Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB5701

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
215964/ HA ZA 06-1733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toerekenbare tekortkoming bij koop woning. Terecht beroep op ontbindende voorwaarde? Inspanningsverplichting verkijgen financiering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2008, 11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 215964 / HA ZA 06-1733

Vonnis van 10 oktober 2007

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. G.TJ. de Jong,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. E.H. de Jonge-Wiemans.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij koopovereenkomst van 26 februari 2005 hebben [eisers c.s.] aan [gedaagde partij] verkocht hun landhuis met garage, zwembad, paardenstallen, erf, tuin, ondergrond en verder aan en toebehoren aan de [adres] te [woonplaats], tegen een koopprijs van € 2.175.000,--.

2.2. In de koopovereenkomst is artikel 16 betreffende ontbindende voorwaarden doorgestreept en is in de kantlijn voor dit artikel een accolade geplaatst met een sterretje. Door middel van dit sterretje wordt verwezen naar een handgeschreven tekst onderaan de bladzijde welke is geparafeerd door partijen en luidt als volgt:

“Voorbehoud financiering tot 18 maart 2005”.

2.3. Bij brief van 7 maart 2005 heeft de makelaar van [eisers c.s.] aan [gedaagde partij] onder meer medegedeeld:

“Via uw secretaresse mevr. E. Boer vernamen wij hedenochtend dat u de door u op 26 februari 2005 getekende koopakte inzake bovengenoemd perceel wenst te ontbinden door middel van gebruikmaking van het in deze akte opgenomen voorbehoud van financiering.

Wij maken u attent op het volgende:

In de door u ondertekende toelichting bij model koopakte wordt onder art. 16 ter verduidelijking medegedeeld dat een beroep op de ontbindende voorwaarde “goed gedocumenteerd” dient te geschieden. In de praktijk betekent dit dat de koper een afwijzing van financiering heeft ontvangen van 2 onafhankelijk van elkaar opererende in Nederland werkzame financieringsinstellingen. Deze verklaringen dienen aan verkoper te worden overlegd. Tevens kan uiteraard alleen een financiering door koper worden aangevraagd ter grootte van de koopsom + kosten, in uw geval derhalve ca. € 2.350.000,-- maximaal.

Tevens bieden wij u aan, om (voor een eerste gesprek geheel vrijblijvend) gebruik te maken van een door ons ter beschikking staande expert op het gebied van (hypotheek)-financieringen, die geheel onafhankelijk werkt, en die in het verleden onwaarschijnlijke financieringen alsnog heeft kunnen regelen. Als laatste kunnen wij u in contact brengen met de met ons samenwerkende bankinstelling, zijnde Van Lanschot Bankiers te Hilversum, om ook hen eens naar uw financieringsbehoefte te laten kijken.”

2.4. Bij brief van 9 maart 2005, welke brief [gedaagde partij] diezelfde dag aan de makelaar van [eisers c.s.] heeft doen toekomen, heeft ING Bank Rayonkantoor Noordwest-Veluwe (hierna: ING) aan [gedaagde partij] medegedeeld:

“Hierbij moeten wij u helaas meedelen dat de door u gevraagde hypotheek ad EUR 2.350.000,-- inzake het onroerend goed gelegen aan de [adres] te [woonplaats], niet kan worden verleend. De reden hiervan is dat uw inkomen niet toereikend is om de verplichtingen te kunnen opbrengen.”

2.5. Bij faxbericht van 15 maart 2005, welk bericht [gedaagde partij] diezelfde dag aan de makelaar van [eisers c.s.] heeft doen toekomen, heeft Nationale Nederlanden Financiële Diensten (hierna: Nationale Nederlanden) aan J. van Stigt Thans, assurantieadviseur van [gedaagde partij] (hierna: Van Stigt Thans), het volgende medegedeeld:

“Hierbij delen wij u mede dat wij voor de aanvraag ad € 2.300.000,-- t.n.v. mevrouw [gedaagde] geen offerte kunnen verstrekken.

Redenen hiervoor zijn o.a.:

- het onttrekken van het salaris en liquide middelen uit de rechtspersoon van mw [gedaagde partij] is niet haalbaar;

- financieringsbedrag is te fors ten opzichte van de inkomsten.”

2.6. [gedaagde partij] heeft geen medewerking verleend aan de levering van de woning.

