Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB3793

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
16/710655-07 en 16/512832-05 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt schuldig bevonden aan diefstal van (onder meer) motorscooters in Duitsland. Diefstallen werden niet gepleegd als lid van een criminele organisatie. Geen sprake van een gestructureerd en bestendig, duurzaam samenwerkingsverband. Gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/710655-07 en 16/512832-05 (TUL)

Datum uitspraak: 18 september 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaken tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, De Liesbosch 100, Nieuwegein.

Raadsman: mr. P.G.M. Lodder.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank zijn op basis van het dossier ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten deelneming aan een criminele organisatie, de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

Blijkens de telefoontaps in het dossier heeft verdachte vooral in de maanden maart en april 2007 veelvuldig contact gehad met onder anderen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en in mindere mate met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. Niet alleen uit de taps, maar ook uit de verklaringen die [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en verdachte bij de politie hebben afgelegd, blijkt dat deze – gedeeltelijk minderjarige – jongens, maar ook andere jongens in wisselende samenstellingen veelvuldig naar Duitsland gingen om daar motorscooters te stelen. Om op deze motorscooters, die kunnen beschikken over een cilinderinhoud van 125 cc en soms 180 cc, te mogen rijden, dienen bestuurders achttien jaar te zijn en te beschikken over een rijbewijs.

De diefstallen van de motorscooters vonden plaats volgens een vast patroon.

Per keer gingen ongeveer vier of vijf personen met de trein of een auto en vanaf medio maart 2007 ook met de auto waarover verdachte beschikte, naar een grote stad in Duitsland. Voor het stelen van de scooters werd vanuit Nederland het daartoe benodigde gereedschap meegenomen, zoals klauwhamers, schroevendraaiers en zogenaamde ‘slotentrekkers’, ook wel ‘stoters’ genoemd.

Na het stelen van de scooters reden de jongens de scooters via de snelweg terug naar Nederland, niet zelden zonder een helm te dragen. In Nederland werden de kentekens, zijspiegels en eventuele kofferbakken van de scooters afgehaald, waarna de scooters ergens gestald werden. Soms werden de gestolen scooters doorverkocht, soms waren ze bestemd voor ‘eigen gebruik’.

Verdachte heeft bij de politie verklaard vanaf 2005 zes keer naar Duitsland te zijn geweest om scooters te stelen. Na het behalen van zijn rijbewijs is verdachte vanaf medio maart 2007 een paar keer met de auto van zijn moeder met verschillende jongens naar Duitsland gereden om scooters te stelen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat anderen hem vroegen om met de auto naar Duitsland te rijden en dat hij zelf bepaalde of en zo ja, wanneer en met wie hij met de auto naar Duitsland ging.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir betoogd dat onder meer op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte heeft deelgenomen aan een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen hem en onder andere [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. Volgens de officier van justitie had dit samenwerkingsverband het oogmerk om scooters te stelen.

De raadsman van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte weliswaar samen met andere jongens scooters in Duitsland heeft gestolen, maar dat sprake is geweest van toevallige groepssamenstellingen en dat uit het dossier niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake was van een gestructureerd en bestendig, duurzaam samenwerkingsverband.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de diefstallen van motorscooters in Duitsland zijn verricht in het kader van een zodanig gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat kan worden gesproken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De volgende overwegingen zijn daarbij van belang.

Vast is komen te staan dat er sprake was van een grotere groep jongens. Deze jongens kenden elkaar en reisden – in wisselende combinaties – regelmatig naar Duitsland om daar motorscooters te stelen en om deze in Nederland geheel of gedeeltelijk te verkopen dan wel zelf te gebruiken.

De omstandigheden dat

- de jongens elkaar kenden,

- er jongens waren die veel wisten over het stelen van scooters in Duitsland, en

- de scooterdiefstallen in Duitsland volgens een bepaald patroon verliepen,

kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat gesproken kan worden van een criminele organisatie.

Daartoe is volgens de rechtbank immers ook vereist dat de samenwerking tussen de deelnemers van de organisatie beheerst werd door onderlinge afspraken.

De rechtbank is echter onvoldoende gebleken van afspraken, waaronder ook begrepen stilzwijgende afspraken, tussen de verschillende jongens betreffende zaken als wie met welke taak mee zou gaan naar Duitsland, wie de scooters in Duitsland zou openbreken, wie daarmee via welke route terug zou rijden naar Nederland en wie op welke manier zorg zou dragen voor een verdere afhandeling van de motorscooters.

