Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB6426

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
485632 CU EXPL 06-8813 PK
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg indexeringsbepaling pensioenreglement. Andere uitleg dan in eerder tussen partijen gewezen vonnis, nu partijen zich niet hebben beroepen op gezag van gewijsde. Veroordeling werkgever mee te werken aan rechtstreeks opvragen inlichtingen door werknemers aan pensioenfonds. Executiegeschil niet ter vrije bepaling partijen en dus niet op de voet van art. 96 Rv aan de kantonrechter voor te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 485632 CU EXPL 06-8813 PK

vonnis d.d. 5 september 2007 inzake

de stichting

1. STICHTING VAKCENTRUM FOOD CONSULT BEDRIJFSADVIES, gevestigd te Woerden,

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

2. VAKCENTRUM, BEROEPSORGANISATIE VAN ZELFSTANDIGE DETAILLISTEN, gevestigd te Woerden,

hierna ook te noemen (tezamen in enkelvoud): Vakcentrum,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.C.A. Stevens,

tegen:

1. [gedaagde], wonende te Woerden,

2. [gedaagde], wonende te Woerden,

3. [gedaagde], wonende te Woerden,

4. [gedaagde], wonende te Breda,

5. [gedaagde], wonende te Bussum,

6. [gedaagde], wonende te Hilversum,

7. [gedaagde], wonende te Kamerik,

8. [gedaagde], wonende te Woerden,

9. [gedaagde], wonende te Bunnik,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna ook te noemen: [gedaagden] c.s.,

gemachtigde mr. E. Lutjens.

1. Verloop van de procedure in conventie en in reconventie

1.1. De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 6 december 2006. Vakcentrum heeft voorafgaand aan de comparitie een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Partijen hebben voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht. De comparitie is gehouden op 5 februari 2007. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Vakcentrum heeft voor repliek in conventie en voor dupliek in reconventie en [gedaagden] c.s. heeft voor dupliek in conventie en voor repliek in reconventie geconcludeerd. Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Artikel 9 van het “Pensioenreglement voor de werknemers van Vakcentrum, Beroepsorganisatie van Levensmiddelendetaillisten en Stichting Foodconsult” van 1996 luidt:

“Bestemming depotrekening

Artikel 9

1. De door de verzekeraar te verlenen overrentekortingen, welke over de daarvoor in aanmerking komende premiereserve van de pensioenverzekeringen worden vastgesteld, worden door de werkgever ter beschikking van de verzekeraar gesteld. Deze bedragen worden te goed geschreven op een ten name van de werkgever bij de verzekeraar geopende depotrekening. Over het saldo wordt een jaarlijkse rente vergoed op met de verzekeraar nader overeen te komen voorwaarden.

De te goed geschreven bedragen zullen nimmer kunnen terugvloeien naar de werkgever.

2. Het saldo van de depotrekening, als hiervoor bedoeld, zal door de verzekeraar uitsluitend worden aangewezen voor verhoging van ingegane pensioenen en premievrije pensioenaanspraken van werknemers met wie het dienstverband is beëindigd. Vorenbedoelde verhoging zal geschieden middels het onttrekken van koopsommen aan de depotrekening.

3. De verhoging zal jaarlijks per 1 januari plaatsvinden en gelijk zijn aan de procentuele stijging van het prijsindexcijfer zoals dat laatstelijk per 1 november is vastgesteld t.o.v. het cijfer dat per 1 november van het daaraan voorafgaande jaar vastgesteld werd. De verhoging zal evenwel ten hoogste 3% per jaar bedragen.

Onder prijsindexcijfer wordt verstaan (enz., kantonrechter)”.

2.2. Het Pensioenreglement voor de werknemers van eiseres in conventie sub 2 bevat een identieke bepaling.

2.3. Per 1 januari 2000 is het Pensioenreglement 1996 vervangen door het Pensioenreglement 2000.

2.4. Bij vonnis van 6 juli 2005 van de kantonrechter te Utrecht is voor recht verklaard dat Vakcentrum het Pensioenreglement 1996 per 1 januari 2000 niet rechtsgeldig heeft gewijzigd en is Vakcentrum veroordeeld om vanaf 1 januari 2000 de onvoorwaardelijke indexering voort te zetten. Vakcentrum is tevens veroordeeld om jaarlijks aan elk van [gedaagden] c.s. bewijsstukken te verstrekken waaruit de actuele stand van de depotrekening blijkt.

