Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB4082

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-09-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
SBR 06-4327
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering opneming persoonsgegevens in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Kinderen zijn in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Wet op de Identificatieplicht. Bepaling identiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/4327

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 3 september 2007

inzake

[eiser],

wonende te Utrecht,

eiser,

gemachtigde: mr. A.S. Bakker, advocaat te Utrecht,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder,

gemachtigde: mr. Ramdoelare Tewari, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 oktober 2006, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 juni 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd twee kinderen van eiser, [namen], in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente Utrecht.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser en verweerder hebben bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

1.3 Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. Bij onderscheiden brieven van 12 juli 2007 hebben eiser en verweerder desgevraagd aan de rechtbank toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. Vervolgens is het onderzoek opnieuw gesloten.

Overwegingen

2.1 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder heeft kunnen besluiten de kinderen van eiser niet in de gemeentelijke basisadministratie in te schrijven.

2.2 Verweerder heeft daarbij overwogen dat degene die om inschrijving in de GBA verzoekt in persoon dient te verschijnen en zijn identiteit dient aan te tonen. Eiser wenste zijn kinderen in te schrijven in de GBA en is daartoe bij twee gelegenheden met de kinderen in persoon verschenen, waarbij hij ter identificatie onder meer een authentiek bevonden Afghaans paspoort van zijn echtgenote, een Afghaans paspoort van zijn zoon [naam] en een aantal gelegaliseerde verklaringen van het Consulaat Generaal van Afghanistan in Nederland heeft overgelegd. Drie gemeenteambtenaren en twee politieambtenaren hebben vervolgens geconstateerd dat twee van de kinderen, [namen], aanzienlijk jonger oogden dan kon worden verwacht op basis van hun geboortedata als vermeld in het paspoort van de echtgenote van eiser, te weten respectievelijk "1990" en "1992". Op grond van die waarneming heeft verweerder geconcludeerd dat aan het overgelegde paspoort van de echtgenote van eiser, hoewel authentiek, geen gegevens kunnen worden ontleend met betrekking tot de geboortedata van [namen], zodat van eiser mocht worden verlangd dat hij aanvullende documenten zou overleggen. Verweerder heeft eiser in dat verband verzocht, ten bewijze van de geboortedata van de kinderen, de geboorteakten van [namen] over te leggen. Eiser heeft aan dat verzoek niet voldaan, zodat niet tot inschrijving kon worden overgegaan, aldus verweerder.

2.3 Eiser heeft in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de toetsing van de identiteit van [namen] reeds in het kader van de aanvraag van hun vergunningen tot verblijf in Nederland heeft plaatsgevonden door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie. De beide kinderen zijn vervolgens, mede op basis van die toetsing, in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf bij eiser. Deze vergunningen zijn geldig tot 13 augustus 2010. Verweerder kon gelet op het bestaan van deze vergunningen, waarin geboortedata zijn opgenomen, niet tot de conclusie komen dat aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder, nu eiser een paspoort heeft overgelegd, niet tevens van hem kon verlangen de geboorteaktes van de kinderen over te leggen. Verweerder had in plaats daarvan, gelet op de systematiek van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA), eiser in de gelegenheid moeten stellen een beëdigde verklaring omtrent de geboortedata van [namen] af te leggen. In dat verband heeft eiser nog gesteld dat het verkrijgen van geboorteaktes van de kinderen in Afghanistan niet mogelijk is, nu deze niet (meer) bestaan. De geboortedata in het paspoort van zijn echtgenote zijn slechts een schatting, aldus eiser.

2.4 Ingevolge artikel 24 van de Wet GBA geschiedt de inschrijving in een basisadministratie op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

2.5 Artikel 26 van de Wet GBA bepaalt:

1. Op grond van zijn aangifte van verblijf en adres wordt degene die niet in een basisadministratie is ingeschreven, naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit,

b. op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of

c. vreemdeling is en rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waar hij zijn adres heeft.

2.Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor de inschrijving. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de betrokkene alsnog op grond van zijn aangifte in te schrijven, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

3.Inschrijving geschiedt niet dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

2.6 Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA is degene die in persoon verschijnt bij het college van burgemeester en wethouders verplicht desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document over te leggen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht (WID). Ingevolge het tweede lid zijn ouders van minderjarigen met het oog op de vaststelling van de identiteit van de minderjarige desgevraagd verplicht deze te laten verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en een op de minderjarige betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid over te leggen.

