Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB4399

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
202302/ HA ZA 05-2101.
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN AZ 3661, nadere informatie onvoldoende voor geslaagd beroep op dwaling; causaal verband ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 202302 / HA ZA 05-2101

Vonnis van 26 september 2007

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur: mr. R. de Jong,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur: mr.J.M. van Noort.

Eisers zullen hierna respectievelijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd. Eisers gezamenlijk zullen [eisende partij] worden genoemd. Gedaagde zal Spaarbeleg worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 november 2006

- de akte van [eisende partij]

- de akte van Spaarbeleg.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer voor verdere behandeling.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenvonnis van 29 november 2006 is [eisende partij] verzocht nadere inlichtingen te verstrekken ter onderbouwing van het beroep op dwaling en het causaal verband tussen de door gestelde schending van de zorgplicht en de gestelde schade.

2.2. [Eisende partij] heeft bij akte onder meer een brief overgelegd van 19 januari 2007 van de tussenpersoon [tussenpersoon]

2.3. Kort samengevat heeft Spaarbeleg in haar akte betoogd dat [eisende partij] in de akte niet de door de rechtbank gevraagde informatie heeft verstrekt, zodat het beroep op dwaling dient te worden afgewezen, dan wel geconcludeerd moet worden dat het causaal verband niet is onderbouwd. Spaarbeleg betoogt tot slot in haar antwoordakte dat [eisende partij] geen schade heeft geleden.

Dwaling

2.4. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis reeds geoordeeld dat [eisende partij] uit de door Spaarbeleg verstrekte informatie niet heeft kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was, althans dat hij een eventuele onjuiste voorstelling van zaken op dat punt aan zichzelf heeft te wijten en dat hij had kunnen begrijpen dat de kans bestond dat hij de maandelijkse rentebetalingen zou verliezen. Bij de SprintPlanovereenkomsten van [eisende partij] bestaat niet het risico van een restschuld. Het bedrag dat [eiser sub 1] diende te betalen is een gevolg van de tussentijdse beëindiging, welke procedure is omschreven in het ontvangen informatiemateriaal.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de specifieke beleggingsrisico’s niet duidelijk uit de verstrekte schriftelijke informatie blijken. Aan [eisende partij] is informatie gevraagd over de mededelingen die tussenpersoon Blaak Assurantiën destijds bij het aangaan van het SprintPlan heeft gedaan, meer specifiek over zijn stelling dat de tussenpersoon volgens een vaste formule informatie diende te verstrekken en dat de tussenpersoon heeft meegedeeld dat hij zelf onvoldoende is ingelicht door Spaarbeleg om [eisende partij] te kunnen adviseren.

2.5. [Eisende partij] heeft bij akte verwezen naar een brief van de tussenpersoon. In deze brief geeft [tussenpersoon] aan:

“Ik ben door Aegon onvoldoende ingelicht om cliënten te kunnen adviseren. Over de risico’s van de producten SprintPlan en Koersplan. Allen informatie die ik destijds van Aegon heb ontvangen, heb ik aan cliënten verstrekt. In deze informatie werd niet voldoende gewezen op de risico’s van deze producten. Over het Sprintplanovereenkomst was dit het slechtste. Verder vertrouwden cliënten de Aegon als betrouwbare partner in deze. Ook het Certificaat gaf een verkeerd beeld. Bovendien waren beide cliënten van buitenlandse afkomst. Cliënten hebben gekozen voor het SprintPlan puur uit de informatie van de Aegon, die de later hebben gesloten.”

[eisende partij] wijst nogmaals op de eerder overgelegde brief van de tussenpersoon van 9 februari 2005 en de daarbij behorende bijlagen. Ook wijst [eisende partij] op de omstandigheid dat Spaarbeleg in haar brochures over het SprintPlan van 2000 en in 2001 hetzelfde waren, ook met betrekking tot de beleggingsinformatie, terwijl de beurskoersen daalden. De tussenpersoon verklaarde telefonisch dat te veel op de voordelen moest worden gewezen en niet op de nadelen, aldus [eisende partij].

2.6. De rechtbank is van oordeel dat uit deze brief, of uit het overige door [eisende partij] gestelde, niet is af te leiden welke (onjuiste) mededeling de tussenpersoon bij het aangaan van de overeenkomst zou hebben gedaan ten aanzien van de door [eisende partij] aangeduide ‘specifieke beleggingsrisico’s’. Aangegeven wordt weliswaar dat de tussenpersoon onvoldoende was geïnformeerd door Spaarbeleg om [eisende partij] te kunnen adviseren. Gesteld wordt dat dit gebrek aan informatie betrekking heeft op de bij het SprintPlan behorende risico’s. Voorts is gesteld dat de tussenpersoon alle door hem ontvangen informatie ook aan [eisende partij] heeft verstrekt. Welke specifieke beleggingsrisico’s onduidelijk zijn gebleven en welke mededelingen daarover wél door de tussenpersoon zijn gedaan of ten onrechte níet zijn gedaan, blijkt niet. Dit blijkt evenmin uit de stelling van [eisende partij] dat de tussenpersoon heeft verklaard dat te veel op de voordelen moest worden gewezen en niet op de nadelen, welke stelling overigens niet wordt gestaafd door de verklaring van de tussenpersoon zelf. De vordering van [eisende partij] voor zover gebaseerd op dwaling wordt dan ook afgewezen.