2.7. Bij brief van 30 juni 2006 hebben [eisers c.s.] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisers c.s.] vorderen, na wijziging van eis, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I

Primair

te verklaren voor recht dat de op 26 februari 2005 tussen [eisers c.s.] en [gedaagde partij] gesloten koopovereenkomst door [eisers c.s.] op 30 juni 2006 buitengerechtelijk is ontbonden wegens (toerekenbare) tekortkomingen zijdens [gedaagde partij], inhoudende dat [gedaagde partij] ondanks (herhaalde) sommatie niet heeft zorg gedragen voor de betaling van de waarborg- en koopsom en dat zij evenmin heeft zorg gedragen voor afname van de middels voormelde koopovereenkomst aan haar verkochte onroerende zaak, terzake van welke verplichtingen [gedaagde partij] in verzuim is geraakt;

Subsidiair

de op 26 februari 2005 tussen [eisers c.s.] en [gedaagde partij] gesloten koopovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens (toerekenbare) tekortkomingen zijdens [gedaagde partij], inhoudende dat [gedaagde partij] ondanks (herhaalde) sommatie niet heeft zorg gedragen voor de betaling van de waarborg- en koopsom en dat zij evenmin heeft zorg gedragen voor afname van de middels voormelde koopovereenkomst aan haar verkochte onroerende zaak, terzake van welke verplichtingen [gedaagde partij] in verzuim is geraakt;

Meer subsidiair

de op 26 februari 2005 tussen [eisers c.s.] en [gedaagde partij] gesloten koopovereenkomst te vernietigen wegens dwaling, welke dwaling is te wijten aan (onjuiste en/of onvolledige) inlichtingen van [gedaagde partij] aangaande de inkomens- en vermogenspositie van [gedaagde partij], op grond van welke (onjuiste en/of onvolledige) inlichtingen van [gedaagde partij] [eisers c.s.] de op 26 februari 2005 tussen [eisers c.s.] en [gedaagde partij] gesloten koopovereenkomst zijn aangegaan;

II

[gedaagde partij] te veroordelen om [eisers c.s.] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 6.525,--, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, per dag vanaf 12 mei 2005 tot 30 juni 2006, althans tot de dag waarop de koopovereenkomst tussen [eisers c.s.] en [gedaagde partij] is ontbonden dan wel vernietigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2005, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van de algehele voldoening;

III

[gedaagde partij] te veroordelen om [eisers c.s.] tegen kwijting te betalen (aanvullende) schadevergoeding bestaande uit het verschil tussen de tussen partijen overeengekomen koopprijs van € 2.175.000,-- en de gerealiseerde netto verkoopopbrengst van € 1.571.485,34, zijnde een bedrag van € 603.514,66, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2005, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van de algehele voldoening;

IV

[gedaagde partij] te veroordelen om [eisers c.s.] tegen kwijting te betalen de kosten van verhaal vastgesteld op een bedrag van € 6.422,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;

V

[gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de kosten van het voorlopig getuigenverhoor alsmede de kosten van de gelegde conservatoire beslagen, met bepaling dat [gedaagde partij] de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd vanaf 8 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis.

3.2. [gedaagde partij] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde partij] vordert:

- opheffing van de door [eisers c.s.] gelegde conservatoire beslagen op de [gedaagde partij] in eigendom toebehorende onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], en de haar in eigendom toebehorende aandelen in de besloten vennootschap [holding B.V.];

- hoofdelijke veroordeling van [eisers c.s.], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat [eisers c.s.] ter zake in gebreke blijft binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan die veroordeling gevolg te geven, om zorg te (laten) dragen voor doorhaling van de registratie van het door hen op de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], gelegde beslag in de registers van het Kadaster;

- hoofdelijke veroordeling van [eisers c.s.] in de kosten van het geding in reconventie.

3.4. [eisers c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [eisers c.s.] hebben aan hun vorderingen de hiervoor in 2.1. weergegeven koopovereenkomst ten grondslag gelegd. Volgens [eisers c.s.] heeft [gedaagde partij] zowel formeel als materieel geen deugdelijk beroep op de in de koopovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde gedaan. [gedaagde partij] diende daarom haar verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen. Nu zij de woning niet heeft afgenomen heeft zij niet aan haar verplichtingen voldaan. [eisers c.s.] hebben daarom de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [gedaagde partij] is volgens [eisers c.s.] de overeengekomen boete van € 6.525,-- per dag verschuldigd, alsmede een aanvullende schadevergoeding ter hoogte van € 603.514,66, zijnde het verschil tussen de tussen partijen overeengekomen koopprijs en de gerealiseerde netto verkoopopbrengst.

