Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB4771

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
SBR 07-333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Les- en cursusgeldwet. Weigering restitutie lesgeld. Tijdstip indiening verzoek om restitutie. Verplichting tot betaling van lesgeld volgt rechstreeks uit de wet. Betalingsverzoek (acceptgiro) is niet op rechtsgevolg gericht. Hardheidsclausule. Toepassing buitenwettelijk begunstigend beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/333

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 25 september 2007

inzake

[eiseres],

wonende te Woerden,

eiseres,

tegen

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep,

gevestigd te Groningen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 december 2006 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 september 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres tot (gedeeltelijke) restitutie van het lesgeld over het studiejaar 2003-2004 afgewezen.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 5 juli 2007, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar - daartoe ambtshalve opgeroepen - gemachtigde mr. J.A. Cenijn, advocaat te Woerden. Verweerder heeft zich - eveneens daartoe ambtshalve opgeroepen - laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Toorn, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep (IBG).

Overwegingen

Feiten

2.1 Eiseres, geboren op 15 september 1979, volgde sinds 1999 onderwijs aan het Regionaal Opleidingen Centrum ASA te Utrecht (het ROC). Op 21 januari 2004 heeft zij haar diploma behaald.

2.2 Voor het studiejaar 2003-2004 was aan haar aanvankelijk bij besluit van 18 juli 2003 studiefinanciering toegekend en ook uitgekeerd. Bij besluit van 28 mei 2004 heeft verweerder bepaald dat zij over dat studiejaar toch geen recht had op studiefinanciering omdat zij niet bij het ROC stond ingeschreven. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar is afgewezen op de grond dat dit te laat was.

2.3 Op 22 juni 2006 heeft eiseres verzocht om herziening van dit besluit, op de grond dat het ROC de inschrijving inmiddels had gecorrigeerd. Bij besluit van 5 augustus 2006 is aan eiseres vervolgens alsnog studiefinanciering toegekend voor de periode van augustus tot en met december 2003.

2.4 Op 31 juli 2006 heeft verweerder aan eiseres een acceptgiro gestuurd ten behoeve van betaling van het lesgeld over het schooljaar 2003-2004, ter hoogte van € 916,-. Op 4 september 2006 is hiervan aan eiseres een herinnering gestuurd.

2.5 Door middel van een daartoe bestemd formulier heeft eiseres verweerder half september 2006 verzocht het lesgeld gedeeltelijk te restitueren in verband met het behalen van haar diploma.

2.6 Bij primair besluit van 27 september 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen, op de grond dat het verzoek niet tijdig is gedaan, nu het studiejaar 2003-2004 inmiddels was afgesloten. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.7 Naar aanleiding van dit bezwaar heeft verweerder eiseres op 6 december 2006 een brief gestuurd, met het verzoek om een toelichting op het feit dat zij haar restitutieverzoek niet binnen een termijn van zes weken na ontvangst van het eerste betalingsverzoek van 31 juli 2006 heeft gedaan.

2.8 Eiseres heeft vervolgens op 15 december 2006 geantwoord dat het ROC ten tijde van het eerste betalingsverzoek wegens vakantie gesloten was. Een gewaarmerkte kopie van haar diploma, die bij het restitutieverzoek diende te worden meegezonden, heeft zij daardoor niet eerder dan op 28 augustus 2006 kunnen aanvragen. De afgifte ervan heeft volgens eiseres daarna nog ongeveer anderhalve week geduurd. In de brief geeft eiseres tevens aan dat de termijn van zes weken bij haar niet bekend was.

2.9 Het bezwaar van eiseres is vervolgens bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

2.10 Eiseres heeft in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat van een restitutieverzoek voor 31 juli 2004 geen sprake kon zijn, omdat het betalingsverzoek niet eerder dan op 31 juli 2006 aan haar is gedaan. Tevens bestrijdt zij de stelling van verweerder, dat zij op grond van begunstigend beleid haar verzoek in ieder geval binnen zes weken na ontvangst van het (eerste) betalingsverzoek had moeten indienen. Daartoe voert zij aan dat dit beleid niet op kenbare wijze is gepubliceerd, zij er daarom niet van op de hoogte kon zijn en dat er voor dit beleid ook geen rechtsgrond bestaat. In haar brief van 15 december 2006 verwijst eiseres, ter onderbouwing van de stelling dat voor een herzieningsverzoek geen termijn van zes weken mag worden gehanteerd indien deze niet bekend is gemaakt, tevens naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 januari 2003 (LJN: AF3214). Ter zitting heeft zij aangegeven dat, hoewel zij erkent dat haar verzoek geen herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, genoemde uitspraak niettemin van toepassing is.