2.5. Bij vonnis van 1 maart 2006 van de kantonrechter te Utrecht is voor recht verklaard dat Vakcentrum het Pensioenreglement 1996 ter zake van de implementering van de Wet Witteveen niet rechtsgeldig heeft gewijzigd.

2.6. Van beide vonnissen is hoger beroep ingesteld. De procedures in hoger beroep liggen thans stil.

2.7. Bij brief van 16 juni 2006 heeft Vakcentrum aan [gedaagden] c.s. samengevat het volgende geschreven.

Besloten is het van toepassing zijnde pensioenreglement per 1 januari 2006 te wijzigen, onder meer door de indexeringsregeling zodanig te omschrijven dat over de uitleg daarvan geen discussie zal ontstaan. De indexering (groot 0-3%) zal plaatsvinden voor zover het depot dat toelaat. Of de werkgever wel of geen aanvullingen doet boven op het beschikbare depot, is een discretionaire bevoegdheid van de werkgever zelf. De toereikendheid van het depot blijft maatgevend voor de indexering die daadwerkelijk gegeven kan worden.

Het geschil in conventie en in reconventie en de beoordeling daarvan

3. In conventie en in reconventie

Artikel 96 Rv

3.1. Ter comparitie is door de kantonrechter de vraag aan de orde gesteld of, en zo ja, in hoeverre, de vorderingen in conventie en in reconventie in wezen aangemerkt zouden moeten worden als executiegeschillen. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag zou op de voet van art. 438 Rv immers niet de kantonrechter maar de rechtbank bevoegd zijn van (één of meer van) deze vorderingen kennis te nemen. De gemachtigden van partijen hebben hierop meegedeeld: “Wij willen geacht worden ons samen tot de kantonrechter te Utrecht te hebben gewend zoals bedoeld in artikel 96 Rechtsvordering, onder het voorbehoud van hoger beroep”. Deze mededeling is in het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal opgenomen.

De kantonrechter zal de door Vakcentrum ingestelde vorderingen derhalve opvatten als op de voet van art. 96 Rv door beide partijen aan hem voorgelegd.

Ne bis in idem?

3.2. De kantonrechter constateert dat onderdelen van de thans over en weer ingestelde vorderingen reeds aan de orde zijn geweest in de procedure die geleid heeft tot eerdergenoemd vonnis van 6 juli 2005. Het staat partijen vrij dit te doen (zolang tenminste geen van partijen een beroep doet op het gezag van gewijsde van dat vonnis, welk geval zich hier niet voordoet). Dit brengt mee dat de kans aanwezig is dat de kantonrechter in de onderhavige procedure met betrekking tot (bepaalde aspecten van) het geschil tot een andere beoordeling komt dan in de procedure die tot het vonnis van 6 juli 2005 heeft geleid. Het geschil zoals dat in de onderhavige procedure aan de kantonrechter wordt voorgelegd is immers (veel) breder dan dat in de vorige procedure, en de processtukken zijn - naar aangenomen moet worden (het procesdossier van de vorige procedure is de kantonrechter niet bekend) - niet identiek.

Zoals uit het navolgende zal blijken, heeft deze kans zich verwezenlijkt.

3.3. De kantonrechter ziet aanleiding de vordering in reconventie het eerst te behandelen.

4. In reconventie

4.1. [gedaagden] c.s. heeft diverse vorderingen ingesteld, door haar aangeduid met I tot en met XI.

Vakcentrum voert verweer. Voor zover nodig zal de kantonrechter daarop in het navolgende ingaan.

(I) Verklaring voor recht dat de onvoorwaardelijke indexering in het Pensioenreglement 1996 niet afhankelijk is van de stand van het depot

4.2. [gedaagden] c.s. legt aan haar vordering (hoofdzakelijk) ten grondslag dat de tekst van het hierboven geciteerde art. 9 Pensioenreglement 1996 geen steun biedt voor de opvatting van Vakcentrum dat indexering achterwege mag blijven in het geval de stand van het depot de bekostiging daarvan niet toelaat.

4.3. Vakcentrum heeft aangevoerd dat het Pensioenreglement 1996 geen recht op onvoorwaardelijke indexering geeft, en dat de wijziging van dit reglement per 1 januari 2006 alleen een verduidelijking beoogde, zulks in verband met de omstandigheid dat [gedaagden] c.s. zich (steeds) op het standpunt stelde dat het Pensioenreglement 1996 wél een onvoorwaardelijk recht op indexering behelsde, in die zin dat dit recht niet afhankelijk was van de stand van het depot.

