Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB6255

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
16-604143-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/604143-06

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadslieden: mrs. H. Seton en J.W.H. Peters, advocaten te Amersfoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 juni 2006, 8 september 2006, 2 november 2006, 8, 25 en 26 januari 2007, 19 april 2007, 17 juli 2007 en 2, 3 en 9 oktober 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is de nadere omschrijven tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 8 september 2006 toegestaan. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 tenlastegelegde ter terechtzitting van 2 november 2006 toegestaan.

Van de dagvaarding, de vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I, II en III aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de -navolgende- overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van de in wettelijke vorm ambtsedig opgemaakte processen-verbaal, genummerd PL0940/06-005261 tot en met PL0940/06-005261O.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De verdachte heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat hij op 25 maart 2006 te Amersfoort het door hem aangeschafte pistool uit zijn rechterbroekzak pakte, met zijn andere hand de slede naar achteren haalde en vervolgens eenmaal op [het slachtoffer] schoot. Ter terechtzitting van 2 oktober 2007 heeft de verdachte aangegeven dat hij weliswaar het wapen uit een reflex pakte en vervolgens met zijn andere hand doorlaadde, maar dat het niet zijn bedoeling was om te schieten. Hij wilde dreigen zodat hij weg kon komen. Echter, voordat hij met het wapen kon dreigen, terwijl hij met zijn uitgestrekte licht gebogen arm naar voren wees, ging het wapen al ongewild af, aldus verdachte.

Gelet op de uitkomsten van de gerechtelijke sectie kan het overlijden van [het slachtoffer] volledig worden verklaard door verbloeding als gevolg van een schotverwonding en de daardoor opgetreden weefselschade.

Vast is komen te staan dat het verdachte is geweest die [het slachtoffer] heeft doodgeschoten met een vuurwapen gelet op verdachtes verklaring en de verklaringen van enkele ooggetuigen (zie onder meer de getuigenverklaringen van [getuige 1] pag. 913-914 en [getuige 2] pag. 957 en 961-962). Bovendien vindt dit steun in het technisch bewijs.

Het door verdachte gebruikte pistool is aangetroffen in de woning van zijn tante, alwaar verdachte het vuurwapen had achtergelaten. De op de plaats delict aangetroffen huls is blijkens het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 mei 2006 met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met voormeld pistool. Uit dit rapport komt voorts naar voren dat er ten tijde van het proefschieten weliswaar bij 8 van de 25 patronen afvuurstoringen optraden, maar dat er tijdens het proefschieten geen ongewild schot is gelost.

De bevindingen uit het DNA-onderzoek ondersteunen de verklaring van verdachte dat hij het wapen in handen heeft gehad.

Gelet op het schotrestenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut zijn er sporen aangetroffen die wijzen op een schootafstand tussen 10 en 50 centimeter.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een pistool een kogel op / in diens lichaam af te vuren / te schieten, tengevolge waarvan [het slachtoffer] ter plekke is overleden.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat het pistool onbedoeld is afgegaan niet aannemelijk, nu van een technisch mankement aan het vuurwapen, waardoor ongewild een schot zou kunnen worden gelost, tijdens het proefschieten niet is gebleken en hiervoor verder geen aanwijzingen zijn.

Uit de feitelijke handelwijze van verdachte die kan worden afgeleid uit de verklaring van verdachte zelf en de verklaringen van eerder genoemde getuigen, te weten het pakken van het pistool uit zijn rechterbroekzak, het met zijn andere hand naar achteren halen van de slede (het doorladen van het pistool) en het vervolgens gericht op [het slachtoffer] bovenlijf schieten, terwijl de afstand tussen verdachte en [het slachtoffer] slechts 10 tot 50 centimeter bedraagt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Ook de hierna te noemen weergave van een telefoongesprek tussen de verdachte en [de medeverdachte], zijn toenmalige vriendin, en de eveneens hierna te noemen verklaring van laatstgenoemde persoon getuigen niet van een ongewild, niet opzettelijk schot.

Voorts dient de vraag te worden beantwoord of verdachte het vooropgezette plan heeft gehad om [het slachtoffer] te doden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Weliswaar zijn er de -navolgende- aanwijzingen dat verdachte mogelijk na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld:

- De omstandigheid dat verdachte op zaterdag 25 maart 2006 naar de stad ging met het door hem aangeschafte pistool voorzien van patronen in de houder op zak, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij er rekening mee hield op een zaterdag leden van de groep uit Nieuwland in de stad tegen te komen.

- De weergave van het telefoongesprek tussen verdachte en [de medeverdachte] op

7 mei 2006, waarin verdachte tegen zijn vriendin zegt: ‘Ik heb voor jou gedaan. Echt schatje. Echt. Voor ons. Weet je. Doe niet voor me eigen weet je wel. Een ander denkt van ja… Ik denk gewoon van…je weet toch, straks hebben we een kindje, kunnen we niet geeneens in de stad lopen. Je weet toch?’ (pag.1389).

- De verklaring van [de medeverdachte] -zakelijk weergegeven- inhoudende dat verdachte haar vertelde dat de jongens direct wegliepen toen hij het wapen trok. Op haar vraag waarom hij het wapen dan niet terug had gedaan in zijn broek, zou verdachte gezegd hebben dat hij dan een lafaard zou zijn en dat hij daar niet van houdt (pag. 1763).

Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze aanwijzingen echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte de doodslag met voorbedachten rade heeft begaan.

De rechtbank is gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelende ter terechtzitting niet gebleken dat verdachte een vooropgezet plan / besluit heeft gehad om [het slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank gaat er vanuit dat de ontmoeting tussen de verdachte en het slachtoffer op 25 maart 2006 in het centrum van Amersfoort niet op een afspraak berustte.

Voorts heeft de verdachte bij voortduring verklaard dat hij het vuurwapen op 24 februari 2006 in Rotterdam heeft aangeschaft met als doel af te kunnen dreigen, door bijvoorbeeld in de lucht te schieten. Dit in verband met de naar zijn zeggen voortdurende bedreigingen, intimidaties en het jegens hem toegepaste fysiek geweld door [het slachtoffer] en/of [getuige 1] en/of anderen personen van de groep uit Nieuwland. Hoezeer het meenemen van een wapen ook past in het beramen van een levensdelict, het is daar naar het oordeel van de rechtbank niet exclusief voor en past ook in een voornemen tot een ander misdrijf waarvan dwang een bestanddeel vormt.

De rechtbank overweegt tenslotte dat er aanwijzingen zijn dat door [de medeverdachte] enkele dagen voor het fatale gebeurde tegenover anderen (oud-klasgenoten van de Mulock Houwer school en haar oud-leraar) uitlatingen zijn gedaan dan wel bewoordingen zijn gebruikt die er op zouden kunnen wijzen dat zij de dood van [het slachtoffer] wenste en dat zij mogelijk enige invloed heeft uitgeoefend dan wel heeft willen uitoefenen op het handelen van de verdachte.

Bij de beoordeling en waardering van deze uitlatingen -uitgaande van de veronderstelling dat deze daadwerkelijk door [de medeverdachte] zijn gedaan- dient in aanmerking te worden genomen dat uit het onderliggende dossier naar voren komt dat in de omgeving waarin [de medeverdachte] verkeerde, zowel door haar als door anderen, veelvuldig en vrij gebruikelijk op die manier werd gesproken zonder dat daar een letterlijke / daadwerkelijke invulling aan werd gegeven. Voorts is tekenend dat niemand, ook niet de docent, deze uitlatingen dusdanig serieus heeft genomen dat hij hierop meteen actie heeft ondernomen door bijvoorbeeld het alarmeren van de politie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze uitlatingen niet zonder meer kunnen worden opgevat als een aankondiging, als blijk van wetenschap van [de medeverdachte] over wat er te gebeuren stond. Het enkele doen van dergelijke uitlatingen levert geen bewijs op voor een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van het delict. Er is derhalve geen sprake van voorbedachten rade noch van medeplegen.

Dit betekent dat de rechtbank doodslag bewezen acht. Gelet op het voorgaande is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde op grond van de bekennende verklaring van verdachte en het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 mei 2006.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de bekennende verklaring van verdachte, inhoudende dat de op 19 mei 2006 in zijn ouderlijk huis te Amersfoort aangetroffen wapens aan hem toebehoren, en de bevindingen naar aanleiding van het aan de wapens ingestelde nader onderzoek (pag. 1990-1992).

De bewezenverklaring

De rechtbank acht -gelet op het vorenstaande- wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

Feit 1 subsidiair.

Hij op 25 maart 2006 te Amersfoort opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een pistool een kogel op/in het lichaam van die [het slachtoffer] afgevuurd/geschoten, tengevolge waarvan die [het slachtoffer] is overleden.

Feit 2.

Hij in de periode van 1 februari 2006 tot en met 25 maart 2006 te Amersfoort een wapen van categorie III, te weten een pistool, zijnde een tot een scherp vuurwapen omgebouwd (oorspronkelijk) alarmpistool, merk BBM, en de daarbij behorende munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 6.35 mm (merk Browning), voorhanden heeft gehad.

Feit 3.

Hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 19 mei 2006 te Amersfoort wapens van categorie I onder 7, te weten:

- een start/alarmpistool merk Gun Toys welk wapen sprekende gelijkenis vertoond met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool, merk Astra, en daarmee voor bedreiging of afdreiging geschikt,

- een zogenoemde BB-gun, merk Y&P, serienummer B38026 welk wapen een realistische vorm heeft, gelijkend op een pistool, en daarmee voor bedreiging of afdreiging geschikt,

zijnde een voorwerp vermeld op respectievelijk lijst a en lijst b van de bij de Regeling wapens en munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 en 3 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Noodweer / putatief noodweer

De raadslieden van verdachte hebben ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer, dan wel putatief noodweer.

Daartoe hebben zij -kort gezegd- aangevoerd:

- dat [het slachtoffer] op de bewuste zaterdagmiddag verdachte agressief heeft aangevallen door verdachte van achteren een duw en vervolgens een klap op de neus te geven, tengevolge waarvan verdachte een bloedneus opliep;

- dat verdachte probeerde weg te komen, maar door [het slachtoffer] werd ingehaald;

- dat verdachte zich voelde klemgezet en dacht dat zijn laatste minuut geslagen had;

- dat er een extra dreiging was nu verdachte bij [het slachtoffer] een mes, althans iets blinkends, meende te zien, waardoor verdachte middels een flashback werd herinnerd aan de mishandeling in december 2005 en eerdere bedreigingen.