2.11 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat wettelijk is bepaald dat een aanvraag om teruggave van het lesgeld dient te worden gedaan voor het einde van het schooljaar waar de lesgeldverplichting op ziet. Dit betekent in het onderhavige geval dat het verzoek in beginsel voor 31 juli 2004 had moeten zijn gedaan. Voor het geval een eerste betalingsverzoek is verzonden na afloop van het betreffende schooljaar, is volgens verweerder op grond van de hardheidsclausule van de Les- en cursusgeldwet (LCW) begunstigend beleid ontwikkeld. Dit beleid houdt in dat een verzoek om restitutie, dat binnen zes weken na de verzenddatum van het betalingsverzoek, in dit geval dus voor 11 september 2006, is ingediend, als tijdig wordt aangemerkt. Bij de vaststelling van deze termijn is volgens verweerder aansluiting gezocht bij de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. De aanvraag van eiseres, die volgens verweerder op 18 september 2006 is ontvangen, is daarom te laat gedaan en wordt om die reden niet gehonoreerd, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder nog aangegeven dat zijn standpunt, zoals verwoord in zijn verweerschrift van 12 maart 2007, dat sprake is van een herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 Awb, berust op een misverstand.

Toepasselijk recht

2.12 Artikel 3, eerste lid, van de LCW bepaalt dat lesgeld is verschuldigd ter zake van het door een leerling, die op de eerste dag van het desbetreffende cursusjaar de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs - daaronder begrepen de van het onderwijs deeluitmakende praktijktijd - aan een dagschool.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de LCW is het lesgeld verschuldigd door de leerling.

Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de LCW worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de voldoening en de vrijstelling, vermindering en terugbetaling van het lesgeld.

Artikel 9b van de LCW bepaalt dat de IBG voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken, voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De gronden voor terugbetaling van het lesgeld zijn neergelegd in artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet (het Uitvoeringsbesluit).

Het eerste lid van dit artikel bepaalt, voor zover hier relevant, dat indien beëindiging van de inschrijving vanwege een in het tweede lid genoemde reden plaatsvindt na 31 december en voor 1 april, viertwaalfde deel van het lesgeld wordt terugbetaald.

Ingevolge het tweede lid van artikel 7 is teruggave van het lesgeld onder meer mogelijk indien de inschrijving voor het betreffende schooljaar is beëindigd in verband met het met goed gevolg hebben afgerond van de opleiding.

Artikel 7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt dat een aanvraag om teruggave van lesgeld wordt gedaan voor het einde van het desbetreffende schooljaar op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling Les- en cursusgeldwet (de Regeling) dient bij een dergelijke aanvraag om terugbetaling tevens een bewijsstuk te worden overgelegd waaruit blijkt dat de opleiding met goed gevolg is afgerond.

Beoordeling van het geschil

2.13 De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.14 De lesgeldverplichting volgt rechtstreeks uit artikel 3, eerste lid, van de LCW. Het aan eiseres gerichte betalingsverzoek (de acceptgiro) is dan ook niet op rechtsgevolg gericht maar vormt slechts een bevestiging van de reeds uit de wet voortvloeiende verplichting. Dit betekent dat tegen dit betalingsverzoek geen bezwaarschrift kan worden ingediend en dat het restitutieverzoek van eiseres ook niet als zodanig kan worden aangemerkt. Van een vaste bezwaartermijn is dan ook geen sprake. Evenmin kan het restitutieverzoek worden aangemerkt als een herzieningsverzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

2.15 De rechtbank overweegt voorts dat eiseres op grond van de wettelijke bepalingen recht heeft op restitutie van viertwaalfde deel van het door haar betaalde lesgeld over het schooljaar 2003-2004, nu zij op 21 januari 2004 haar diploma heeft gehaald. Uit artikel 7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit volgt verder dat zij het verzoek tot restitutie voor 31 juli 2004 had moeten indienen.

