Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB3720

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
SBR 06-1522
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onregelmatigheden in bekostiging hoger onderwijs instelling. Ten onrechte buitenlandse studenten ingeschreven en voor bekostiging in aanmerking gebracht . O&O carrousel. Terugvordering rijksbijdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/1522

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2007

inzake

het college van bestuur van de Stichting Hogeschool van Utrecht (HvU),

gevestigd te Utrecht,

eiser,

tegen

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2006 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 december 2004 (kenmerk: CFI/BVH-2004/122507M) gegrond heeft verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen de terugvordering van de rijksbijdrage die is gemoeid met de in het besluit als 'overige 12 O&O-trajecten' aangeduide opleidingen en voor het overige ongegrond heeft verklaard.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 5 december 2006, waar namens eiser zijn verschenen mrs. M.R. Ruygvoorn en S.J.Th. Homan, advocaten te Utrecht, alsmede drs. P. van Wijk en mr. M.P.I. van Leeuwen, beiden werkzaam bij de HvU.

Namens verweerder zijn verschenen mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag, en E.F.M. Manse en L.E. Smoor, werkzaam bij het Ministerie van OCW.

1.3 De rechtbank heeft de behandeling van het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst, het geding met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en partijen bij brief van 6 februari 2007 om een nadere reactie verzocht.

Partijen hebben hun reacties aan de rechtbank doen toekomen.

1.4 Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 Naar aanleiding van signalen over mogelijke onregelmatigheden over de bekostiging van instellingen in het hoger onderwijs heeft de toenmalige minister van OCW in november 2001 de accountantsdienst van het ministerie van OCW opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren bij een aantal HBO-instellingen. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de minister van OCW mede namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV), het zogeheten 'Zelfreinigend Onderzoek'(ZRO), uitgevoerd bij alle instellingen in onder meer het hoger onderwijs (HBO), wetenschappelijk onderwijs (WO) en de volwasseneducatie (BVE), inclusief de instellingen voor landbouwonderwijs, teneinde inzicht te verkrijgen in de wijze van omgang van de instellingen met de bekostigingsregels. In het kader van dit onderzoek zijn door de onderwijsinstellingen vragenlijsten ingevuld over de handelwijze van de instellingen ten aanzien van bekostigingsregels. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Ruimte voor Rekenschap" (eindrapport Zelfreinigend onderzoek naar de handelwijzen van onderwijsinstellingen ten aanzien van de bekostigingsregels in de BVE, HBO en WO sector) dat bij brief van 13 december 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Naar aanleiding van dit onderzoek hebben de Minister en de Staatssecretaris op 2 mei 2003 opdracht gegeven aan de daartoe ingestelde Commissie Vervolgonderzoek Rekenschap (hierna: Commissie Schutte) een onderzoek uit te voeren naar onregelmatigheden in de bekostiging van het hoger onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.

De commissie Schutte heeft als eerste onderzocht of de naar aanleiding van het zelfreinigend onderzoek als 'oranje' gekwalificeerde handelwijzen, zijnde handelwijzen waarvan in het zelfreinigend onderzoek niet kon worden vastgesteld of zij in strijd zijn met de wet, zijn aan te duiden als 'rood' (in strijd met de wet) of 'groen' (niet in strijd met de wet). Vervolgens heeft de commissie Schutte onderzoek gedaan naar de vraag of bij de instellingen van WO, HBO en BVE in de periode 1996 tot 2002 handelwijzen zijn voorgekomen die in strijd zijn met de bedoeling van de wet. De commissie Schutte heeft dit vervolgonderzoek laten uitvoeren door onder meer Deloitte Accountants en de Projectorganisatie Overheidsaccountants. Voor dit vervolgonderzoek zijn de zowel naar aanleiding van het zelfreinigend onderzoek als door de commissie Schutte als 'rood' gekwalificeerde handelwijzen het uitgangspunt geweest.

Bij brief van 1 april 2004 heeft de toenmalige staatssecretaris van OCW mede namens de minister van LNV het eindrapport van de commissie Schutte aangeboden aan de Tweede Kamer, waarin de bevindingen en uitkomsten zijn weergegeven van het Vervolgonderzoek Rekenschap (het rapport 'Eerlijk delen, Onderzoek naar onregelmatigheden in de bekostiging van het hoger onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs van 1 april 2004) (Kamerstukken II 2003-2004, 28248, nr. 47).

