Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB4759

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
234803/KG ZA 07-725
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executie, gezag en omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 234803 / KG ZA 07-725

Vonnis in kort geding van 21 september 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

nader te noemen de moeder,

procureur mr. J.A. Cenijn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

nader te noemen de vader,

advocaat mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de procureur van de moeder.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren [kind] op 20 december 2003 te [geboorteplaats].

2.2.

De moeder heeft een dochter uit een eerdere relatie: [dochter moeder], geboren op 11 februari 1996, die bij de moeder woont.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 19 december 2006 is [kind] onder toezicht gesteld.

2.4.

Bij beschikking van 20 maart 2007 heeft het gerechtshof te Arnhem voornoemde ondertoezichtstelling opgeheven.

2.5.

Bij beschikking van 25 juli 2007 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de vader alleen met het gezag over [kind] belast. In deze beschikking zijn de navolgende overwegingen opgenomen.

- Met betrekking tot het verzoek van de vader om hem alleen met het gezag te belasten overweegt de rechtbank dat op talloze manieren is geprobeerd een omgangsregeling te realiseren. In het geheel van dwangmiddelen die in het kader van de tenuitvoerlegging van een omgangsregeling kunnen worden aangewend, is gezagswijziging een uiterste middel om omgang te bewerkstelligen. Gelet op de houding van de moeder en alle overige omstandigheden van de zaak acht de rechtbank het in het belang van [kind] om de vader alleen met het gezag over haar te belasten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, gelet op hetgeen de vader daaromtrent heeft verklaard, de gezagswijziging geen ingrijpende verandering in de leefsituatie van [kind] behoeft mee te brengen, indien de moeder bereid is om mee te werken aan het herstel van het contact tussen de vader en [kind] en dat derhalve in de feitelijke verblijfplaats van [kind] geen wijziging behoeft op te treden.

- De enkele mogelijkheid dat de moeder haar voornemen gestand zou kunnen doen geeft de rechtbank geen aanleiding anders te beslissen. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat de moeder daarmee overtuigend zou aantonen dat de belangen van [kind] bij haar niet op de eerste plaats komen en zij derhalve niet de meest aangewezen persoon is het gezag over [kind] uit te oefenen. Daarnaast heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat de vader in dat geval ook daadwerkelijk inhoud aan zijn gezag kan geven door de dagelijkse ver-zorging van [kind] op zich te nemen, al dan niet met behulp van zijn partner en/of door hem ingeschakelde familieleden of professionele kinderopvang.

2.6.

De moeder heeft van voornoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

2.7.

Op 1 augustus 2007 is [kind] door deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord Brabant, locatie Roosendaal, voor de duur van drie maanden. De vader heeft de vrouw verzocht medewerking te verlenen aan omgang tussen hem en [kind] van zaterdagochtend 28 juli 2007 tot zondagavond daaropvolgend. De moeder was niet in staat aan omgang mee te werken. Zij heeft [kind] op zondag 29 juli 2007 aan de vader overgedragen. Ter zitting van 1 augustus 2007 is gebleken dat de moeder heeft geweigerd op enige wijze contact met [kind] op te nemen zolang zij in contact met haar vader staat.

3. Het geschil

3.1.

De moeder vordert - samengevat - schorsing van de beschikking van deze rechtbank van 25 juli 2007 totdat de nader door het gerechtshof Arnhem te geven beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Voorts vordert de moeder afgifte van [kind], op verbeurte van een dwangsom.

3.2.

De moeder heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij de bij beschikking van 25 juli 2007 gegeven gezagswijziging niet in het belang van [kind] acht, omdat zij van mening is dat de verblijfplaats van [kind] feitelijk bij haar moeder dient te zijn. De moeder heeft nader aangevoerd dat zij [kind], na de uitspraak van 25 juli 2007, uitsluitend aan de vader heeft overgedragen om te voorkómen dat zij zich schuldig zou maken aan een strafbaar feit en wel onttrekking aan het ouderlijk gezag.

3.3.

Ter zitting van 6 september 2007 heeft de moeder, desgevraagd, aangegeven dat zij

- niettegenstaande de rechterlijke beslissingen die over de omgang zijn gegeven - bij haar indertijd ingenomen standpunt blijft namelijk dat zij niet kan en wil meewerken aan een omgangsregeling tussen de vader en [kind]. De moeder heeft benadrukt dat zij in alle gevallen waarin zij gedwongen wordt om mee te werken aan de uitvoering van een omgangsregeling tussen de vader en [kind], mét de overdracht van [kind] aan de vader in juli jl. voorgoed afscheid heeft genomen van [kind].