De raadslieden hebben betoogd dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte als gevolg waarvan verdediging noodzakelijk was. Dat naderhand niet vastgesteld kan worden dat [het slachtoffer] daadwerkelijk een steekwapen in zijn handen heeft gehad, laat volgens de raadslieden onverlet dat verdachte op dat moment in de veronderstelling verkeerde zich te moeten verdedigingen, zodat sprake is van een putatieve noodweersituatie. Ontslag van rechtsvervolging dient te volgen, aldus de raadslieden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Noch uit de verklaringen van ooggetuigen, noch uit onderzoek op de plaats van het delict, noch anderszins is enige aanwijzing te putten die de lezing van verdachte dat [het slachtoffer] op hem af zou zijn gekomen en een mes, althans een glimmend voorwerp, uit zijn broekzak tevoorschijn haalde, ondersteunt. Daar komt bij dat ook de eigen verklaringen van verdachte op dit punt niet consistent zijn. In zijn eerste politieverhoor (pag. 1403) verklaart verdachte immers dat hij van achteren aangevallen werd en vervolgens “eentje” (de rechtbank leest [het slachtoffer]) een mes pakte en daarbij stekende bewegingen maakte waarop hij, verdachte, naar achter liep, het pistool pakte en schoot, terwijl verdachte in een later verhoor (pag. 1427) zegt dat hij na de aanval van [het slachtoffer] wegrende in de richting van het centrum, zag dat [het slachtoffer] achter hem aanrende en toen zag dat [het slachtoffer] uit zijn broekzak iets glimmends pakte.

Hoewel de diverse verklaringen van verdachte, evenals die van de ooggetuigen geen eenduidige lezing geven van wat zich exact heeft afgespeeld direct voorafgaande aan het door verdachte geloste dodelijke schot op 25 maart 2006, is uit het onderzoek ter terechtzitting het navolgende als aannemelijk naar voren gekomen.

Wanneer verdachte die middag omstreeks 16.15 uur met twee vrienden onder de Kamperbinnenpoort richting de winkelstraat (Langestraat) loopt voelt hij een duw in zijn rug, draait zich om, ziet hij [het slachtoffer] (eveneens in het bijzijn van twee vrienden) en krijgt vervolgens direct een klap op zijn neus. In reactie hierop rent verdachte weg, althans zet een aantal stappen opzij dan wel naar achteren, blijft vervolgens staan, haalt zijn schouders op en maakt met zijn armen een beweging, alsof hij [het slachtoffer] wil imponeren. Hierop pakt verdachte uit zijn rechterbroekzak het pistool, trekt met zijn andere hand de slede naar achteren, wijst met zijn uitgestrekte licht gebogen arm naar voren en schiet op [het slachtoffer].

Gelet op deze gang van zaken oordeelt de rechtbank dat de onverwachte aanval van [het slachtoffer] op verdachte weliswaar aangemerkt kan worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, die tot verdediging noodzaakte, echter dat die ogenblikkelijke aanranding een einde heeft genomen op het moment dat verdachte in reactie op de klap op zijn neus zich aan die aanval wist te onttrekken. Op dat moment kon er geen sprake meer zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding welke tot verdediging noopte. Het neerschieten van [het slachtoffer] heeft naar het oordeel van de rechtbank eerder het karakter van een tegenaanval, zulks mede gelet op de verklaring van [de medeverdachte] dat verdachte haar zou hebben verteld dat de jongens direct wegliepen toen hij het wapen trok, maar hij het wapen toen niet heeft weggedaan omdat hij dan een lafaard zou zijn en hij daar niet van houdt, en levert geen handelen in een noodweersituatie op, terwijl verdachte evenmin redelijkerwijs kon menen in een dergelijke situatie te zijn beland. Het beroep op noodweer dan wel putatief noodweer wijst de rechtbank derhalve af.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair.

Doodslag.

Ten aanzien van feit 2.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 3.

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Noodweerexces

Verder voeren de raadslieden tot verdediging aan dat voor zover de rechtbank van mening mocht zijn dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, die overschrijding het gevolg is geweest van een hevige gemoedstoestand (extreme angst) die bij verdachte ontstond door de wederrechtelijke aanranding door [het slachtoffer] en de daaraan voorafliggende oorzaak, zoals besproken in de psychiatrische rapportages.

Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Beoordeeld dient te worden of verdachtes handelen het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, en of deze gemoedsbeweging het onmiddellijke gevolg is geweest van [het slachtoffer] aanval. De onverhoedse aanval van [het slachtoffer] op verdachte zal bij deze zeker emoties hebben losgemaakt, echter gelet op verdachtes handelen nadien, zoals hiervoor is weergegeven, is naar het oordeel van de rechtbank geenszins aannemelijk geworden dat bij verdachte sprake is geweest van extreme angst, zoals door de raadslieden betoogd.

Voor zover toch sprake mocht zijn geweest van hevige angst, welke in contrast lijkt met verdachtes vastberaden handelen, heeft de aanval van [het slachtoffer] naar het stellige oordeel van de rechtbank daarin geen doorslaggevende betekenis kunnen spelen, nu deze aanval enkel bestaan heeft uit een simpele duw en slag op de neus. Het beroep op noodweerexces wijst de rechtbank derhalve af.