2.2 Op 27 februari 2004 heeft Deloitte Accountants in opdracht van de commissie Schutte het rapport van bevindingen uitgebracht over mogelijke onregelmatigheden bij de hantering van de bekostigingsregels door eiser, nadat zij in de gelegenheid was gesteld op het concept te reageren.

2.3 Bij brief van 4 maart 2004 heeft de commissie Schutte haar voorlopig oordeel kenbaar gemaakt. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, van welke gelegenheid eiser gebruik heeft gemaakt.

Vervolgens heeft de commissie Schutte op 1 april 2004 haar definitief oordeel over de bevindingen van het Vervolgonderzoek Rekenschap aan eiser kenbaar gemaakt. De commissie Schutte heeft daarin geconcludeerd dat bij drie casus onregelmatigheden hebben plaatsgevonden: 1) studenten van buitenlandse partneruniversiteiten die een programma volgden bij de afdeling Utrecht Business School (UBS) zijn ten onrechte voor bekostiging in aanmerking gebracht, 2) Belgische studenten zijn in het kader van fase 1 van de zogenaamde O&O carrousel ten onrechte voor bekostiging in aanmerking gebracht en 3) de HvU heeft ten onrechte studenten verkorte voorgeprogrammeerde programma's aangeboden, voor de tweejarige opleiding Kort-HBO Bedrijfskader ingeschreven en voor bekostiging in aanmerking gebracht.

2.4 Bij besluit van 15 december 2004 heeft verweerder, mede gelet op de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rijksbijdragen voor eiser over de jaren 2000 tot en met 2003 herzien en de rijksbijdragen over die jaren voor een bedrag van in totaal € 10.269.643,- lager vastgesteld en bepaald dat dit bedrag wordt verrekend met de te ontvangen rijksbijdrage voor 2005. Verweerder heeft daarbij overwogen dat ten aanzien van casus 1 studenten van buitenlandse partneruniversiteiten ten onrechte voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht. Ten aanzien van casus 2 zijn ten onrechte Belgische studenten in het kader van fase 1 van de zogenaamde Opleiding en Ontwikkeling Breda B.V. (O&O) carrousel ingeschreven voor de opleiding Kort-HBO Bedrijfskader. Ten aanzien van casus 3 zijn in samenwerking met O&O verkorte voorgestructureerde opleidingen tot (Directie/Register-) Management Assistent aangeboden en zijn de betreffende studenten ten onrechte ingeschreven bij de opleiding Kort-HBO Bedrijfskader en voor bekostiging in aanmerking gebracht. Daarnaast zijn in samenwerking met O&O nog een 12-tal andere verkorte voorgestructureerde opleidingen verzorgd waarvoor de betreffende studenten eveneens ten onrechte zijn ingeschreven bij de opleiding Kort-HBO Bedrijfskader en voor bekostiging in aanmerking gebracht.

2.5 Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover het de casus 2 en 3 en de daaruit voortvloeiende terugvordering betreft (€ 10.231.860,-). Na behandeling van het bezwaar op de hoorzitting van 30 november 2005 heeft de Commissie voor bezwaarschriften van het ministerie van OCW verweerder op 3 februari 2006 van advies gediend.

2.6 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de Commissie voor bezwaarschriften overgenomen voor zover het gaat om de gegrondverklaring van het bezwaar tegen het onderdeel van het primaire besluit dat ziet op de herziening en terugvordering van de onder casus 3 als 'overige 12 O&O-trajecten' aangeduide opleidingen (onder het afzien van nader onderzoek en terugvordering van het corresponderende bedrag van € 2.489.580,-). Verweerder heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep tegen dit besluit ingesteld.

Standpunten van partijen

2.7 Naast zijn formele grieven ten aanzien van de wettelijke grondslag, heeft eiser - kort samengevat - ten aanzien van casus 2 en onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd, betoogd dat hij niet heeft deelgenomen aan de O&O carrousel en te allen tijde de bedoeling had binnen de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) te opereren. Eiser beschikt ten aanzien van de opleiding Kort-HBO Bedrijfskader over een CROHO-licentie en hij stelt daadwerkelijk initieel onderwijs te hebben aangeboden en feitelijke onderwijsinspanningen te hebben verricht. De wijze waarop het collegegeld is betaald acht hij in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7.37 van de WHW. Voorts betoogt eiser dat het geven van onderwijs in de vestigingsplaats van de onderwijsinstelling geen absolute voorwaarde voor het ontstaan van het recht op bekostiging is. Terugvordering is in strijd met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

Ten aanzien van casus 3 heeft eiser - naast het vorenstaande - betoogd dat er sprake is van variaties van een toegestane reguliere CROHO-opleiding.