4.2. [gedaagde partij] heeft de stellingen van [eisers c.s.] gemotiveerd weersproken. Zij heeft aangevoerd dat zij de koopovereenkomst met een beroep op de ontbindende voorwaarde rechtens juist heeft ontbonden.

4.3. Met betrekking tot dit geschil hebben op verzoek van [eisers c.s.] in 2006 en 2007 ten overstaan van deze rechtbank diverse voorlopige getuigenverhoren plaatsgevonden. De processen-verbaal van deze verhoren van 27 februari 2006, 1 augustus 2006, 17 november 2006 en 12 maart 2007 zijn in deze procedure overgelegd. Aangezien beide partijen bij de verhoren aanwezig dan wel vertegenwoordigd zijn geweest, hebben de getuigenverklaringen zoals afgelegd in de voorlopige getuigenverhoren, ingevolge artikel 192 Rv dezelfde bewijskracht als die welke in een aanhangig geding zijn afgelegd. Waar nodig zal de rechtbank hierna op de afgelegde verklaringen in gaan.

4.4. Vast staat dat vóór de ondertekening van de koopovereenkomst de hierin opgenomen ontbindende voorwaarde met betrekking tot de financiering was doorgestreept. Vast staat ook dat partijen uiteindelijk bij de ondertekening van de overeenkomst wel een financieringsvoorbehoud zijn overeengekomen. Het antwoord op de vraag of partijen dit voorbehoud al dan niet reeds eerder waren overeengekomen, waarover zij kennelijk van mening verschillen, acht de rechtbank daarom niet van belang. Blijkens de handgeschreven toevoeging zoals hiervoor weergegeven in 2.2. zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde partij] bevoegd was de koopovereenkomst tot 18 maart 2005 te ontbinden indien zij op die dag geen financiering voor de woning zou hebben verkregen. Uit de stellingen van [eisers c.s.] en hetgeen [gedaagde partij] te dien aanzien als getuige heeft verklaard, leidt de rechtbank af dat partijen met de handgeschreven toevoeging de bepalingen uit het doorgestreepte artikel 16 betreffende de ontbindende voorwaarde hebben willen doen herleven. Ingevolge deze bepalingen rustte op [gedaagde partij] de verplichting om al het redelijk mogelijke te doen teneinde de financiering te verkrijgen. Voorts diende de mededeling dat de ontbinding werd ingeroepen schriftelijk en goed gedocumenteerd te geschieden.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij] zowel formeel als materieel een deugdelijk beroep heeft gedaan op de overeengekomen ontbindende voorwaarde. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.6. Vast staat dat [gedaagde partij] op 7 maart 2005 telefonisch heeft medegedeeld dat zij de koop wenste te ontbinden. Volgens [eisers c.s.] hebben zij [gedaagde partij] hierop gezegd dat zij voor een geldige ontbinding afwijzingen diende te hebben van twee verschillende banken. [gedaagde partij] zou hierop hebben geantwoord dat zij hiervoor zou zorgdragen. Ook in de brief van 7 maart 2005 van de makelaar van [eisers c.s.] is [gedaagde partij] gewezen op haar verplichting om de afwijzingen van twee financieringsinstellingen aan [eisers c.s.] te overleggen. Vervolgens heeft [gedaagde partij] op 9 en 15 maart 2005 afwijzingen overgelegd van respectievelijk ING en Nationale Nederlanden. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij] gezien de reacties van zowel [eisers c.s.] als hun makelaar, inhoudende dat zij twee afwijzingen diende te verstrekken, er op mocht vertrouwen dat met het verstrekken van twee schriftelijke afwijzingen, de wijze van ontbinden akkoord zou zijn. Door enkel te wijzen op deze documentatieverplichting, en niet het standpunt in te nemen dat de ontbinding niet telefonisch doch schriftelijk diende te geschieden, mocht [gedaagde partij] er op vertrouwen dat een schriftelijke mededeling niet meer nodig was. De rechtbank is bovendien van oordeel dat uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat is voldaan aan de strekking en het doel van de onderhavige bepaling. Uit de brief van 7 maart 2005 van de makelaar en uit de verklaringen van [eisers c.s.] blijkt immers dat het hen na de telefonische mededeling en de toezending van de schriftelijke afwijzingen van de banken volstrekt duidelijk was dat [gedaagde partij] een beroep deed op de ontbindende voorwaarde en waarom. Juist is dat [eisers c.s.] voorts ook dienden te kunnen controleren of terecht een beroep werd gedaan op de ontbindende voorwaarde. Deze controle kon echter plaatsvinden aan de hand van de schriftelijke afwijzingen. Een schriftelijke mededeling (enkel) inhoudende dát de ontbindende voorwaarde werd ingeroepen, had hieraan niet kunnen bijdragen.