Psychische overmacht

De raadslieden hebben verder aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging aangezien hem een beroep op psychische overmacht toekomt, nu er bij verdachte -kort gezegd- sprake is geweest van een extreme vorm van paniek / doodsangst ten tijde van het tenlastegelegde waardoor, mede op grond van de persoonlijkheidsontwikkeling, zijn wilsvrijheid en denken zeer ernstig waren beperkt. Verdachte is op 25 maart 2006 -aldus de raadslieden- getroffen door een overweldigende emotie (als gevolg van de aanval van [het slachtoffer] op zijn persoon tot tweemaal toe) waardoor het voor hem onmogelijk werd in vrijheid te handelen, zoals nader uiteen is gezet op pagina 44 tot en met 53 van de ter terechtzitting van 9 oktober 2007 overgelegde pleitnota.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het beroep van de verdediging is in beginsel in overwegende mate gebaseerd op de conclusies uit de rapportage van R.H.J. Winter, psychiater, d.d. 24 april 2006, die van oordeel is dat een posttraumatische stresstoornis aan het handelen van verdachte op 25 maart 2006 ten grondslag ligt. De rechtbank zal echter de conclusies van de heer Winter niet overnemen, zoals hierna onder ‘de motivering van de op te leggen sanctie‘ uitvoerig aan de orde komt, nu de rechtbank -kort gezegd- het door de heer Winter verrichte onderzoek onvolledig en een te smalle basis acht voor zijn conclusies. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten voorhanden zijn om te concluderen tot een posttraumatische stressstoornis.

Naast de posttraumatische stressstoornis voert de verdediging ter onderbouwing van het beroep op psychische overmacht aan dat op 25 maart 2006 bij verdachte sprake is geweest van een extreme vorm van paniek / doodsangst door -kort gezegd- de steeds hevig wordende bedreigingen, de mishandeling (december 2005) en de reële dreiging die uitging van de Nieuwlandgroep.

Een dergelijke gemoedstoestand is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden, waarbij zij het navolgende in aanmerking heeft genomen.

Vast is komen te staan dat in de maanden voor 25 maart 2006 sprake is geweest van bedreigingen, intimidaties, ruzies en geweld over en weer van enerzijds verdachte en/of [de medeverdachte] en anderzijds [het slachtoffer] en/of [getuige 1] en/of anderen van de groep uit Nieuwland. De rechtbank is geenszins gebleken dat er sprake was van een eenzijdig patroon jegens verdachte en [de medeverdachte]. Het was immers verdachte die op 23 januari 2006 [de medeverdachte] een sms-bericht stuurde met de tekst: “Ok, ik kom wel als je uit bent en dan pakken we hem” (pag. 821), waarna verdachte [het slachtoffer] ook inderdaad heeft geslagen met een gummiknuppel. Tevens is verdachte begin maart 2006 aanwezig geweest bij het geweld dat [de medeverdachte] gebruikte tegen een aantal meisjes en heeft hij zich daarvan niet gedistantieerd. Integendeel, hij was degene die de meisjes met zijn auto klemreed waarna [de medeverdachte] hen belaagde. Hij zou bij die gelegenheid ook een wapen aan een van de meisjes hebben getoond. Ook is vast komen te staan dat verdachte geen plaatsen vermeed waar hij leden van de groep kon aantreffen. Hij haalde immers een aantal malen [de medeverdachte] op school op. Dit terwijl [het slachtoffer] bij haar op school en zelfs in de klas zat. Ook op 25 maart 2006 ging hij naar de stad, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij er rekening mee hield leden van de groep dan tegen te komen. Daarnaast ging hij gewoon naar school en zijn werk.

De rechtbank overweegt dat verdachte in de aanloop tot 25 maart 2006 mogelijk een zekere mate van angst en stress zal hebben ervaren en dat de aanval van [het slachtoffer] op 25 maart 2006 bij verdachte emoties zal hebben losgemaakt. Echter, dat sprake is geweest van een psychische drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en deze ook niet behoorde te bieden, is gelet op het vorenstaande niet aannemelijk geworden.

Het beroep op psychische overmacht wijst de rechtbank mitsdien af.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft de hem bekende [het slachtoffer] om het leven gebracht door met een pistool gericht een kogel op diens lichaam af te vuren, als gevolg waarvan het slachtoffer ter plekke is overleden.

Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van een groot gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Hij heeft op lafhartige wijze het leven van het zestienjarige slachtoffer, dat nog een heel leven voor zich had, volstrekt onnodig beëindigd en daarmee ook het leven van de nabestaanden uitermate ingrijpend beïnvloed.

Verdachte heeft in het bijzonder de ouders van het slachtoffer onherstelbaar en onbeschrijflijk leed toegebracht. Het slachtoffer, hun enig kind, is door een misdrijf om het leven gebracht en daarmee is blijkens de ter terechtzitting namens de ouders voorgelezen brieven en de schriftelijke slachtofferverklaring hun leven totaal verwoest en hun levensvervulling geëindigd, nu zij (mede) naar Nederland waren gevlucht om hun kind een mooie toekomst te kunnen geven.

Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De rechtsorde is hierdoor ernstig geschokt.

