanbieden. In het belang van de eenheid van het beheer van het landgoed tezamen met het

kasteel heeft de Baron derhalve de rentmeesteractiviteiten opgedragen aan de Vereniging

Natuurmonumenten.”

2.8. Vast staat dat [eiser c.s.] hun vordering, voor zover op dat moment niet verjaard, in elk geval hebben gestuit middels de sommatiebrief van hun raadsman van 4 november 2005. Niet is komen vast te staan dat de verjaring reeds medio of eind oktober 2000, zoals [gedaagde] stelt, is gaan lopen. Uit de door [gedaagde] overgelegde en hiervoor weergegeven brief van 24 oktober 2000 volgt dat de bloot eigendom van de erfpachtrechten geen onderwerp van de transactie met Natuurmonumenten is. Niet blijkt uit die brief wat [gedaagde] met betrekking tot de erfpachtrechten van [eiser c.s.] met Natuurmonumenten is overeengekomen. [eiser c.s.] hebben voldoende duidelijk gemaakt dat zij eerst met de constructie, die [gedaagde] getroffen had, bekend zijn geworden toen zij in 2003 of 2004 met de betreffende hypotheekakte, met het beding erin dat [gedaagde] aan geen ander dan Natuurmonumenten kon overdragen, bekend raakten. Dit is iets anders dan de namens [gedaagde] in de brief van 24 oktober 2000 gedane mededeling dat hij de betreffende registergoederen nimmer aan de erfpachters te koop zal aanbieden. Het beroep van [gedaagde] op verjaring van de rechtsvordering van [eiser c.s.] wordt daarom verworpen.

Voorkeursrechten

2.9. [eiser c.s.] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde], door de litigieuze percelen niet aan hen aan te bieden maar met betrekking tot deze percelen een transactie met Natuurmonumenten aan te gaan, heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van het voorkeursrecht.

[gedaagde] daarentegen stelt zich op het standpunt dat schending van het voorkeursrecht niet aan de orde is. Hij voert daartoe het volgende aan:

- de afspraak met Natuurmonumenten was noodzakelijk om het Landgoed te redden.

[gedaagde] stelt dat hij daarbij, gesteund van overheidswege, de voorwaarde heeft

gesteld dat het geheel in één hand zou komen. Dit verklaart volgens [gedaagde]

waarom is veilig gesteld dat percelen die nu niet konden worden overgedragen, te zijner

tijd wel worden overgedragen. Na overdracht ligt het in de rede dat de percelen (maar nu

door Natuuronumenten) voor een nieuwe periode in erfpacht worden uitgegeven;

- [eiser c.s.] wel een voorkeursrecht van koop hebben, maar dat dit voorkeursrecht

eindigt met het einde van hun erfpachtsrecht. Van een recht op koop tot in lengte der jaren

is derhalve, aldus [gedaagde], geen sprake. [gedaagde] stelt dat na

ommekomst van het erfpachtsrecht van [eiser c.s.] niets aan overdracht van de

desbetreffende percelen aan Natuurmonumenten in de weg staat. Dit is volgens

[gedaagde] één van de (essentiële) verschillen in de casus zoals die ten grondslag

ligt aan het arrest HR 23 januari 1970, NJ 1970,246, waarop de positie van [eiser c.s.]

gestoeld lijkt te zijn.

- de percelen van [eiser c.s.] niet in eigendom zijn overgedragen aan

Natuurmonumenten, zodat van schending van het voorkeursrecht geen sprake is;

- de redelijkheid en billijkheid, anders dan [eiser c.s.] betogen, in het licht van de

omstandigheden van het geval niet tot een andere uitkomst leiden.

2.10. In de door [eiser c.s.] als productie 1 bij dagvaarding overgelegde akte betreffende erfpacht van Groeneveld, is in artikel 25 onder meer het volgende bepaald:

“ Indien de grondeigenaar tijdens de duur van het erfpacht tot vervreemding van de in

erfpacht uitgegeven grond wil overgaan (erfrechtelijke beschikking bij legaat of last niet

daaronder begrepen) is hij verplicht deze grond allereerst te koop aan te bieden aan de

erfpachter (…).”