4.7. Voorts staat vast dat [gedaagde partij] twee afwijzingen van financieringsinstellingen binnen de overeengekomen termijn heeft verstrekt. Zoals reeds door de makelaar in zijn brief van 7 maart 2005 is aangegeven heeft [gedaagde partij] daarmee, overeenkomstig vaste rechtspraak op dit punt, voldaan aan het (formele) vereiste dat de ontbinding goed gedocumenteerd dient te zijn. De stelling dat de twee afwijzingen niet afkomstig zijn van twee onafhankelijk van elkaar opererende financiële instellingen, aangezien de betrokken banken beide onderdeel uitmaken van ING Bank N.V., onderschrijft de rechtbank niet. Zoals ook uit de getuigenverklaringen blijkt, verlenen de betrokken banken onafhankelijk van elkaar financiële diensten. Getuige E. Bitter, voormalig medewerker van Nationale Nederlanden die de financieringsaanvraag van [gedaagde partij] heeft behandeld (hierna: Bitter), heeft verklaard dat diverse banken onder hetzelfde concern vallen maar dat de acceptatienormen betreffende een financieringsaanvraag verschillen. Ook concurreren ING en Nationale Nederlanden volgens hem met elkaar. Bitter heeft verklaard dat ING en Nationale Nederlanden wat betreft het verstrekken van hypotheken onafhankelijk van elkaar werken. De rechtbank acht genoemde getuige onpartijdig en geloofwaardig en ziet geen aanleiding om aan de juistheid van zijn verklaring te twijfelen.

4.8. De conclusie van het vorenstaande is dat [gedaagde partij] formeel een deugdelijk beroep heeft gedaan op de ontbindende voorwaarde.

4.9. Ook materieel heeft [gedaagde partij] zich deugdelijk op de voorwaarde beroepen.

Zoals hiervoor reeds is overwogen was [gedaagde partij] bevoegd om tot 18 maart 2005 de overeenkomst te ontbinden indien zij op die dag geen financiering voor de woning zou hebben verkregen. Uit de afwijzingen van ING en Nationale Nederlanden blijkt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig dat deze banken niet bereid waren [gedaagde partij] een financiering te verstrekken voor de aankoop van de woning. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van deze afwijzingen te twijfelen. Voor zover [eisers c.s.] hebben betoogd dat aan de juistheid van de verstrekte afwijzingen dient te worden getwijfeld, acht de rechtbank dit betoog niet onderbouwd. Uit de getuigenverklaringen blijkt bovendien het tegendeel. Zo heeft getuige Bitter verklaard dat vaak wordt verzocht een afwijzing op papier te zetten, doch dat daar nimmer aan mee wordt gewerkt. Hij heeft verklaard dat alleen een afwijzing wordt verstuurd indien de stukken zijn beoordeeld. Getuige J. Rodenburg, destijds werkzaam bij ING en huisbankier van [gedaagde partij] (hierna: Rodenburg), heeft verklaard dat [gedaagde partij] hem absoluut niet heeft gevraagd om een afwijzing van de hypotheekaanvraag. Volgens hem heeft zij alleen gevraagd om een bevestiging van de afwijzing.