Het ernstige gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde en de wijze waarop het is uitgevoerd, brengen in de samenleving in het algemeen, en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, temeer nu dit feit op klaarlichte dag is gepleegd in het drukbezochte centrum van Amersfoort, in aanwezigheid van vele omstanders. Bovendien heeft het gebeuren een grote impact gehad op de vrienden en oud-klasgenoten van het slachtoffer.

Voorts heeft verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad en is er een tweetal wapens in zijn woning aangetroffen die geschikt zijn voor afdreiging / bedreiging. Het voorhanden hebben van wapens en munitie levert een onaanvaardbaar risico voor het leven en de veiligheid van personen, hetgeen in dit geval ook bewaarheid is geworden, nu verdachte zich met dit vuurwapen schuldig heeft gemaakt aan het hierboven vermelde levensdelict. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven over de herkomst van het wapen, waardoor zijn leverancier onbestraft kan blijven en het illegaal leveren van wapens in stand wordt gehouden.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de persoon van verdachte.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte geen blijk heeft gegeven dat hij enigszins beseft wat zijn handelen teweeg heeft gebracht gelet op zijn houding ter terechtzitting en de inhoud van het tapgesprek als vermeld op pag. 2372 van het proces-verbaal tussen [de medeverdachte] en verdachte. Dit gesprek is gevoerd tijdens de detentie van verdachte. Hij zegt daarin tegen [de medeverdachte]: “Als ik eruit kom en iemand doet wijs, ik maak hem dood hoor!” Dit nog daargelaten de omstandigheid dat hieruit een vrees voor herhaling kan worden gedestilleerd. Daarnaast heeft verdachte geen emoties getoond ter zitting bij het voorlezen van de schriftelijke slachtofferverklaring en de brieven van de beide ouders. Er is niet gebleken van doorleefde spijtgevoelens.

De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij blijkens een hem betreffend uitreksel uit de justitiële documentatie nog niet eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld en met de leeftijd van verdachte.

Er is voorts een drietal gedragskundige rapportages uitgebracht over verdachte.

Ten eerste het rapport -op verzoek van de verdediging- van R.H.J. Winter, psychiater, d.d. 24 april 2006 inhoudende -zakelijk weergegeven- als conclusie:

“Thans zijn er geen evidente aanwijzingen (meer) voor het bestaan van een uitgesproken ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ten tijde van het tenlastegelegde was er echter sprake van een zogenaamde posttraumatische stressstoornis direct gerelateerd aan eerdere mishandeling door de groep jongeren waar het latere slachtoffer ook deel van uitmaakte. Geadviseerd wordt onderzochte dienaangaande te beschouwen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Er zijn thans geen redenen meer om aan te nemen dat de genoemde stoornis opnieuw tot soortgelijke strafbare feiten zal leiden.”

Ten tweede de triple rapportage -op verzoek van de rechter-commissaris- van P.E. Geurkink, psycholoog, J.M.J.F. Offermans, psychiater, en B.K. Keuning, sociaal psychiatrisch werker Reclassering Nederland, d.d. 11 augustus 2006 inhoudende -zakelijk weergegeven- als conclusie:

“Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van

een aanpassingsstoornis met angst in reactie op de voor betrokkene traumatische gebeurtenissen in december 2005. Ofschoon betrokkene een aantal kenmerken vertoont van een posttraumatische stressstoornis, beantwoordt hij niet aan het volledige beeld om deze

diagnose te kunnen stellen. In de persoonlijkheidsstructuur zijn narcistische trekken aanwezig, maar deze zijn niet zodanig manifest, dat van een persoonlijkheidsstoornis gesproken kan worden. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van bovengenoemde

aanpassingsstoornis met angst. Het tenlastegelegde kan, indien bewezen, hem in enigszins verminderde mate worden toegerekend.

Daar er slechts sprake is van een beperkt verband tussen het ten laste gelegde feit en betrokkenes stoornis valt geen uitspraak te doen over een recidivegevaar op basis van de stoornis.”

Ten derde de rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 23 juli 2007, opgemaakt -op verzoek van de rechtbank- door I.M. van Woudenberg, psycholoog en R.J.P. Rijnders,

psychiater, inhoudende -zakelijk weergegeven- als conclusie:

“Onderzochte was ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten niet

lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens,

zodat deze feiten -indien bewezen- hem volledig kunnen worden toegerekend. In verband hiermee kan het team de vragen naar het recidiverisico niet beantwoorden.”

Als overweging is gemeld:

“Het onderzoekend team heeft overwogen of betrokkene in de aanloop tot het tenlastegelegde lijdende was aan een posttraumatische stressstoornis of een andere -stressgebonden- angststoornis, in casu een aanpassingsstoornis met angst.

Gelet op wat betrokkene hierover in de triple rapportage heeft medegedeeld in combinatie met zijn opmerkingen hierover tijdens het huidige onderzoek, kan worden aangenomen dat er in de aanloop tot het tenlastegelegde geen sprake was van een posttraumatische stressstoornis. De aanwezigheid van een aanpassingsstoornis met angst toentertijd kan in het huidige onderzoek worden bevestigd noch uitgesloten. Mogelijk ervoer betrokkene in de aanloop tot het tenlastegelegde veel stress vanwege de aanhoudende ruzie, maar dat betekent in gedragskundig opzicht niet automatisch dat betrokkene daarmee lijdende was aan een stoornis die zijn wilsvrijheid beperkte en hem in mindere mate dan de gemiddelde mens in staat stelde om tot gezondere gedragsalternatieven te komen.”