2.16 Onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9b van de LCW heeft verweerder besloten van laatstgenoemde bepaling af te wijken, nu hij eiseres niet eerder dan op 31 juli 2006 om betaling heeft verzocht. De oorzaak hiervan is gelegen in de onduidelijkheid met betrekking tot haar inschrijving over het betreffende studiejaar bij het ROC. Uit de brief van het ROC van 22 juni 2006 blijkt dat deze onduidelijkheid is veroorzaakt door een administratieve fout, zodat dit niet aan eiseres kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft kennelijk geoordeeld dat toepassing van de wet aldus zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder.

2.17 De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de weigering tot restitutie van het lesgeld vanwege overschrijding van de door hem intern gehanteerde termijn van zes weken, te handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

2.18 Het door verweerder toegepaste begunstigend beleid is, zo blijkt uit de brief van verweerder aan de rechtbank van 31 mei 2007, niet schriftelijk vastgelegd maar betreft volgens verweerder een bestendige gedragsregel die in alle gelijke gevallen op gelijke wijze wordt uitgevoerd. Met de verwijzing naar zo'n achterliggende vaste gedragslijn appelleert verweerder kennelijk aan materiële beginselen als rechtsgelijkheid en consistente bevoegdheidsuitoefening. Naar het oordeel van de rechtbank dient dergelijk buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente en niet onredelijke wijze is toegepast.

2.19 Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat een verzoek als dat van eiseres niet vaak voortkomt. Ook is niet gebleken van andere, gelijke, gevallen waarin het beleid op gelijke wijze is toegepast. Zodoende is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat sprake is van consistente toepassing van (de voorwaarde voor toepassing van) het begunstigend beleid.

2.20 De rechtbank is voorts van oordeel dat evenmin kan worden gezegd dat het beleid op niet onredelijke wijze is toegepast. Aan eiseres was niet bekend, noch is gebleken dat aan haar bekend had moeten zijn, dat zij haar verzoek tot restitutie binnen zes weken na ontvangst van het eerste betalingsverzoek moest indienen. Verder heeft zij onweersproken gesteld dat zij een volledig verzoek niet eerder kon indienen omdat het ROC in die periode wegens vakantie gesloten was. Daarmee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank het verzoek zo spoedig mogelijk, binnen zeven weken, ingediend. Voor de door verweerder gehanteerde termijn bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen duidelijke grondslag. De enkele mededeling dat aansluiting is gezocht bij de wettelijke bezwaartermijn uit de Awb is daarvoor niet voldoende, nu vaststaat dat het betalingsverzoek geen besluit is in de zin van deze wet. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen en handhaven van een dergelijke termijn geboden was om tot toepassing van de hardheidsclausule te kunnen komen.

2.21 Gelet op de strekking en de te dienen doelen van het beleid en de onderliggende wettelijke bepalingen, en in aanmerking genomen de wederzijdse belangen, kan ook niet worden gezegd dat door het buiten toepassing laten van deze strikte voorwaarde in het specifieke geval van eiseres, voor verweerder een onevenredig nadeel zou ontstaan.

2.22 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij het bestreden besluit de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb zijn geschonden en dat dit besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

2.23 De rechtbank acht het, met het oog op een finale beslechting van het geschil en in aanmerking nemende het standpunt van verweerder om eiseres in beginsel voor restitutie in aanmerking te laten komen onder toepassing van de hardheidsclausule, aangewezen het bestreden besluit te vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt dat het primaire besluit wordt herroepen en dat eiseres recht heeft op restitutie van viertwaalfde deel van het door haar betaalde lesgeld over het schooljaar 2003-2004, te weten € 916,- / 3 = € 305,33.

2.24 De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van de verleende rechtsbijstand (een punt voor het indienen van het beroepschrift ad € 322,- en een punt voor het verschijnen ter zitting ad € 322,-).

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 herroept het besluit van 27 september 2006,

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

3.5 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 141,- aan haar vergoedt,

3.6 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van € 644,- te betalen door de Informatie Beheer Groep.

Aldus vastgesteld door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2007.

De griffier: De rechter:

mr. E. Mulder mr. Y. Sneevliet

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.