Zover het zich laat aanzien waren de tochten naar Duitsland in aanzienlijke mate afhankelijk van individuele initiatieven. In ieder geval lijkt de samenstelling van de groepjes jongens die naar Duitsland gingen het gevolg van incidentele omstandigheden, zoals wie er toevallig zin had om mee te gaan. Het feit dat verdachte kon bepalen wie hij wel of niet in de auto wilde hebben voor een tocht naar Duitsland, doet daar als zodanig niet aan af. Overigens was men voor het vervoer naar Duitsland ook niet afhankelijk van de bereidheid van verdachte om te rijden, aangezien men ook met de trein kon gaan, hetgeen ook daadwerkelijk gebeurde.

Bovendien was het benodigde gereedschap makkelijk verkrijgbaar of, in het geval van een slotentrekker, bij verschillende personen te lenen.

Nu onvoldoende is komen vast te staan dat afspraken over voornoemde aangelegenheden de samenwerking tussen de verschillende jongens beheersten, kan niet worden gesteld dat sprake is geweest van een zodanig gestructureerde samenwerking op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte moet dan ook van het onder 1 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten als volgt heeft begaan.

2.

hij op 26 maart 2007 te Bunnik, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een auto (voorzien van kenteken [kenteken) heeft weggenomen

een Tom-Tom Navigatiesysteem (kleur zilver), toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn

bereik heeft gebracht door het (rechter)(voor)portierraam in te

tikken;

3.

hij op 29 april 2007 te Wuppertal, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (motor)scooter (merk Piaggio Gilera 125cc, voorzien van kenteken [Kenteken],

toebehorende aan, [slachtoffer 2] ;

4.

hij op 29 april 2007 te Wuppertal, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een (oranje) (motor)scooter (Piaggio Typhoon, voorzien van kenteken [kenteken]),

toebehorende aan [slachtoffer 3];

5.

hij op 04 mei 2007 te Keulen, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een (motor)scooter ( merk Piaggio Gilera, voorzien van kenteken [kenteken], toebehorende aan [slachtoffer 4], ;

6.

hij op 04 mei 2007 te Keulen, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

(zwarte)(motor)scooter (Piaggio voorzien van kenteken [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 5],

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de aangifte van [slachtoffer 1] .

Aangever heeft verklaard dat op 26 maart 2007 te Bunnik de ruit van het rechtervoorportier van zijn auto met kenteken [kenteken] is ingeslagen en uit zijn auto een zilverkleurige TomTom is weggenomen.

Verdachte heeft ter zitting bekend de ruit te hebben ingetikt en de TomTom te hebben weggenomen uit de auto.

Ten aanzien van feiten 3 en 4:

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de verklaring van [medeverdachte 1] en een getapt telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 4] op 29 april 2007 om 06.30 uur .

Ten aanzien van feit 3 grondt de rechtbank de bewezenverklaring ook op de vertaling van de aangifte van [slachtoffer 2] en de aanvulling daarop . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zijn motorscooter, een blauwe Piaggio met kenteken [Kenteken], tussen 27 april en 1 mei 2007 op de Bahnstrasse in Wuppertal, Duitsland, is gestolen.

Feit 4 acht de rechtbank voorts bewezen op grond van de vertaling van de aangifte van [slachtoffer 3] . De motorscooter van [slachtoffer 3], een oranje Piaggio Typhoon met kenteken [kenteken], is op de Thorner Strasse in Wuppertal gestolen op 29 april 2007.

Zowel verdachte als [medeverdachte 1] hebben verklaard dat zij samen met [medeverdachte 6] met de auto van de moeder van verdachte op 28 april 2007 naar Wuppertal zijn gereden.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] in Wuppertal in de nacht van 29 april 2007 een tweetal scooters, een zwart/blauwe en een oranje Piaggio, hebben gestolen.

[medeverdachte 1] daarentegen heeft verklaard dat [medeverdachte 6] en verdachte deze scooters hebben gestolen. Zowel verdachte als [medeverdachte 1] hebben verklaard dat verdachte met de auto terug is gereden naar Nederland en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] met de scooters terug zijn gegaan. Bij de Duits-Nederlandse grensovergang hebben de drie jongens elkaar weer ontmoet en zijn er foto’s van de scooters gemaakt.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte hooguit medeplichtig is geweest aan de diefstal van de twee scooters in Wuppertal.

De rechtbank is van oordeel dat niet precies is vast te stellen wie de twee scooters in Wuppertal hebben gestolen. Daarentegen is de rechtbank van oordeel dat tussen verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] een bewuste samenwerking bestond die gericht was op het stelen van scooters. Verdachte wist immers dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] naar Duitsland reed om daar scooters te stelen.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de diefstal van de scooters. Verdachte is immers, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, op de plekken aanwezig geweest waar de scooters zijn gestolen. Verder heeft verdachte in voornoemd telefoongesprek met [medeverdachte 4] op 29 april 2007 om 06.30 uur verteld dat hij twee scooters had. Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij hierbij doelde op de twee scooters die kort daarvoor in Wuppertal gestolen waren.