Daarnaast heeft het Pieter Baan Centrum zich gebogen over de aanvullende vraag van de rechtbank naar de kans op herhaling (van soortgelijke delicten) bij voortzetting van betrokkenes relatie met [de medeverdachte] of het in de toekomst aangaan van een soortgelijke relatie.

Hoewel verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum is -naar aanleiding van het interactieverslag tussen verdachte en [de medeverdachte] als opgemaakt in het Pieter Baan Centrum- door de rapporteurs als volgt -zakelijk weergegeven- geconcludeerd:

“Er zijn geen bewijzen gevonden voor een complementaire verhouding, waarin de ene persoon als “zwakkere” en de andere als “sterkere” partij, elkaar in een afhankelijke omstrengeling houden. Hoewel betrokkene en [de medeverdachte] beiden zeggen dat hun relatie ten einde is gekomen, kan hierover geen definitieve aanname worden gedaan. In het huidige onderzoek is bij betrokkene niet een duidelijke zwakte gebleken in zijn partnerkeuze.

Er bestaan geen aanwijzingen voor een pathologisch bepaalde partnerkeuze bij betrokkene.”

De officier van justitie heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte aansluiting gezocht bij de rapportages van de heren Geurkink en Offermans en zij is van mening dat de verdachte

als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ten tijde van de verdenkingen lijdende was aan een posttraumatische stressstoornis en aansluiting gezocht bij de rapportage van de heer Winter.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ter terechtzitting van 9 oktober 2007 zijn gehoord als getuige-deskundigen de heren Winter, Offermans en Rijnders en mevrouw Van Woudenberg.

Uit die verhoren en de rapportages komt het volgende naar voren.

De heer Winter heeft het kortst van alle deskundigen met de verdachte gesproken, namelijk twee uren en zich voor het uitbrengen van zijn rapport enkel gebaseerd op dat gesprek, het verhoor van de verdachte van 25 maart 2006 en het proces-verbaal zoals dat ten tijde van zijn rapport voorhanden was. Daarnaast heeft hij een telefoongesprek gevoerd met de ouders van verdachte.

De rechtbank acht dit onderzoek onvolledig en een te smalle basis voor zijn conclusies.

De rechtbank vermag ook niet in te zien dat de deskundige in een zaak als de onderhavige zich aan dergelijk vergaande conclusies waagt zonder kennisneming van het gehele dossier en referentenonderzoek. De getuige-deskundige is namelijk bijna volledig afgegaan op de verklaring van de verdachte zelf dat hij in december 2005 het slachtoffer is geworden van een gewelddelict door [getuige 1] en een ander en baseert zijn conclusies op het uitgangspunt dat verdachte in het verleden zelf nooit bekend is geweest met agressieve gedragingen. Uit het volledige proces-verbaal blijkt evenwel een andere rol van verdachte.

De verdachte heeft immers zelf wel degelijk tussen december 2005 en 25 maart 2006 geweld gebruikt tegen een persoon, namelijk op 23 januari 2006 tegen [het slachtoffer]. Tevens is hij begin maart 2006 aanwezig geweest bij het geweld dat [de medeverdachte] gebruikte tegen een aantal meisjes en heeft hij zich daarvan niet gedistantieerd. Integendeel, hij was degene die de meisjes met zijn auto klemreed waarna [de medeverdachte] hen belaagde. Hij zou bij die gelegenheid ook een wapen aan een van de meisjes hebben getoond.

Vervolgens was verdachte, hoewel hij dit ontkende bij de heer Winter, wel degelijk bekend met wapens. Hij was volgens zijn vader immers al geruime tijd een liefhebber van wapens.

Ook is vast komen te staan dat verdachte geen plaatsen vermeed waar hij leden van de groep kon aantreffen. Hij haalde immers een aantal malen [de medeverdachte] op school op. Dit terwijl [het slachtoffer] bij haar op school en zelfs in de klas zat. Ook op 25 maart 2006 ging hij naar de stad, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij er rekening mee hield leden van de groep dan tegen te komen. Daarnaast ging hij gewoon naar school en zijn werk.

De conclusie van de heer Winter is gebaseerd op onjuiste feiten. Daarnaast heeft de heer Winter ter zitting geen redengevende verklaring gegeven voor zijn bevinding dat er ten tijde van zijn onderzoek, zijnde tien dagen na het gepleegde delict, geen evidente aanwijzingen (meer) bestonden voor een uitgesproken ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte.

De heer Winter heeft nog wel aangevoerd dat hij, via de verdediging, kennis heeft genomen van de na zijn rapportage aan het dossier toegevoegde processtukken, waaronder de rapporten van de andere getuige-deskundigen. Deze stukken werpen volgens hem geen ander licht op zijn bevindingen en conclusies.

De rechtbank zal -gelet op het vorenstaande- de conclusies van de heer Winter niet overnemen.