Causaal verband

2.7. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat sprake is van een schending van de zorgplicht die mogelijk leidt tot de conclusie dat sprake is van een schadevergoedingsplicht van Spaarbeleg indien het causaal verband tussen de schending daarvan en de gestelde schade aannemelijk wordt gemaakt. De rechtbank heeft overwogen dat dit causaal verband niet op voorhand aannemelijk is. Zij heeft aangegeven nadere informatie te willen ontvangen over de wijze waarop de SprintPlanovereenkomsten tot stand zijn gekomen, waarbij met name van belang wordt geacht welke informatie de tussenpersoon over het SprintPlan in relatie tot het Koersplan heeft verstrekt. Ook wenste de rechtbank nadere informatie over de precieze inhoud van de Koersplanovereenkomst en de risico’s die daaraan zijn verbonden en de vraag of deze risico’s zich hebben verwezenlijkt. Tot slot heeft de rechtbank informatie gevraagd over het opleidingsniveau van [eisende partij] en de aard van de werkzaamheden die [eiser sub 1] verricht, alsmede de aard van de werkzaamheden die [eiser sub 2] in het verleden (voor het toekennen van de WAO-uitkering) heeft verricht.

2.8. [Eisende partij] heeft verwezen naar de verklaring van de tussenpersoon en heeft voorts naar voren gebracht dat Koersplan een beleggingsproduct is dat ook door brochures en reclame-uitingen onder de aandacht van het publiek is gebracht. In de brochures werd een hoog rendement c.q. eindvermogen in het vooruitzicht gesteld en werd, net als bij SprintPlan, niet sproken over de risico’s van beleggen. Het SprintPlan zou betere resultaten boeken dan het Koersplan en het had volgens de tussenpersoon nut om het Koersplan te beëindigen en in plaats daarvan een tweede SprintPlan af te sluiten. De Koersplanovereenkomsten werden beëindigd met een beperkte winst. De aan die overeenkomst verbonden risico’s werden niet verwezenlijkt, zodat deze voor [eiser sub 2] niet duidelijk werden. [eiser sub 2] heeft in Iran een aan mavo gelijkwaardige opleiding genoten en was ten tijde van het SprintPlan al arbeidsongeschikt. [eiser sub 1] heeft in Iran een universitaire studie genoten en volgde ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan een opleiding tot bouwkundig tekenaar, nu werkt hij als tekenaar bij een architectenbureau.

2.9. De rechtbank constateert dat [eisende partij] geen concrete informatie heeft verstrekt ten aanzien van de door de tussenpersoon verstrekte informatie over het Koersplan. In de verklaring van de tussenpersoon is slechts gesteld is dat hij “alle” door hem ontvangen informatie aan [eisende partij] heeft verstrekt die “niet voldoende” wijst op “de risico’s” van de producten. De stelling dat het SprintPlan betere resultaten zou boeken en dat het volgens de tussenpersoon nut had om een tweede SprintPlan af te sluiten, blijkt niet uit de verklaring van de tussenpersoon. De omstandigheid dat het Koersplan een bescheiden winst opleverde, betekent niet zonder meer dat “de risico’s” zich niet hebben voorgedaan en evenmin dat [eisende partij] hierdoor niet bekend zijn geraakt met de risico’s. De financiële positie van [eisende partij] was niet zodanig dat Spaarbeleg hem op grond hiervan had moeten weerhouden de SprintPlanovereenkomsten aan te gaan. Vanwege het uitblijven van de gevraagde nadere informatie ziet de rechtbank geen aanleiding om van haar eerdere oordeel af te wijken, mede vanwege het opleidingsniveau van [eisende partij]. Het causaal verband is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De gestelde schade komt reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering gebaseerd op schending van de zorgplicht wordt dan ook afgewezen.

2.10. Concluderend worden alle vorderingen van [eisende partij] afgewezen.

2.11. [Eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Spaarbeleg worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 291,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.130,00 (2,55 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.421,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van Spaarbeleg tot op heden begroot op EUR 1.421,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2007.

w.g. griffier w.g. rechter

FvG