4.10. De stelling van [eisers c.s.] dat [gedaagde partij] niet alle informatie over haar inkomen en vermogen heeft verstrekt aan de banken en dat de banken daarom wegens onjuiste dan wel onvolledige informatie tot een afwijzing zijn gekomen, slaagt evenmin. [eisers c.s.] hebben dit niet voldoende aannemelijk gemaakt. Zij hebben slechts gesteld dat zij niet zeker weten of alle informatie wel aan de banken is verstrekt en dat zij vermoeden dat dit niet het geval is. Zij doelen onder meer op de aanwezigheid van buitenlands vermogen. [gedaagde partij] heeft daarentegen als getuige verklaard dat zij haar accountant de heer Blom opdracht heeft gegeven om alle bescheiden naar de banken toe te sturen voor het verkrijgen van een hypotheek. Zij heeft verklaard dat ook de informatie over het buitenlandse geld bij beide banken bekend was. Volgens [gedaagde partij] betreft dit door haar verstrekte leningen en liggen de notariële aktes van deze leningen bij ING, zijnde haar huisbank, en bij haar accountant. Getuige Bitter heeft verklaard dat geen afwijzing volgt zonder dat eerst alle benodigde stukken zijn gezien. Indien niet alle stukken en andere informatie die nodig zijn voor een beoordeling, binnen gekomen zijn, wordt de informatie volgens hem eerst opgevraagd. Volgens Bitter was de reden van afwijzing van de door [gedaagde partij] verzochte financiering gelegen in de financiële positie van [gedaagde partij]. Getuige Rodenburg heeft verklaard dat zowel de financiering van de vennootschap van [gedaagde partij] als een privé-financiering bij ING was geregeld en dat hij volledig op de hoogte was van haar inkomenssituatie. Hij heeft verklaard dat het inkomen van [gedaagde partij] volstrekt onvoldoende was en dat de hypotheek derhalve niet kon worden verstrekt. Hij heeft voorts veklaard dat [gedaagde partij] heeft aangegeven dat zij de woning graag wilde hebben en dat hij daarom nog uitvoerig naar de inkomenscijfers en de ontwikkeling van haar vennootschap heeft gekeken. Hij heeft ook verklaard te hebben geprobeerd langs de weg van het netto inkomen toch tot een financiering te kunnen komen, terwijl normaal gesproken wordt gekeken naar het bruto inkomen, en dat ook dit niet is gelukt. Op de vraag of in dat kader naar het vermogen van [gedaagde partij] is gekeken, heeft Rodenburg geantwoord dat [gedaagde partij] geen vermogen had. Hij heeft verklaard te hebben geweten van de door haar verstrekte leningen in het buitenland en hier in het kader van de hypotheekaanvraag ook naar te hebben gekeken. Volgens Rodenburg kon hij met deze vordering in het kader van de hypotheekaanvraag echter niets doen gezien de financiële positie van de schuldenaar. Ten slotte heeft Rodenburg verklaard dat indien de schuldenaar de leningen wel had kunnen afbetalen, [gedaagde partij] het daarmee nog niet had gered. Getuige Van Stigt Thans (zie 2.5.) ten slotte heeft verklaard dat hij de inkomensgegevens aan Nationale Nederlanden heeft verstrekt. Hij heeft verklaard dat een verzoek is gedaan om een volledige financiering en dat hij daarom geen stukken betreffende het vermogen heeft overgelegd. Ten aanzien van het geld in het buitenland heeft hij verklaard dat hij deze informatie niet heeft meegenomen omdat dit geld niet beschikbaar was. Gelet op de inhoud van vorenstaande verklaringen, welke verklaringen de rechtbank consistent en geloofwaardig acht, gaat de rechtbank er van uit dat [gedaagde partij] alle voor haar verzoek benodigde informatie aan de banken heeft verstrekt.

4.11. De vraag of de banken op grond van deze informatie terecht tot een afwijzing zijn gekomen, staat in dit geschil niet ter beoordeling. Het staat enkel ter beoordeling van de banken om op grond van de informatie al dan niet een financiering te verstrekken. De stellingen van [eisers c.s.] betreffende de hoogte van het inkomen en het vermogen van [gedaagde partij] zijn derhalve niet relevant. Dit geldt eveneens voor hetgeen [eisers c.s.] hebben gesteld ten aanzien van de winstgevendheid van de vennootschappen van [gedaagde partij].

4.12. De stelling van [eisers c.s.] dat [gedaagde partij] twee maanden na het inroepen van de ontbindende voorwaarde een hypothecaire geldlening heeft afgesloten ter hoogte van € 1.600.000,-- en dat haar vennootschap een hypothecaire geldlening heeft verkregen ter hoogte van € 500.000,--, maakt het vorenstaande niet anders. Getuige Rodenburg heeft verklaard dat de beoordeling van de zakelijke hypotheek een totaal andere beoordeling is dan de hypotheek van een privéwoning. Voorts had de zakelijke hypotheek van € 500.000,-- volgens hem deels te maken met nieuwe activiteiten van [gedaagde partij] en deels met een perceel grond. Ten aanzien van de verstrekte hypotheek ter hoogte van € 1.600.000,-- heeft Rodenburg verklaard dat deze is gebaseerd op het inkomen van [gedaagde partij] en dat deze hypotheek net haalbaar was voor [gedaagde partij].