Eiser acht verweerders besluit in strijd met het systeem van de WHW, artikel 4:49 van de Awb, artikel 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding), artikel 3:46 van de Awb (deugdelijke motivering), artikel 3:47, eerste lid, van de Awb (vermelding van de motivering) en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

2.8 Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich ten aanzien van de formele bezwaren van eiser onder meer op het standpunt gesteld dat de artikelen 4:49 en 4:57 van de Awb op het bestreden besluit van overeenkomstige toepassing zijn. Ten aanzien van casus 2 is verweerder van mening dat eiser bij de zogeheten 'O&O carrousel' betrokken was. Hoewel eisers beschikt over een CROHO-licentie is, gelet op de wijze waarop het opleidingstraject voor Vlaamse studenten is vormgegeven, sprake van een constructie. Verweerder heeft daartoe onder meer gewezen op de directe inschrijving in de hoofdfase van de opleiding, Kort-HBO Bedrijfskader, en de wijze van betaling (en hoogte) van de collegegelden. Het onderwijs werd niet verzorgd in Utrecht maar in België. Nu door eiser geen of nauwelijks onderwijsinspanningen zijn geleverd, stonden deze op geen enkele wijze in verhouding tot de voor de studenten verkregen bekostiging en moet worden geconcludeerd dat hier sprake is van oneigenlijke bekostigingsoptimalisering. Verweerder acht sprake van schijninschrijvingen die niet zijn aan te merken als rechtmatige inschrijvingen als bedoeld in artikel 7.32 van de WHW en die mitsdien geen bekostiging tot gevolg kunnen hebben. Voorts acht verweerder de constructie in strijd met een aantal door hem in het verweerschrift genoemde bepalingen van de WHW.

Verweerder heeft voorts, in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften, ten aanzien van casus 3 betoogd dat de in samenwerking met O&O aangeboden trajecten Management Assistent (MA), Directie Management Assistent (DMA) en Register Management Assistent (RMA) op grond van de WHW niet als initieel (bekostigd) onderwijs kunnen worden aangemerkt, maar voorgestructureerde programma's betreffen.

Toepasselijke wetgeving

2.9 Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten; of

c. (...).

Ingevolge artikel 4:57 van de Awb, voor zover hier van belang, kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder e, van de WHW, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet onder 'initieel onderwijs' verstaan: hoger onderwijs dat aansluit op de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Ingevolge het bepaalde onder m wordt onder 'opleiding' verstaan: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 van de WHW.

Ingevolge artikel 1.9, eerste lid van de WHW, voor zover hier van belang, hebben instellingen aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs.

Ingevolge artikel 2.9, vierde lid, van de WHW kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bepalen dat, indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.

Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de WHW, voor zover hier van belang, is het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (hierna: CROHO) een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden.

Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de WHW wordt het initiële onderwijs door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is een opleiding een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken.

Ingevolge het vierde (voorheen zesde) lid, voor zover hier van belang, wordt elke opleiding, geregistreerd in het CROHO.

Ingevolge artikel 7.8, van de WHW kent een opleiding een propedeutische fase.

Artikel 7.17 van de WHW luidt als volgt.

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, wordt het onderwijs, verzorgd door de bekostigde universiteiten en hogescholen, aangeboden in de gemeente waarin de instelling is gevestigd.

2. Indien een doelmatige spreiding van voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs zich daartegen niet verzet, staat Onze minister, na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, ten aanzien van één of meer opleidingen al dan niet voor een bepaalde periode, toe dat het onderwijs geheel of gedeeltelijk wordt gegeven buiten de gemeente van vestiging.

Artikel 7.30 van de WHW luidt als volgt.

1. Voor de inschrijving voor een opleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die opleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die opleiding en een of meer andere opleidingen gemeen hebben.

2. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.

3. Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

Ingevolge artikel 7.32, eerste lid, van de WHW dient ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven.