De heer Offermans heeft ter zitting aangegeven te blijven bij zijn conclusie dat sprake was

van een aanpassingsstoornis. Er waren bij betrokkene zeker elementen aanwezig van een

posttraumatische stressstoornis, doch ook zoveel elementen niet (onvermogen zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren, verminderde belangstelling voor activiteiten, gevoelens van onthechting, beperkt spectrum van gevoelens, het gevoel een beperkte toekomst te hebben) dat betrokkene niet volledig aan deze diagnose beantwoordt. Belangrijke aspecten als voortdurende herbeleving en aanhoudend vermijdingsgedrag ontbreken. De deskundige wijst daarbij ook op het handelen van verdachte op 23 januari 2006 en begin maart 2006.

Het vraagstuk van de toerekenbaarheid is een onderwerp van intensief overleg tussen de psycholoog Geurkink en hem geweest. Zij twijfelden tussen volledig toerekeningsvatbaar en

enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

De aanpassingsstoornis met angst is volgens de heer Offermans een van de meest lichte stoornissen. Gelet op het onderzoek in en de bevindingen van het Pieter Baan Centrum kan hij zich ook vinden in de conclusie van het Pieter Baan Centrum dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De heer Rijnders heeft ter zitting benadrukt dat hij in verband met de door de heer Winter gestelde diagnose zeer zorgvuldig het belangrijke aspect van “de voortdurende herbeleving” als beschreven bij een posttraumatische stressstoornis, bij verdachte heeft onderzocht.

Verdachte heeft vragen dienaangaande, ondanks de omstandigheid dat hij niet wenste mee te werken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum, wel beantwoord. Nachtmerries heeft verdachte aldus hem zelf gedurende ongeveer vier weken na de gebeurtenis in december 2005 ervaren, daarna niet meer. Pas na zijn aanhouding in maart 2006 zouden de nachtmerries weer zijn ontstaan. Het ging dan om nachtmerries van gemengde inhoud, deels over het gebeuren in december 2005, deels over het tenlastegelegde. Ten tijde van het onderzoek in het Pieter Baan Centrum had verdachte er volgens hem zelf al geruime tijd geen last meer van. Tevens heeft verdachte aan de psychiater gemeld dat hij in de weken voorafgaande aan het tenlastegelegde niet veel angst of paniekaanvallen had die in relatie stonden met het gebeuren in december 2005. Volgens de heer Rijnders wijzen de klachten van verdachte veeleer op een acute stressstoornis, nu immers eerst van een posttraumatische stressstoornis wordt gesproken als de klachten na die periode van vier weken ontstaan

of de klachten van een acute stressstoornis aanhouden na de grens van vier weken.

Daarnaast is volgens de heer Rijnders niet gebleken van grote beperkingen op sociaal en beroepsmatig vlak, hetgeen wel een voorwaarde is voor het stellen van zowel de acute als de posttraumatische stressstoornis. Daarmee komt het vaststellen van beider stoornissen op losse schroeven te staan. Tenslotte heeft de heer Rijnders benadrukt dat iemand die lijdende is aan een posttraumatische stressstoornis in een situatie die overeenkomst vertoont met de traumasituatie op dezelfde manier gaat reageren als in de oorspronkelijke situatie.

In het geval van verdachte zou dat hebben betekend “vermijdingsgedrag”en niet het gedrag zoals verdachte toonde op 23 januari 2006 en begin maart 2006. Het blijft volgens de heer Rijnders mogelijk dat er bij verdachte sprake was van een aanpassingsstoornis.

Mogelijk ervoer verdachte in de aanloop tot het tenlastegelegde veel stress vanwege aanhoudende ruzie maar dat betekent in gedragskundig opzicht niet automatisch dat verdachte daarmee lijdende was aan een stoornis die zijn wilsvrijheid beperkte en hem in mindere mate dan gemiddeld in staat stelde om tot gezondere gedragsalternatieven te komen.

Andere omstandigheden die toch tot die conclusie zouden kunnen leiden zijn volgens de deskundigen van het Pieter Baan Centrum niet naar voren gekomen.

De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum en maakt

die tot de hare.

Niet alleen zijn die deskundigen tot hun conclusies gekomen na een langdurig contact met verdachte en met inachtneming van alle processtukken, waaronder de rapportages van de psychiater Winter en de genoemde triple rapportage en het raadplegen van referenten. Tevens hebben die deskundigen de eerdere diagnoses nader onderzocht waarbij ook in het bijzonder de belangrijke aspecten van “de voordurende herbeleving en het vermijdingsgedrag” van de posttraumatische stressstoornis zijn betrokken.

Met de deskundigen van het Pieter Baan Centrum is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de verdachte zelf heeft verklaard omtrent zijn herbeleving niet wijst op een posttraumatische stressstoornis. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de beperkingen die verdachte voorafgaande aan het delict ervoer in zijn sociaal functioneren, zich slechts zeer ten dele uitstrekten over dat gebied en in ieder geval niet op het beroepsmatige vlak. Tenslotte was het verdachte die op 23 januari 2006 [de medeverdachte] een sms-bericht stuurde met de tekst: “Ok ik kom wel als je uit bent en dan pakken we hem” (pag. 821 van het dossier) waarna verdachte [het slachtoffer] ook inderdaad heeft geslagen met een gummiknuppel. Ook was het verdachte die begin maart 2006 een aantal meisjes met zijn auto klemreed waarna [de medeverdachte] hen gewelddadig bejegende, terwijl verdachte zich daarvan niet distantieerde en een van hen zelfs een schietwapen toonde. Het was verdachte die naar de stad ging wetende dat hij mogelijk leden van de groep tegen zou komen.