4.13. Ook de stelling van [eisers c.s.] dat [gedaagde partij] zich -ook anderszins- onvoldoende heeft ingespannen om een financiering te verkrijgen, kan niet slagen. De rechtbank is van oordeel dat, nu [gedaagde partij] bij twee financieringsinstellingen heeft getracht een financiering te verkrijgen, zij heeft voldaan aan de op haar rustende inspanningsverplichting. De enkele omstandigheid dat de makelaar van [eisers c.s.] samenwerkt met een andere bank, verplicht [gedaagde partij] niet om ook nog bij deze bank te proberen een financiering te verkrijgen. Evenmin had het op haar weg gelegen, zoals door [eisers c.s.] wordt betoogd, om overeenkomstig het aanbod van hun makelaar gebruik te maken van een de makelaar ter beschikking staande expert op het gebied van financieringen, die -naar zeggen van de makelaar- in het verleden onwaarschijnlijke financieringen alsnog heeft kunnen regelen. Nu [gedaagde partij] reeds van twee banken te horen had gekregen dat zij gezien haar financiële positie geen financiering voor de aankoop van de onderhavige woning kon verkrijgen, hoefde zij zich niet in te spannen via een andere weg toch een financiering te verkrijgen.

4.14. De slotsom is dat [gedaagde partij] rechtens juist de ontbindende voorwaarde heeft ingeroepen. Derhalve kan niet worden gezegd dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst.

4.15. [eisers c.s.] hebben zich voorts beroepen op dwaling. Zij hebben gesteld dat [gedaagde partij] vóór het sluiten van de koopovereenkomst steeds heeft gezegd dat de financiering wel rond zou komen. Volgens [eisers c.s.] hebben zij daarom een bod van een derde ten gunste van [gedaagde partij] afgewezen. Wat er van de juistheid van deze stellingen ook zij, vast staat dat partijen uiteindelijk wel een financieringsvoorbehoud zijn overeengekomen. Volgens [eisers c.s.] is dit voorbehoud juist op verzoek van [gedaagde partij] onderdeel geworden van de overeenkomst. [eisers c.s.] zijn hiermee akkoord gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan er onder deze omstandigheden geen sprake van zijn dat [eisers c.s.] hebben gedwaald.

4.16. De stellingen tenslotte dat de handelwijze van [gedaagde partij] onzorgvuldig is en daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid en dat voorts sprake is van onrechtmatig handelen, zijn niet nader door [eisers c.s.] onderbouwd. Uit het vorenoverwogene volgt evenwel dat van onzorgvuldig dan wel onrechtmatig handelen door [gedaagde partij] geen sprake is.

4.17. Uit het vorenstaande volgt dat geen van de vorderingen van [eisers c.s.] kan worden toegewezen. [eisers c.s.] zullen daarom als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op:

- vast recht (na aanpassing) € 1.120,00

- salaris procureur (inclusief

voorlopige getuigenverhoren) 10.320,00 (4,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 11.440,00.

in reconventie

4.18. Ter onderbouwing van haar vordering tot opheffing van de onder haar gelegde conservatoire beslagen heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat de vorderingen van [eisers c.s.] niet toewijsbaar zijn.

4.19. Uit vaste rechtspraak volgt dat de enkele omstandigheid dat de beslaglegger zijn vordering nog niet aannemelijk heeft kunnen maken, niet noodzakelijk tot opheffing van het ter verzekering van die vordering gelegde conservatoire beslag hoeft te leiden. Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. Dit betekent dat de vordering tot opheffing van de beslagen niet zonder meer kan worden toegewezen omdat de vordering in conventie is afgewezen. Deze afwijzing speelt echter wel een rol bij de belangenafweging. [gedaagde partij] heeft echter in het geheel geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij belang heeft bij de opheffing van de conservatoire beslagen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

4.20. [gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze veroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard nu dit niet is gevorderd. De kosten aan de zijde van [eisers c.s.] worden begroot op:

- salaris procureur € 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eisers c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] tot op heden begroot op € 11.440,00;

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. wijst de vordering af,

5.5. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers c.s.] tot op heden begroot op € 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007.

w.g. griffier w.g. rechter