3.4.

Over de reden waarom zij in haar standpunt volhardt heeft de moeder betoogd dat zij van mening is dat ook de vader, net als zij, aan zijn problemen moet werken waartoe hij tot nu toe nog niet bereid is gebleken. In de loop van de behandeling van 6 september 2007 heeft de moeder verklaard dat zij mogelijk bereid is haar principiële blokkade op te heffen indien de vader bereid zal blijken om hulp ten behoeve van zichzelf te zoeken, bijvoorbeeld via het RPC.

3.5.

De vader heeft ter zitting verklaard dat het erg goed gaat met [kind] die goed lijkt te beseffen dat hij haar pappa is. Met de gezinsvoogd is wekelijks contact. De vader heeft gesteld dat hij het het meest in het belang van [kind] acht indien de moeder weer de hoofdopvoedster van [kind] wordt, met een omgangsregeling voor hem. De vader heeft benadrukt dat hij, zo nodig, bereid is de gehele zorg voor [kind] op zich te nemen, hoewel hij een situatie waarin [kind] bij hem woont zonder dat zij contact heeft met haar moeder niet goed voor [kind] acht. Over hetgeen de moeder heeft aangevoerd met betrekking tot het inroepen van hulp, heeft de vader gezegd dat de moeder een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven omdat partijen, vlak na de beëindiging van hun relatie, bemiddelingspogingen hebben ondernomen waarbij de moeder tot niets bereid bleek, waarna partijen in eindeloze procedures verzeild zijn geraakt.

3.6.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting verklaard dat de patstelling waarin partijen terecht zijn gekomen beschadigend is voor [kind]. De Raad voor de Kinderbescherming acht contact met beide ouders voor [kind] van groter belang dan de vraag bij wie van de ouders het gezag moet liggen. Hij is van mening dat er voorwaarden geformuleerd kunnen worden voor een veilig contact van [kind] met beide ouders. Er moet voor gewaakt worden dat het patroon waarin partijen beiden verstrikt zijn zozeer ingesleten raakt dat [kind] haar vertrouwen in volwassenen, voornamelijk haar ouders, zal kwijtraken zodat zij zich niet meer aan hen zal kunnen binden. De Raad voor de Kinderbescherming ziet in de getoonde bereidheid van de moeder om mogelijk haar standpunt te verlaten indien de vader zich bereid verklaart hulp te zoeken, een opening van haar kant om uit de impasse te komen.

4. De beoordeling

4.1.

De vader heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden aangezien de beschikking al ten uitvoer is gelegd vanaf het moment dat [kind] bij haar vader verblijft.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat het uitoefenen van het gezag een rechtstoestand is die gedurende de gehele minderjarigheid kan voortduren en veranderen. De tenuitvoerlegging van een beschikking ten aanzien van het gezag is dus voortdurend en kan dus voortdurende geschorst kan worden.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat schorsing van de tenuitvoerlegging slechts kan worden geboden indien zij van oordeel is dat de executant (de vader) - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerd (de moeder) door de executant zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag in hoger beroep tot ten uitvoerlegging over te gaan. Dit zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op juridische of feitelijke misslag berust of nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat dergelijke feiten of omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken. De voorzieningenrechter constateert namelijk dat de opstelling van de ouders sinds de beslissing van de rechtbank niet is veranderd. De moeder wenst geen contact tussen [kind] en de vader toe te staan indien [kind] bij de moeder verblijft. Indien [kind] bij de vader verblijft wenst de moeder geen contact met [kind]. De vader acht het het meest in het belang van [kind] dat zij bij haar moeder verblijft en omgang heeft met haar vader. Indien dat niet mogelijk is, kan zij bij vader verblijven.

4.4.

In overweging nemende dat het belang van [kind] voorop gesteld moet worden, acht de voorzieningenrechter het niet in het belang van [kind] indien zij thans, hangende de appelprocedure, nogmaals van verblijfplaats verandert. Haar belang is er voornamelijk in gelegen dat haar verblijfplaats zo stabiel mogelijk is. Voorts is het van belang dat zij op een plek is waar haar de mogelijkheid wordt geboden om met haar beide ouders contact te hebben.

4.5.

De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat - in het belang van [kind] - de gevorderde maatregelen dienen te worden afgewezen.

4.6.

Nu dit geding betrekking heeft op de gevolgen van een scheiding van het samenlevingsverband tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die in dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.L. Klok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007.