Ook in het overleg met [gedaagden] c.s. heeft Vakcentrum het standpunt ingenomen dat het Pensioenreglement 1996 geen recht gaf op onvoorwaardelijke indexering. Zo schrijft mr. Hoogstraten namens Vakcentrum in een memo van 25 november 2005:

“Daarnaast zijn er nog twee zaken die voor iedereen aangepast moeten worden:

1. Vanaf 1 januari 2006 zal de bepaling ten aanzien van de indexering, zoals deze ook gold in het reglement van 1 januari 1996, opnieuw worden ingevoerd. Vakcentrum zal de rentekortingen en andere winstbestanddelen die van de verzekeraar worden ontvangen, storten in een gescheiden depot. De toereikendheid van dat depot blijft maatgevend voor de indexering die daadwerkelijk gegeven zal kunnen worden over de opgebouwde aanspraken van de middelloon-werknemers, slapers en gepensioneerden, maar niet meer dan de prijsindex. Vakcentrum is, conform de huidige situatie, niet verplicht tot bijstorting indien het depot niet toereikend is om de gewenste indexering te verlenen.

2. (…)”.

4.4. [gedaagden] c.s. betwist deze uitleg (cve sub 28 e.v.). Zij wijst erop dat het pensioenreglement slechts meldt dat de onvoorwaardelijke indexering wordt bekostigd uit het depot.

4.5. De kantonrechter volgt het betoog van [gedaagden] c.s. niet. De indexeringsbepaling maakt als lid 3 deel uit van artikel 9, dat blijkens de kop boven dat artikel de bestemming van de depotrekening regelt. In lid 1 is geregeld dat de overrentekortingen in een depot worden gestort. In lid 2 is de bestemming van het depot geregeld, te weten uitsluitend de verhoging van reeds ingegane pensioenen en premievrije aanspraken. Voorts regelt lid 2 dat deze verhoging zal geschieden door het onttrekken van koopsommen uit het depot. Ten slotte bepaalt lid 3 de ingangsdatum en de hoogte van de indexering, en wel conform de stijging van het prijsindexcijfer met een maximum van 3%. Lid 3 (de hoogte van de indexering) dient aldus te worden gelezen als een uitwerking van lid 2 (de bestemming van het saldo van de depotrekening). Lid 3 bevat echter geen zelfstandig recht op indexering, zoals [gedaagden] c.s. kennelijk bepleit, omdat een dergelijke uitleg zich niet verdraagt met de plaats van deze bepaling in het geheel der bepalingen van artikel 9 met betrekking tot de bestemming van de depotrekening.

4.6. [gedaagden] c.s. beroept zich ter zake voorts (cve sub 33) op het vonnis van 6 juli 2005. De kantonrechter gaat hier echter aan voorbij. In dit vonnis is Vakcentrum weliswaar veroordeeld de onvoorwaardelijke indexering voort te zetten, maar tevens blijkt uit dit vonnis dat niet de uitleg van genoemd artikel 9 van het pensioenreglement onderwerp van het debat tussen partijen is geweest, maar de vraag of Vakcentrum voldaan heeft aan het vereiste dat er voldoende overleg tussen partijen is geweest om de tekst van de indexeringsbepaling te mogen wijzigen. Voor zover [gedaagden] c.s. bedoeld heeft zich op het gezag van gewijsde van het vonnis van 6 juli 2005 te beroepen, gaat dat beroep niet op, omdat dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan.

4.7. Voorts beroept [gedaagden] c.s. zich erop (cve sub 39) dat Centraal Beheer Achmea in haar brief van 12 juni 2006 als haar visie meedeelt dat artikel 9 van het pensioenreglement een onvoorwaardelijke toezegging tot indexering behelst. De kantonrechter volgt [gedaagden] c.s. hierin niet, nu de uitleg van een bepaling als de onderhavige niet bij uitsluiting van anderen aan de verzekeraar (maar aan de rechter) is opgedragen, en zij bovendien niet is gemotiveerd. Bovendien valt deze uitleg niet te rijmen met het gestelde in de door Vakcentrum overgelegde brief van de rechtsvoorgangster van Centraal Beheer Achmea, Centraal Beheer Pensioenverzekering N.V., van 16 januari 1998, waarin is vermeld dat ingegane pensioenen jaarlijks dienen te worden verhoogd met het prijsindexcijfer, “mits dit het depotsaldo niet te boven gaat”.