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 7.32, derde lid, in samenhang met artikel 7.3 van de WHW geschiedt de inschrijving voor een bepaalde in het CROHO geregistreerde opleiding.

Beoordeling van het geschil

2.10 De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen partijen is beperkt tot de casus 2 en 3. Casus 2 heeft betrekking op studenten die deel uitmaakten van de zogeheten O&O-carrousel. Casus 3 heeft, voor zover relevant, betrekking op de bekostiging van studenten die zijn ingeschreven bij de opleiding Kort-HBO Bedrijfskader voor de in samenwerking met O&O aangeboden verkorte voorgestructureerde deelprogramma's (Directie/Register-) Management Assistent.

2.11 Ten aanzien van de grondslag van het bestreden besluit overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 april 2007 (LJN: BA3189 en LJN: BA3216) dat uit de omstandigheid dat Titel 4 van de Awb vanaf 11 mei 2001 van overeenkomstige toepassing is op de bekostiging van het onderwijs volgt dat als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat ook de artikelen 4:49 en 4:57 van de Awb grondslag kunnen vormen voor de wijziging en terugvordering van een op grond van de Awb toegekende rijksbijdrage, omdat de wetgever met artikel 2.9, vierde lid, van de WHW niet heeft beoogd een uitputtende regeling te geven voor het wijzigen en terugvorderen van rijksbijdragen. Voordat de subsidietitel van de Awb op 11 mei 2001 van overeenkomstige toepassing werd op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek gold voor de bevoegdheid tot wijziging van bekostigingsbesluiten nog het in de rechtspraak ontwikkelde uitgangspunt dat het betrokken bestuursorgaan in beginsel niet de bevoegdheid kon worden ontzegd een begunstigende beschikking met terugwerkende kracht geheel of gedeeltelijk in te trekken indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. De toelaatbaarheid daarvan werd en wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel. Voor de terugvordering van de ten onrechte betaalde rijksbijdragen gold voor vermelde datum reeds het algemene, ook in het bestuursrecht geldende, rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd werd betaald, kan worden teruggevorderd. Voormelde titel, waaronder de artikelen 4:49 en 4:57 van de Awb, strekt tot codificatie van dit ongeschreven bestuursrecht en wijkt daarvan niet af. Artikel 2.9, vierde lid, van de WHW staat mitsdien niet in de weg aan wijziging en terugvordering van de desbetreffende rijksbijdragen.

2.12 De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid de rijksbijdragen heeft kunnen herzien en tot terugvordering van eiser van teveel ontvangen bekostiging over de betreffende jaren heeft kunnen overgaan.

Ten aanzien van casus 2

2.13 Voor de rechtbank is op grond van de gedingstukken, waaronder het rapport en de conclusie van de Commissie Schutte, in hun samenhang en onderling verband bezien, voldoende aannemelijk geworden dat de wijze waarop het opleidingstraject voor Belgische studenten inhoudelijk is vormgegeven en is uitgevoerd, objectief bezien, kan worden aangemerkt als een constructie die in zijn samenhang niet voldoet aan de bepalingen van de WHW. De betrokken studenten zijn hierdoor ten onrechte voor bekostiging in aanmerking gebracht.

2.14 Ten aanzien van eisers standpunt ten aanzien van artikel 7.17 van de WHW - onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 2 augustus 2006 - dat het territorialiteitsbeginsel niet van toepassing is, overweegt de rechtbank dat de WHW er weliswaar niet aan in de weg staat dat studenten een stage in het buitenland volgen dan wel dat studenten worden ingeschreven in een gevorderd studiejaar van een opleiding waarvan zij de voorgaande jaren aan een andere instelling hebben gevolgd, maar dat om in de bekostiging te kunnen worden meegenomen uitgangspunt wel dient te zijn dat de studenten geacht kunnen worden aan de betrokken instelling in de plaats van vestiging van de instelling te studeren. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 7.17 van de WHW, waarbij het gaat om doelmatige spreiding van onderwijsvoorzieningen binnen Nederland, er aan in de weg staat dat een volledige opleiding in het buitenland door O&O wordt verzorgd, zonder dat daar toestemming van de minister of staatssecretaris voor is gegeven, hetgeen hier het geval is.