Uit de akte van erfpacht van de andere eisers blijkt dat de bepalingen met betrekking tot het voorkeursrecht van hen vrijwel hetzelfde luidt.

2.11. Vast staat dat [gedaagde] en Natuurmonumenten een samenwerkings-verband zijn aangegaan ten behoeve van het voortbestaan van Kasteel [y] en Landgoed [x]. Het doel van de samenwerking is in het door [eiser c.s.] als productie 14 bij akte in het geding gebrachte ‘Protocol voor samenwerking ter zake van de herstructurering van ‘[y]’ als volgt omschreven:

“ De samenwerking tussen Stichting Kasteel [y] (de Stichting) en Vereniging

Natuurmonumenten (vereniging) heeft als doel de noodzakelijke financiële basis te

verschaffen voor het voortbestaan van Kasteel [y] met de daarbij behorende

gebouwen, tuinen en het Noorderpark als cultuur-historisch monument, één en ander in de

zin van de Monumentenwet 1988. De instandhouding betreft eveneens de museale

collectie.

Ter continuering van het beheer zal de onverbrekelijke samenhang van het kasteel met

bijgebouwen, tuinen en Noorderpark (Kasteel/Museum) met het Landgoed [x]

(Landgoed) uitgangspunt vormen. Op deze wijze blijft niet alleen de eenheid van het gehele

complex ook voor de toekomst gewaarborgd, maar ook een uniek natuurgebied veilig

gesteld. Los van de te verkrijgen overheidssubsidies ten behoeve van de restauratie heeft

de Stichting behoefte aan een versterking van het eigen vermogen.

1. Herstructurering Landgoed

1.1. De Stichting richt een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op (de

Rechtspersoon).

1.2. De Rechtspersoon verwerft ten titel van koop het Landgoed – met uitzondering van

(…) voor een koopprijs van (…), exclusief eventueel verschuldigde

overdrachtsbelasting van [gedaagde] (de eigenaar) onder

schuldigerkenning van de koopprijs (…) en wel op zodanige wijze dat de betaling van

(…) aan de Eigenaar is gewaarborgd.”

Voormeld protocol is op 7 april 2000 door [gedaagde] en op 17 april 2000 door mr. F.W.R. Evers namens Natuurmonumenten ondertekend.

2.12. [gedaagde] en Natuurmonumenten hebben in het kader van de uitvoering van het protocol voor de samenwerking ter zake van de herstructurering van “[y]” nadere afspraken gemaakt. Deze, door [eiser c.s.] als productie 15 bij akte in het geding gebrachte nadere afspraken houden onder meer het volgende in:

“ Bij de uitvoering is ondermeer gebleken dat de levering door de Eigenaar aan de

Vennootschap, zoals oorspronkelijk beoogd, dan wel rechtstreekse levering van het

Landgoed aan Natuurmonumenten niet geheel mogelijk is. Redenen hiervoor zijn:

- (…)

- erfpachters van het Landgoed die een voorkeursrecht hebben op grond van de

erfpachtvoorwaarden nog niet hun medewerking hebben verleend door – voor de

onderhavige transactie – afstand te doen van hun voorkeursrecht;

- (…).

Nadere uitgangspunten/afspraken

1. Koopsom/Betaling

1.1. Ondanks het feit dat geen integrale uitvoering kan worden gegeven aan de levering

van het Landgoed, heeft Natuurmonumenten zich verplicht om het overeengekomen

bedrag ad (…) te betalen indien en zodra de leveringen ingevolge het Protocol kunnen

plaatsvinden met uitzondering van:

de percelen van erfpachters die een voorkeursrecht hebben en ten tijde van vorenbedoelde

leveringen van dat voorkeursrecht nog geen afstand hebben gedaan (“de

Erfpachtpercelen”)

(…),

en wel met dien verstande dat verdere uitvoering aan het Protocol kan worden gegeven,

met inachtneming van onderhavige afspraken en onder gelijktijdige vestiging van een

eerste hypotheek als hierna sub 9.2 bedoeld.