4.8. [gedaagden] c.s. beroept zich ook nog (cve sub 41) op het vonnis van de kantonrechter te Alkmaar van 15 februari 2006 (LJN: AX4209), waarin sprake zou zijn van met de situatie van [gedaagden] c.s. vergelijkbare indexeringsbepalingen en waarin is beslist dat de onvoorwaardelijke indexering in het betreffende pensioenreglement niet afhankelijk is van de stand van het depot.

De kantonrechter gaat ook hieraan voorbij. Het wel door de gemachtigde van [gedaagden] c.s. geciteerde artikel 17 van het pensioenreglement in de Alkmaarse zaak omtrent de bestemming van het depot is inderdaad vergelijkbaar met artikel 9 van het Pensioenreglement 1996 van [gedaagden] c.s. Het niet door de gemachtigde van [gedaagden] c.s. geciteerde artikel 9 van het pensioenreglement in de Alkmaarse zaak - op grond van welk artikel de zaak uiteindelijk is afgedaan - bevat echter bepalingen die op een essentieel onderdeel afwijken van het Pensioenreglement 1996 van [gedaagden] c.s. In genoemd artikel 9 is namelijk expliciet bepaald dat pensioenen jaarlijks worden verhoogd, in ieder geval met het percentage van de overrentekorting, en voor zover het prijsindexcijfer hoger is dan het percentage van de overrentekorting worden de pensioenen met die overstijging extra verhoogd, zij het met een maximum van 6%.

4.9. Ten slotte beroept [gedaagden] c.s. zich op opgewekte verwachtingen, omdat Vakcentrum voor het eerst in bovengenoemd memo van 25 november 2005 heeft gesteld dat de indexering afhankelijk is van de stand van het depot, en Vakcentrum tot en met 31 december 2005 daadwerkelijk heeft geïndexeerd. De kantonrechter volgt [gedaagden] c.s. hierin niet, gelet op de duidelijke tekst van de indexeringsbepaling en omdat evenmin gesteld of gebleken is dat Vakcentrum uitdrukkelijk op enig moment aan [gedaagden] c.s. te kennen heeft gegeven dat zij de indexeringsbepaling op de door [gedaagden] c.s. voorgestane wijze uitlegt.

4.10. Op grond van het voorgaande dient de gevorderde verklaring voor recht te worden afgewezen.

(II) Verklaring voor recht dat Vakcentrum het vonnis van 6 juli 2005 niet is nagekomen

4.11. [gedaagden] c.s. legt aan deze vordering ten grondslag dat Vakcentrum het Pensioenreglement 1996 niet rechtsgeldig heeft gewijzigd door de indexering afhankelijk te stellen van de stand van het depot.

4.12. Naast de hierboven in rov. ?4.5 gegeven beslissing dat de indexering ook (reeds) volgens het Pensioenreglement 1996 niet afhankelijk is van de stand van het depot, heeft [gedaagden] c.s. geen belang bij een beslissing met betrekking tot het vonnis van 6 juli 2005, zodat de vordering zal worden afgewezen.

4.13. Naar de kantonrechter begrijpt legt [gedaagden] c.s. niet aan deze vordering ten grondslag, dat Vakcentrum nalatig is gebleven te voldoen aan de in het vonnis van 6 juli 2005 gegeven veroordeling om bewijsstukken over te leggen waaruit de stand van het depot blijkt, zodat de kantonrechter dit punt hier niet hoeft te bespreken. De met betrekking tot de stand van het depot apart ingestelde vordering VIII zal in het navolgende worden besproken.

(III) Verklaring voor recht dat de wijziging per 1 januari 2006 van het pensioenreglement zoals dat op 31 december 2005 gold, niet rechtsgeldig is

4.14. [gedaagden] c.s. legt aan deze vordering kort samengevat ten grondslag dat art. 17 van het Pensioenreglement 1996 bepaalt dat het kan worden gewijzigd “na overleg met de betrokken werknemers”, en dat zodanig overleg niet heeft plaatsgevonden. Voorts wijst zij erop dat er een negatief advies lag van de personeelsvertegenwoordiging, dat er geen zwaarwichtig belang aanwezig was, en dat de (ex )werknemers niet met de wijziging hebben ingestemd.