De rechtbank is op grond van deze omstandigheden van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van twee scooters in Wuppertal verder gaat dan medeplichtigheid en acht verdachte mede schuldig aan deze twee scooterdiefstallen.

Ten aanzien van feiten 5 en 6:

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de vertalingen van de aangiften van [slachtoffer 4] ten aanzien van feit 5 en van [slachtoffer 5] ten aanzien van feit 6.

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zijn motorscooter, een zilverkleurige Piaggio met het kenteken [kenteken], op 4 mei 2007 is gestolen uit een fietsenstalling in Keulen.

Ook de motorscooter van [slachtoffer 5], een zwarte Piaggio met het kenteken [kenteken], is op 4 mei 2007 uit een fietsenstalling in Keulen gestolen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 4 mei 2007 met [medeverdachte 1] en twee vrienden van [medeverdachte 1] met de auto van zijn moeder naar Keulen is gereden om daar scooters te stelen. In een fietsenstalling langs een snelweg bij Keulen heeft verdachte het slot uit een zwarte motorscooter getrokken en is vervolgens met deze scooter weggelopen. [medeverdachte 1] heeft volgens verdachte de zilverkleurige scooter in dezelfde fietsenstalling gestolen. Verdachte is vervolgens met de auto naar de Gageldijk in Utrecht gereden, waar ook de twee scooters heen werden gereden. Op de Gageldijk zijn de spiegels, windschermen en kentekens van de scooters verwijderd.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verklaring van verdachte vast is komen te staan dat hij samen met [medeverdachte 1] en zijn twee vrienden twee scooters uit een fietsenstalling in Keulen heeft gestolen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal waarbij de schuldig het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van feiten 3, 4, 5 en 6:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking genomen:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en naar voren is gekomen uit het uittreksel justitiële documentatie van 12 mei 2007, het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland van 28 augustus 2007 en de rapportage van Bureau Jeugdzorg Utrecht van 26 juli 2007;

- het pleidooi van de raadsman;

- en de vordering van de officier van justitie om bij bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek en waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt deelname aan een behandeling bij De Waag.

De officier van justitie heeft bij zijn vordering aangevoerd dat slechts een beperkt deel van de duur van de gevorderde gevangenisstraf gegrond is op een eventuele bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit en de vordering primair onderbouwd is met de maatstaf van twee maanden gevangenisstraf per bewezenverklaarde scooterdiefstal.

De officier van justitie heeft ook de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de officier van justitie de ten uitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke jeugddetentie die op 10 februari 2006 door de kinderrechter te Utrecht is opgelegd aan verdachte.

Ten aanzien van de straf:

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat de ad informandum gevoegde strafbare feiten ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank worden gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met die feiten rekening houdt.

Nu verdachte de feiten heeft bekend, zal de rechtbank rekening houden met drie ad informandum gevoegde feiten, zoals vermeld op blad 3 in bijlage I. Kort gezegd betreft het drie diefstallen in vereniging en door middel van braak of verbreking.

Ten aanzien van de strafmaat overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Verdachte heeft zich in minder dan twee maanden tijd samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal van in totaal zeven motorscooters in Duitsland. Het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee verdachte deze brutale en – letterlijk – grensoverschrijdende delicten heeft begaan verontrust de rechtbank in hoge mate. De rechtbank kan zich, mede gelet op de inhoud van de vele telefoontaps die zich in het dossier bevinden, niet aan de indruk onttrekken dat de diefstallen van scooters in Duitsland een belangrijk deel uitmaakten van het leven van verdachte.

Verdachte heeft zich bij het plegen van de delicten enkel en alleen laten leiden door zijn eigen, niet geheel duidelijk geworden redenen en zich totaal niet bekommerd om de materiële schade, de overlast en het ongemak die de vermogensdelicten veroorzaakt hebben.