(…)

1.5. De eventuele gevolgen van het hiervoor sub 1.4 bepaalde voor de waarde/opbrengst

van de aldaar bedoelde gronden zijn nimmer aanleiding tot enige verrekening, ook al is

zulks een afwijking in negatieve zin dan wel positieve zin van de taxaties op basis waarvan

is gekomen tot een bedrag (…) voor het gehele Landgoed. Dit bedrag is verder,

(…), in alle opzichten een vast gegeven, ook al kan de levering van de

Erfpachtpercelen pas op zeer lange termijn (bijvoorbeeld na het einde van de erfpacht)

plaatsvinden.

2. (…).

3. Uitbesteding beheer / Volmacht

(…).

3.3. In het kader van het beheer heeft Natuurmonumenten de volmacht om namens de

Eigenaar al die beheer- en beschikkingshandelingen te verrichten die in het belang zijn

van de (verdere) uitvoering van het Protocol alsmede de doelstellingen van de Stichting en

de Exploitatiestichting. Natuurmonumenten is bij uitsluiting gerechtigd deze beheer- en

beschikkingshandelingen te verrichten. De Eigenaar zal zich zonder voorafgaande

goedkeuring van Natuurmonumenten van elke beheer- en beschikkinghandeling

onthouden.

3.4. De hiervoor bedoelde volmacht maakt een integrerend onderdeel uit van het Protocol

en is derhalve onvoorwaardelijk en onherroepelijk. Deze volmacht eindigt niet door het

overlijden van de Eigenaar. De Eigenaar zal op eerste verzoek van Natuurmonumenten

zijn medewerking verlenen aan de vastlegging van de volmacht in de vorm van een

notariële akte.

(…).

9. Waarborgen / zekerheden

(…)

9.2. Ter waarborging (…) van de verplichting tot levering van de Erfpachtpercelen (…)

zal in een afzonderlijke akte worden vastgelegd dat bij niet nakoming door de Eigenaar of

diens rechtsopvolgers, zonder rechterlijke tussenkomst een zeer substantiële boete wordt

verbeurd. Dit onverminderd het recht schadevergoeding en/of nakoming. Tot meerdere

zekerheid van de verplichting van de Eigenaar of diens rechtsopvolgers tot betaling van bedragen / schadevergoeding ingeval van niet nakoming als hiervoor bedoeld, zal een recht van eerste hypotheek worden gevestigd op de Erfpachtpercelen en de WVG-percelen.”

Deze nadere, op schrift gestelde afspraken, zijn op 31 augustus 2000 door [naam] als gevolmachtigde van [gedaagde] en [Naam 2], als gevolmachtigde van Natuurmonumenten, ondertekend.

2.13. Uit het Protocol en met name de artikelen 6.4 en 7.3 volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat het Landgoed integraal zal worden geleverd aan Natuurmonumenten.

[gedaagde] heeft gesteld dat bij de uitvoering van het Protocol gebleken is dat levering van het Landgoed niet integraal mogelijk was in verband met, onder andere, het voorkeursrecht van de erfpachters, in casu [eiser c.s.].

[gedaagde] stelt voorts dat hij en Natuurmonumenten de transactie desondanks door hebben laten gaan, omdat dit de enige mogelijkheid was om het Landgoed te redden. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat nadere afspraken zijn gemaakt, zoals hiervoor onder 2.12 weergegeven en die inhouden dat de werkelijke vervreemding van onderdeel van het Landgoed uitmakende percelen, waarop een voorkeursrecht van een erfpachter rust waarvan deze geen afstand wil doen, zoals de percelen van [eiser c.s.]., eerst plaats zal vinden zodra rechten van derden daaraan niet meer in de weg staan. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of deze verplichtingen in strijd zijn met de voorkeursrechte van [eiser c.s.]