[gedaagden] c.s. stelt verder dat het niet mogelijk is een pensioenreglement met terugwerkende kracht te wijzigen.

4.15. Naar de kantonrechter begrijpt doelt [gedaagden] c.s. in dit verband uitsluitend op de wijziging van de indexeringsbepaling, en wel in die zin dat deze afhankelijk zou zijn gemaakt van de stand van het depot.

Uit de hierboven in rov. ?4.5 gegeven beslissing dat de indexering ook (reeds) volgens het Pensioenreglement 1996 niet afhankelijk is van de stand van het depot volgt, dat de wijziging per 1 januari 2006 niet inhoudelijk van aard is, maar slechts is aan te merken als een verduidelijking. Zij heeft geen gevolgen voor de hoogte van de pensioenen. Dit brengt mee dat niet geoordeeld kan worden dat deze wijziging niet rechtsgeldig is, en dat al hetgeen [gedaagden] c.s. met betrekking tot de wijze waarop partijen overleg hebben gevoerd niet relevant is en geen bespreking behoeft.

De vordering op dit punt zal derhalve worden afgewezen.

(IV) Verklaring voor recht dat het Pensioenreglement 1996 van toepassing is op eisers in reconventie 1, 3 en 8

4.16. [gedaagden] c.s. legt aan deze vordering het volgende ten grondslag (cve sub 125).

Deze betrokkenen zijn na 1 januari 2000 in dienst getreden, en daarom vallen zij volgens Vakcentrum niet onder het Pensioenreglement 1996 maar onder het Pensioenreglement 2000. Tussen de reglementen bestaan aanzienlijke verschillen. Zo bevat het Pensioenreglement 1996 een onvoorwaardelijke indexeringsregeling, en het Pensioenreglement 2000 een voorwaardelijke.

4.17. Nu [gedaagden] c.s. zich alleen beroept op het volgens haar bestaande verschil in wijze van indexering, zal de kantonrechter de vordering alleen op dit aspect beoordelen.

De vordering moet worden afgewezen vanwege gebrek aan belang: blijkens hetgeen in het voorgaande overwogen is, bevatten beide pensioenreglementen immers een voorwaardelijke indexeringsregeling en is er geen sprake van enige relevant verschil.

(V) Veroordeling tot verschaffing van schriftelijke informatie waaruit blijkt dat gedurende het deelnemerschap onvoorwaardelijk wordt geïndexeerd

4.18. Nu beslist is dat geen van de pensioenreglementen van Vakcentrum recht geven op onvoorwaardelijke indexering, is de vordering niet toewijsbaar.

(VI) Veroordeling om het Pensioenreglement 1996 uit te voeren zonder de Witteveen-wijziging, overeenkomstig de verklaring voor recht in het vonnis van 1 maart 2006 dat de Witteveen-wijziging niet rechtsgeldig was

4.19. [gedaagden] c.s. legt aan haar vordering ten grondslag (cve sub 133) dat de kantonrechter te Utrecht bij vonnis van 1 maart 2006 voor recht heeft verklaard dat de wijziging van het Pensioenreglement 1996 van 24 juni 2005 niet rechtsgeldig is, en dat Vakcentrum die wijziging tot op heden niet ongedaan heeft gemaakt. Bovendien heeft Vakcentrum volgens [gedaagden] c.s. geen compensatie aangeboden om de nadelige gevolgen van deze wijziging op te heffen.

4.20. De vordering moet als onvoldoende concreet onderbouwd worden afgewezen. [gedaagden] c.s. stelt immers niet concreet welke bepalingen van het gewijzigde Pensioenreglement 1996 precies buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten. Dit blijkt ook overigens niet uit de processtukken of uit het vonnis van 1 maart 2006. De kantonrechter kan de aard en strekking van de vordering dus onvoldoende beoordelen.

(VII) Veroordeling tot verschaffing van de schriftelijke pensioenoverzichten waarin de opgebouwde pensioenaanspraken tot op de dag van de uitspraak staan vermeld

4.21. [gedaagden] c.s. legt aan haar vordering ten grondslag (cve sub 136) dat Vakcentrum haar sinds 1 januari 2005 geen pensioenoverzichten heeft verschaft.