Van ”vermijding” was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet of slechts in zeer geringe mate sprake.

Aldus zijn onvoldoende aanknopingspunten voorhanden om te concluderen tot een posttraumatische stressstoornis. Daarnaast is de rechtbank met de deskundigen van het Pieter

Baan Centrum van oordeel dat hoewel mogelijk sprake was van een aanpassingsstoornis niet valt in te zien dat een aanpassingsstoornis met angst automatisch redengevend kan zijn voor het delict. Nu verder omstandigheden ontbreken en gelet op hetgeen de getuige deskundige Offermans ter zitting nader heeft verklaard met betrekking tot de mate van toerekenbaarheid is de rechtbank van oordeel dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank heeft acht geslagen op de eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Dit betekent dat aan verdachte, ondanks de omstandigheid dat verdachte van het onder 1 primair tenlastelegde wordt vrijgesproken, dezelfde straf wordt opgelegd als door de officier van justitie is gevorderd, aangezien met een lagere dan door de officier van justitie gevorderde straf niet kan worden volstaan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

Onttrekking aan het verkeer:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten -kort gezegd- een pistool, merk BBM, zal onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een start/alarmpistool, merk Gun Toys;

- een BB-gun, merk Y&P, serienummer B38026,

zullen onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen, bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De vordering van de benadeelde partij

Namens de benadeelde partij heeft de gemachtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 tenlastegelegde, te weten een bedrag van € 43.361,73 wegens materiële schade en een bedrag van € 45.000,- wegens immateriële schade, terwijl van de opgegeven schade een bedrag van € 6.000,- reeds op een andere wijze is vergoed.

Overweging ten aanzien van de immateriële schade

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het immateriële deel van de vordering op het standpunt gesteld dat op grond van de betreffende geldende wetsbepaling claims die zien op de immateriële schade niet voor toekenning in aanmerking komen. Eerst bij inwerkingtreding van wetsvoorstel 28781 wordt het juridisch mogelijk om affectieschade te verhalen, zijnde de immateriële schade van de naaste in de vorm van ernstig verdriet om het verlies van een slachtoffer, aldus de officier van justitie.

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat de Hoge Raad ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade stelt dat vereist is dat in rechte het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hoewel mr. Sinoo, de gemachtigde van de benadeelde partij, ter zitting heeft aangegeven dat de ouders van [het slachtoffer] tengevolge van zijn overlijden, lijden aan een posttraumatische stressstoornis, een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, blijkt uit de overgelegde stukken niet van een officiële, door een deskundige gedane, diagnose te dezer zake, hetgeen tot niet-ontvankelijkverklaring dient te leiden, aldus de raadslieden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor vergoeding van immateriële schade vereist dat in rechte komt vast te staan dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (NJ 2002, 240).

Gelet op de bij het voegingsformulier overgelegde medische gegevens, de bij het dossier gevoegde brieven van de beide ouders van het slachtoffer en de ter terechtzitting door de gemachtigde gegeven mondelinge toelichting op de vordering, is de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate is gebleken van een situatie die naar ervaringsregelen in verband kan worden gebracht met een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De inhoud van voormelde stukken getuigt immers van een, kennelijk duurzaam, onvermogen om het verlies van de zoon te verwerken, waardoor de dood van die zoon het leven van de benadeelde partij in belangrijke mate heeft ontwricht, terwijl de huisarts bij beide ouders aangeeft dat er sprake is van pathologische rouw/depressie. De gemachtigde heeft voorts ter zitting verklaard dat de vader en moeder van het slachtoffer zich als gevolg van het onder 1 tenlastegelegde onder behandeling van een psycholoog hebben moeten stellen. Voorts heeft zij aangegeven dat sinds het indienen van de vordering nagenoeg een jaar is verstreken, maar de situatie niet wezenlijk is veranderd.

Het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kosten gederfd inkomen, kosten reis/verblijf en therapie in Iran en een deel van de begrafeniskosten is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 20.000,- en de materiële schade wordt begroot op

€ 11.968,01 (bestaande uit: kosten opgevraagde medische informatie € 75,40 en begrafeniskosten, te weten bijlage 5: € 600,-; bijlage 7: € 1.170,-, € 138,50 en € 65,-; bijlage 8: € 4.472,78 en bijlage 9: € 5.446,33) worden toegewezen.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 25.968,01 (waarbij het reeds vergoede bedrag van € 6.000,- in mindering is gebracht) worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds vermelde wetsartikelen zijn de op te leggen straf en maatregel voorts gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een pistool, merk BBM;

- een start/alarmpistool, merk Gun Toys;

- een BB-gun, merk Y&P, serienummer B38026.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, thans verblijvende [verblijfplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 25.968,01 (zegge vijfentwintigduizend negenhonderdachtenzestig euro en een eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 25.968,01 (zegge vijfentwintigduizend negenhonderdenachtenzestig euro en een eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 159 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P. Bender, J.F. Dekking en N.V.M. Gehlen, bijgestaan door mr. J. Benard als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2007.