Portocarrero-arrest

2.14. [eiser c.s.] stellen dat [gedaagde] in 2000 aan hen heeft verzocht afstand te doen van hun voorkeursrecht omdat hij de erfpachtpercelen aan Natuurmonumenten wilde overdragen. Hieruit volgt, volgens [eiser c.s.], dat [gedaagde] destijds de percelen zonder meer wilde vervreemden, maar dat hij ze niet aan hen, als voorkeursgerechtigden wilde overdragen. Deze opstelling komt er volgens [eiser c.s.] op neer dat de voorkeursgerechtigden niet de voorkeursbehandeling krijgen waar zij op mochten rekenen. [eiser c.s.] erkennen dat het recht geen consequenties verbindt aan het niet willen aanbieden aan de voorkeursgerechtigden. Zij achten het niet willen aanbieden meer dan onsympathiek. [eiser c.s.] stellen dat het bovendien anders wordt als de belover van het voorkeursrecht, in casu [gedaagde], nadat hem blijkt dat de voorkeursgerechtigden vasthouden aan hun aanspraken, met betrekking tot het desbetreffende goed een transactie met een derde aangaat, die weliswaar geen overdracht in juridische zin inhoudt doch daarmee wel zeer verwant is, omdat daarmee/daardoor het voorkeursrecht in feite illusoir wordt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 1970, NJ 1970/246 (Portocarrero-arrest), waarin een casus aan de orde was die op alle relevante punten overeenkomt met het onderhavige geval, blijkt volgens [eiser c.s.] dat het recht consequenties verbindt aan zodanig handelen.

2.15. De rechtbank is van oordeel het Portocarrero-arrest betrekking heeft op een zaak die niet in alle opzichten met de onderhavige zaak te vergelijken is. Voormeld arrest heeft betrekking op een situatie waarin sprake is van een in een koopovereenkomst opgenomen voorkeursrecht van koop dat onvoorwaardelijk en in tijd niet gelimiteerd is. Dat recht mocht volgens de Hoge Raad niet gefrustreerd worden door in een overeenkomst met een derde een rechtstoestand te creëren die in zijn praktische gevolgen gelijk staat met de toestand die na verkoop en levering aan die derde zou ontstaan. Die situatie doet zich hier niet voor. In het onderhavige geval is immers sprake van een in de erfpachtovereenkomst opgenomen voorkeursrecht van koop dat uit de aard der zaak gekoppeld is aan de bepaalde tijd van de duur van het erfpachtrecht. Hieruit volgt dat het [gedaagde], na ommekomst van het erfpachtrecht van eisers sub 1, 2, 3 en 6 in 2048 en eisers sub 4 en 5 in 2056, vrij staat de percelen aan een derde te vervreemden. Een aanbiedingsplicht geldt slechts indien hij tijdens de duur van het erfpachtrecht tot vervreemding wil overgaan. Dat is, gelet op de nadere afspraken tussen [gedaagde] en Natuurmonumenten niet aan de orde. [gedaagde] wenst eerst tot vervreemding over te gaan en kan daartoe ook eerst worden gehouden indien het erfpachtrecht van de betrokken erfpachters daaraan niet meer in de weg staat. Hieruit volgt dat van inbreuk op het voorkeursrecht van koop van [eiser c.s.] thans geen sprake is. Voorts verdient opmerking dat het Portocarrero-arrest gewezen is onder oud recht. Naar huidig recht heeft een overeenkomst (eveneens) niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de belangen van partijen. Gelet op de door [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord onder 48 tot en met 65 aangevoerde omstandigheden valt niet in te zien waarom de redelijkheid en billijkheid mee zouden moeten brengen dat aan het voorkeursrecht van [eiser c.s.] verdergaande rechtsgevolgen moeten worden gekoppeld dan die zijn neergelegd in de erfpachtovereenkomst zelf.