4.22. Vakcentrum voert bij antwoord aan dat de overzichten voor zover die er zijn aan [gedaagden] c.s. zijn verstrekt. Voorts beroept zij zich erop dat zij inmiddels alle voor het opstellen van deze overzichten benodigde gegevens aan Centraal Beheer heeft verstrekt, maar ter zake wel afhankelijk is van Centraal Beheer. Volgens Vakcentrum is de verwachting gerechtvaardigd dat de overzichten er op zeer korte termijn zijn.

4.23. [gedaagden] c.s. is bij repliek in het geheel niet ingegaan op hetgeen Vakcentrum in dit verband naar voren heeft gebracht. De kantonrechter leidt daaruit af dat de overzichten inmiddels zijn verstrekt. De vordering zal daarom worden afgewezen.

(VIII) Veroordeling tot verschaffing van bewijsstukken waaruit de stand van het depot blijkt vanaf 1 januari 2006 tot en met de datum van de uitspraak

4.24. [gedaagden] c.s. heeft niet gesteld dat deze bewijsstukken niet zijn verstrekt, en heeft in zoverre niet aan haar stelplicht voldaan. Voorts is van belang dat, nadat Vakcentrum had aangevoerd (cva pagina 9, slot tweede alinea) dat deze bewijsstukken vele malen zijn verstrekt, [gedaagden] c.s. daarop bij repliek niet is ingegaan.

De vordering zal daarom worden afgewezen.

(IX) Veroordeling tot het geven van toestemming aan [gedaagden] c.s. om zelf of via door hen in te schakelen deskundigen rechtstreeks informatie op te vragen bij Centraal Beheer met betrekking tot hun pensioen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000, per dag

4.25. [gedaagden] c.s. heeft de grondslag voor deze vordering eerst bij conclusie van repliek in reconventie aangevoerd (cvr sub 125). Zij stelt dat zij rechtstreeks informatie bij Centraal Beheer wil kunnen opvragen teneinde er zeker van te zijn dat Vakcentrum deze informatie niet “corrigeert”. Vakcentrum voert daartegen aan (cvd sub 3) dat geen sprake is van correctie in de zin van onjuiste c.q. vervalste informatie, en dat een individuele werknemer, voor zover het om zijn of haar positie gaat, informatie kan opvragen aan Centraal Beheer.

De vordering is derhalve in die zin toewijsbaar, dat Vakcentrum zal worden veroordeeld om aan elke individuele eiser in reconventie toe te staan om hetzij zelf, hetzij door tussenkomst van een door die eiser in te schakelen deskundige, rechtstreeks informatie op te vragen bij Centraal Beheer Achmea voor zover dit het pensioen van de betreffende eiser afzonderlijk betreft. De dwangsom zal als na te melden worden gematigd.

(X) Veroordeling om Centraal Beheer schriftelijk mee te delen om de door [gedaagden] c.s. in te schakelen deskundigen volledige medewerking te verlenen aan het verschaffen van informatie inzake het pensioen van [gedaagden] c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000, per dag

4.26. [gedaagden] c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat zij wil voorkomen dat Vakcentrum de communicatie tussen (ex-)werknemers en Centraal Beheer blijft dwarsbomen.

4.27. Vakcentrum heeft op dit punt geen specifiek verweer gevoerd. De vordering is derhalve in beginsel toewijsbaar. Omdat Vakcentrum Centraal Beheer Achmea geen opdrachten kan verstrekken, zal de kantonrechter de vordering echter aldus toewijzen, dat Vakcentrum wordt veroordeeld om aan Centraal Beheer Achmea schriftelijk mee te delen dat Vakcentrum er geen bezwaar tegen heeft dat Centraal Beheer Achmea volledige medewerking verleent aan het verschaffen van informatie inzake het pensioen van [gedaagden] c.s. aan de door [gedaagden] c.s. in te schakelen deskundigen. De dwangsom zal als na te melden worden gematigd.

4.28. [gedaagden] c.s. zal als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. In conventie

5.1. Vakcentrum vordert:

- primair: verklaring voor recht dat Vakcentrum het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 6 juli 2005 correct en volledig heeft uitgevoerd en dat Vakcentrum mitsdien geen dwangsommen verbeurd heeft en verschuldigd is;

- subsidiair: Vakcentrum in de gelegenheid te stellen om alsnog te doen wat het had moeten doen met een matiging van de dwangsom tot € 1, , althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

- met veroordeling van [gedaagden] c.s. in de proceskosten.