De grote aantallen diefstallen van motorscooters in Duitsland en de gevaarlijke verkeerssituaties die zowel op de rijksweg A12 als in de stad Utrecht ontstonden door jongeren die met grote snelheden en soms zonder helm op motorscooters reden, hebben zowel in Duitsland als in Nederland voor veel maatschappelijke onrust en verontwaardiging gezorgd. De rechtbank houdt verdachte hier mede verantwoordelijk voor.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de eerdere veroordelingen van verdachte voor vermogensdelicten, acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Vanuit het oogpunt van specifieke recidivepreventie zal de rechtbank een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Vanwege de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit zal de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf korter zijn dan door de officier van justitie gevorderd is. Gelet op de vanzelfsprekendheid waarmee verdachte de delicten heeft begaan en de aanwezige kans op recidive, acht de rechtbank het passend en geboden om een langere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Zowel Bureau Jeugdzorg als de Reclassering Nederland hebben geadviseerd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk gevangenisstraf verplicht reclasseringstoezicht op te leggen, waarbij de Reclassering Nederland ook heeft geadviseerd verdachte een behandeling bij De Waag te laten volgen. De rechtbank zal deze adviezen volgen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1072,05 wegens materiële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De materiële schade wordt begroot op € 908,87. Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, bestaande uit de BTW-kosten van zowel het TomTom-navigatiesysteem als de schadeherstelling, zal de rechtbank afwijzen nu niet is vast komen te staan dat deze BTW-kosten als schade zijn aan te merken. De BTW-kosten zijn immers terug te vorderen door de besloten vennootschap van de benadeelde partij.

De vordering zal daarom tot een bedrag van € 908,87 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling:

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 februari 2006 is de verdachte veroordeeld tot onder meer jeugddetentie voor de tijd van één maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 25 februari 2006.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke jeugddetentie wordt gelast.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, te weten de hiervoor onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke jeugddetentie van

1 (één) maand gelasten.

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het beslag:

De rechtbank heeft in het dossier geen beslaglijst aangetroffen. Om deze reden is bij de hieronder genoemde in beslag genomen voorwerpen verwezen naar de processen-verbaal van de doorzoekingen die hebben plaatsgevonden.

Verbeurdverklaring:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp dat aan verdachte toebehoort, te weten een slotentrekker (zie pag. 33 onder 8 van PV nr. PL0960/07-005540), zal verbeurd worden verklaard, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 5 en 6 bewezenverklaarde is begaan.

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, te weten een aantal onderdelen van (motor)scooters (zie pag. 36 van PV nr. PL0960/07-005540), bestaande uit:

- een frame;

- drie kuipen;

- een uitlaat;

- een voorvork;

- een borgring inclusief borgbout;

- en een kunststof kap;

zullen worden verbeurd verklaard, aangezien deze voorwerpen door middel van de onder 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde feiten zijn verkregen.

Teruggave:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten (zie pag. 33 van PV nr. PL0960/07-005540):

- een computerkast, merk HP evo 310 (onder 1);

- een mobiele telefoon merk Samsung (onder 2);

- een Flash disk, 512 mb (onder 3);

- vijf brieven van [..8..] (onder 4);

- een brief van [medeverdachte 2] (onder 5);

- een sleutel van een Piaggio (onder 6);

- en diverse bescheiden van mobiele telefoons (onder 7);

zal de rechtbank, voor zover de voorwerpen nog niet zijn geretourneerd, de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een personenauto, merk Peugeot, kleur blauw, voorzien van kenteken [..] (onder 9 op pag. 33 van PV nr. PL0960/07-005540), acht de rechtbank [moeder], de moeder van verdachte, degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal gelasten dat dit voorwerp, indien nog niet geretourneerd, aan genoemde persoon wordt teruggegeven.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds vermelde wetsartikel zijn de op te leggen straffen en maatregel voorts gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36f, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht en ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag, met opdracht aan de Reclassering Nederland de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 908,87 (zegge negenhonderdacht euro en zevenentachtig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 908,87 (zegge negenhonderdacht euro en zevenentachtig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 (achttien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Verklaart verbeurd:

- een slotentrekker;

- een frame;

- drie kuipen;

- een uitlaat;

- een voorvork;

- een borgring inclusief borgbout;

- en een kunststof kap.

Gelast de teruggave van aan verdachte van:

- een computerkast, merk HP evo 310;

- een mobiele telefoon merk Samsung;

- een Flash disk, 512 mb;

- vijf brieven van [medeverdachte 6];

- een brief van [medeverdachte 2];

- een sleutel van een Piaggio;

- en diverse bescheiden van mobiele telefoons.

Gelast de teruggave van een personenauto, merk Peugeot, kleur blauw, voorzien van kenteken [kenteken], aan [moeder], de moeder van verdachte.

Ten aanzien van parketnummer 16/512832-05:

Gelast de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie, groot 1 (één) maand, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 10 februari 2006.

Dit vonnis is gewezen door mrs J.M. Bruins, J.E. Kruijff-Bronsing en S. Bouwman, bijgestaan door mr M.A. Visser als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2007.