2.7 Artikel 83, aanhef en onder e, van de Wet GBA bepaalt dat de beslissing van het college van burgemeester en wethouders om bij een in de basisadministratie opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of de strijdigheid van dat gegeven met de Nederlandse openbare orde te plaatsen, wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.8 Op grond van artikel 1 van de WID worden als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld aangewezen:

1. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g of tweede lid, van de Paspoortwet;

2. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;

3. [...]

2.9 Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw verschaft onze minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a, van die wet, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt

2.10 Ingevolge artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Vw, worden bij algemene maatregel van bestuur documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

2.11 Op grond van artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Vw, als document in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van die wet, aangewezen een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

Ingevolge het tweede lid wordt geen document, anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.12 Ingevolge de hiervoor genoemde bepaling van de WID dient de formele vaststelling van de identiteit te worden aangemerkt als eerste stap in de besluitvorming met betrekking tot inschrijving in de GBA . Eerst wanneer deze identiteit conform de WID formeel is vastgesteld, kan worden toegekomen aan de inschrijving. Aan de hand van één van de documenten die daarvoor ingevolge de WID geschikt zijn vindt alsdan -meestentijds wederom - beoordeling van de juistheid van de onderliggende gegevens plaats.

2.13 In de onderhavige zaak is ter staving van de identiteit van de in te schrijven kinderen geen identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de WID overgelegd. Niet is voorts gebleken dat daarnaar door verweerder is gevraagd. Het door eiser overgelegde authentiek bevonden paspoort van zijn echtgenote, dat door verweerder ter staving van de identiteit van de kinderen is gebruikt, kan, onweersproken, niet worden aangemerkt als een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de WID. Als zodanig kan daarentegen, gelet op artikel 1, eerste lid, tweede onderdeel, van de WID wel worden aangemerkt het zogenaamde "verblijfspasje", hetwelk de Staatssecretaris van Justitie, op grond van de bepalingen van de Vw en het Vb zoals hiervoor weergegeven, bij gelegenheid van de afgifte van de verblijfsvergunningen van de kinderen gehouden is geweest te verstrekken. Het had derhalve, gelet op artikel 1 van de WID, gelezen in samenhang met artikel 77 van de Wet GBA, op de weg van verweerder gelegen om naar dit identiteitsdocument te vragen.

2.14 Op verweerder rust voorts, ingevolge voormeld systeem van de WID in samenhang met de wet GBA, meer specifiek de bepalingen van paragraaf 2.1.2 van deze wet getiteld "De opneming van persoonsgegevens", een vergewisplicht ten aanzien van de juistheid van de op te nemen gegevens. Artikel 83, aanhef en onder e, van de wet GBA verwijst naar de mogelijkheid voor burgemeester en wethouders om gegevens ten aanzien waarvan de verdenking of de zekerheid bestaat dat deze onjuist zijn, of waarvan moet worden geconcludeerd dat deze strijd opleveren met de openbare orde, niettemin, doch met een aantekening van deze strekking, op te nemen in de basisadministratie. In casu is niet in geschil dat de geboortedata van de kinderen, 1 juli 1990 en 1 juli 1992, fictief zijn, zodat zeer waarschijnlijk sprake is van niet (geheel) juiste gegevens. Een aantekening terzake van de juistheid van die gegevens behoort, gelet op artikel 83, aanhef en onder e, van de wet GBA dan tot de mogelijkheden. De stelling van verweerder dat inschrijving niet mogelijk is treft derhalve geen doel.

2.15 Ten overvloede want in deze procedure niet (rechtstreeks) aan de orde stelt de rechtbank vast dat de IND aan de kinderen op basis van de onderhavige gegevens een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft verleend. Voor het vervolg van de vreemdelingrechtelijke procedure, te weten ten behoeve van het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, is een bewijs van inschrijving in de GBA vereist. Hiermee is de beantwoording van de onderhavige rechtsvraag derhalve ook relevant voor de vreemdelingrechtelijke procedure.

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de weigering van verweerder om de kinderen van eiser in de GBA in te schrijven geen stand kan houden wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit zal daarom worden vernietigd, waarbij de rechtbank zal bepalen dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hetgeen overigens naar voren is gebracht behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.17 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt x € 322,- voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt x € 322 voor het verschijnen ter zitting). De rechtbank zal voorts bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt. De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in dit geding ad € 644,- te betalen door de gemeente Utrecht aan eiser,

3.5 bepaalt dat de gemeente Utrecht het door eiser betaalde griffierecht ad € 141,-- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens als voorzitter en mr. H. Gorter en mr. G. van Zeben als leden van de meervoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2007.

De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer:

mr. P. Ruitenberg mr. M.P. Gerrits-Janssens

(de griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen)

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.