5.2. Vakcentrum legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] c.s. meent dat Vakcentrum dwangsommen heeft verbeurd. Om te voorkomen dat [gedaagden] c.s. tot executie van dwangsommen zou overgaan heeft Vakcentrum een kort geding aanhangig gemaakt. In overleg met de gemachtigde van [gedaagden] c.s. is vervolgens afgesproken dat partijen over en weer een bodemprocedure zouden aanspannen. In een dergelijke bodemprocedure zou Vakcentrum dan een verklaring voor recht kunnen vragen met betrekking tot de correcte uitvoering van voormeld vonnis van 6 juli 2005, alsmede met betrekking tot de uitvoering van het tussen partijen gewezen vonnis van 1 maart 2006 en over de wijziging van het pensioenreglement per 1 januari 2006.

5.3. [gedaagden] c.s. voert verweer. Voor zover nodig zal de kantonrechter daarop in het navolgende ingaan.

5.4. Naar de kantonrechter begrijpt vordert Vakcentrum een verklaring voor recht dat Vakcentrum het vonnis van 6 juli 2005 correct en volledig heeft uitgevoerd uitsluitend en alleen ter onderbouwing van haar vordering te verklaren voor recht dat Vakcentrum geen dwangsommen heeft verbeurd. Aldus is deze vordering te beschouwen als een executiegeschil. Zij heeft immers uitsluitend betrekking op de inzet van het executiemiddel van de dwangsom, en wel naar aanleiding van de door [gedaagden] c.s. aangevangen executie die na het aanspannen van een kort geding ter zake door Vakcentrum gestaakt is, waarna - naar de kantonrechter begrijpt - partijen hebben afgesproken de verschuldigdheid van dwangsommen in een bodemprocedure aan de orde te stellen.

Partijen hebben zich zoals hiervoor in rov. ?3.1 is vastgesteld op de voet van art. 96 Rv tot de kantonrechter gewend. Op grond van genoemd artikel kunnen partijen aldus de beslissing van de kantonrechter inroepen “(i)n alle zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan”. De rechter dient ambtshalve te toetsen of aan deze voorwaarde is voldaan. De kantonrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Art. 438 Rv is een regel van absolute bevoegdheid, van welke regel alleen kan worden afgeweken indien en voor zover de wet dit uitdrukkelijk toestaat. De tekst van dit artikel, noch enige andere wetsbepaling, bevat echter deze mogelijkheid van afwijking. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft de berechting van executiegeschillen derhalve een regeling van openbare orde. (Vgl. de rechtspraak en literatuur met betrekking tot de onbevoegdheid van arbiters in executiegeschillen: Prof. mr. H.J. Snijders, Nederlands Arbitragerecht, tweede druk, Kluwer, Deventer 2003, p. 73 e.v.; RvAB 21 juni 1996, TvA 1997, nr. 15; RvAB 17 maart 1995, TvA 1995, nr. 22).

De primaire vordering kan Vakcentrum derhalve niet op de voet van art. 96 Rv aan de kantonrechter voorleggen, zodat deze moet worden afgewezen.

Hetzelfde lot deelt de subsidiaire vordering, waarbij de kantonrechter ten overvloede opmerkt dat deze niet aan te merken is als een vordering op de voet van art. 611d Rv, omdat Vakcentrum niet heeft gesteld dat er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

5.5. Vakcentrum zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Vakcentrum tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 750, aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

veroordeelt Vakcentrum om aan elke individuele eiser in reconventie toe te staan om hetzij zelf, hetzij door tussenkomst van een door die eiser in te schakelen deskundige, rechtstreeks informatie op te vragen bij Centraal Beheer Achmea voor zover dit het pensioen van de betreffende eiser afzonderlijk betreft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100, per eiser per dag tot een maximum van € 10.000, ;

veroordeelt Vakcentrum om aan Centraal Beheer Achmea schriftelijk mee te delen dat Vakcentrum er geen bezwaar tegen heeft dat Centraal Beheer Achmea volledige medewerking verleent aan het verschaffen van informatie inzake het pensioen van [gedaagden] c.s. aan de door [gedaagden] c.s. in te schakelen deskundigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100, per eiser per dag tot een maximum van € 10.000, ;

veroordeelt [gedaagden] c.s. tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Vakcentrum, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.250, aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 september 2007.