Procedure [erfpachter]

2.16. Ook het beroep van [eiser c.s.] op de procedure [erfpachter] kan hen niet baten. In die procedure heeft [erfpachter], eveneens een erfpachter van [gedaagde], een procedure gevoerd tegen [gedaagde] met dezelfde inzet en voor een deel op dezelfde gronden. In die procedure was eveneens de vraag aan de orde of [erfpachter] een beroep op het – gelijkluidende – voorkeursrecht in de akte van erfpacht toekwam. Nadat de rechtbank en het gerechtshof in die procedure tot het oordeel waren gekomen dat de eigendom van het perceel niet was overgedragen aan Natuurmonumenten, lag ook in die procedure de vraag ter beantwoording voor of [gedaagde], op basis van de overige omstandigheden van het geval, in strijd met het voorkeursrecht had gehandeld. Zowel de rechtbank en het gerechtshof hebben [erfpachter] in het ongelijk gesteld. In beide instanties is vastgesteld dat [gedaagde] enkel een voorwaardelijk voornemen had tot vervreemding van de grond, namelijk onder de voorwaarde dat de erfpachters zouden afzien van hun voorkeursrecht. Onder de term “vervreemding” in het voorkeursrecht mocht slechts de betekenis van levering in juridische zin worden verstaan. Daar de voor [gedaagde] essentiële voorwaarde niet was vervuld, kon daarom niet gesproken worden van een voornemen tot vervreemding van de in pacht uitgegeven grond in de zin van het voorkeursrecht.

In het onderhavige geval is echter geen sprake van (een voornemen tot) vervreemding aan de zijde van [gedaagde] van de in erfpacht aan [eiser c.s.] uitgegeven grond. Vervreemding is eerst aan de orde indien het voorkeursrecht van [eiser c.s.] daaraan niet meer in de weg staat. Dat partijen vooruitlopend op dat moment hun rechtsrelatie zo hebben ingericht dat Natuurmonumenten als rentmeester zal optreden en [gedaagde] te zijner tijd gehouden is ook de percelen van [eiser c.s.] aan Natuurmonumenten over te dragen, maakt niet dat sprake is van enig handelen door [gedaagde] in strijd met het voorkeursrecht van [eiser c.s.].

2.17. [eiser c.s.] hebben voorts gesteld dat het kenmerkende verschil met de procedure [erfpachter] is dat in die procedure niet de overwegingen uit het Portocarrero-arrest aan de orde zijn geweest. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.14 en 2.15 met betrekking tot het Portocarrero-arrest is overwogen is de rechtbank van oordeel dat dit arrest de vorderingen van [eiser c.s.] evenmin kunnen dragen. De rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [erfpachter] is immers identiek aan die tussen [gedaagde] en [eiser c.s.], zodat niet valt in te zien waarom de uitkomst zou moeten afwijken.

2.18. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het enige waartoe [gedaagde] zich heeft verplicht is dat hij, zodra rechten van derden daaraan niet meer in de weg staan, gehouden is tot levering van de percelen waarop een voorkeursrecht van een erfpachter rust en daarmee is niet komen vast te staan dat er sprake is van enige inbreuk op het voorkeursrecht van [eiser c.s.].

2.19. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de vorderingen van [eiser c.s.] niet voor toewijzing vatbaar zijn. Dit brengt tevens mee dat geen plaats is voor toewijzing van de door [eiser c.s.] gevorderde buitengerechtelijke kosten

2.20. [eiser c.s.] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 296,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.426,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiser c.s.] hoofdelijk in die zin dat indien de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.426,00, met bepaling dat het bedrag van de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis moet zijn betaald, bij gebreke waarvan [eiser c.s.] van rechtswege in verzuim zijn,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2007.