2.15 De rechtbank overweegt dat eiser uitsluitend bekostiging kan ontvangen voor het verzorgen van initieel onderwijs. Initieel onderwijs moet worden aangeboden in de vorm van opleidingen, zijnde een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken.

De rechtbank acht genoegzaam aangetoond dat de studenten geen onderwijs hebben gevolgd aan eisers instelling, doch aan Belgische hogescholen waar zij ook waren ingeschreven. De door eiser verrichte onderwijsinspanningen, naar eiser stelt bestaande uit het door O&O namens en op kosten van eiser gegeven onderwijs, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden betiteld als het verzorgen van initieel onderwijs, zoals dit is vereist in artikel 7.3 van de WHW. De rechtbank heeft daartoe in aanmerking genomen dat de commissie Schutte tot de conclusie is gekomen dat de studenten geen onderwijs volgden in Nederland, dat ook niet beoogden en geen gebruik maakten van onderwijsvoorzieningen. Door eiser is in het geheel geen of een te verwaarlozen onderwijsinspanning geleverd en dit is door eiser, aldus de commissie, ook niet beoogd. Daarom is geen sprake van een door eisers instelling aangeboden opleiding.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om van deze conclusie af te wijken, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dan wel O&O in België - gelet op het bepaalde in artikel 7.3 van de WHW - objectief bezien onderwijsinspanningen heeft geleverd die kunnen worden aangemerkt als het verzorgen van initieel onderwijs als bedoeld in dit artikel.

Onder verwijzing naar hetgeen de Commissie voor de bezwaarschriften omtrent de geleverde onderwijsinspanningen heeft overwogen, merkt de rechtbank op dat het verzorgen van twee projectweken door O&O geenszins toereikend is om als een zodanige onderwijsinspanning te worden beschouwd.

2.16 De rechtbank is voorts van oordeel, gezien het vorenoverwogene, dat er sprake is geweest van schijninschrijvingen nu de studenten niet beoogden de opleiding Kort-HBO bedrijfskader te volgen. Daar komt bij dat de rechtbank, met verweerder, van oordeel is dat deze inschrijving in strijd met het bepaalde in artikel 7.30, eerste lid en tweede lid, van de WHW is geschied, nu de studenten niet beschikten over een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen. Voorts is vrijstelling verleend op grond van een graduaatsdiploma dat de studenten eerst op een later tijdstip mogelijk zouden kunnen behalen en dat zij dus (nog) niet konden overleggen. Ten onrechte is dus vrijstelling verleend in verband met een gelijkwaardig diploma. De rechtbank acht die inschrijvingen mitsdien niet rechtmatig.

2.17 Reeds om bovenstaande redenen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder deze studenten ten onrechte voor bekostiging in aanmerking heeft gebracht.

Hetgeen overigens door eiser in beroep ten aanzien van casus 2 is aangevoerd behoeft, gelet daarop, geen bespreking meer.

Ten aanzien van casus 3

2.18 Onder verwijzing naar de voornoemde uitspraken van de ABRvS van 18 april 2007, overweegt de rechtbank dat in artikel 1.9, eerste lid, van de WHW is bepaald dat instellingen voor het verzorgen van initieel onderwijs bekostiging ontvangen uit 's Rijks kas. Initieel onderwijs wordt ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de WHW aangeboden in de vorm van opleidingen, een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken en die ingevolge artikel 7.8, van de WHW een propedeutische fase kennen. Hieruit volgt dat slechts sprake is van initieel onderwijs wanneer sprake is van een samenhangend geheel van onderwijseenheden, waarvan de propedeuse onderdeel uitmaakt. Slechts studenten die initieel onderwijs volgen, mogen voor bekostiging in aanmerking worden gebracht.

2.19 De rechtbank stelt, gelet op de nader ingediende reacties van partijen, vast dat nu eiser afziet van de bekostiging van een groep van 12 studenten die slechts een jaar bij eiser stonden ingeschreven, nog slechts de bekostiging van 34 studenten in geding is, voor zover althans aan deze 34 studenten het door eiser gestelde onderwijs is aangeboden.

2.20 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen, gelet op de uitspraken van de ABRvS van 18 april 2007, de in samenwerking met O&O aangeboden trajecten MA, DMA en RMA niet op grond van de WHW als initieel bekostigd onderwijs worden aangemerkt, aangezien het hier niet handelt om een samenhangend geheel van onderwijseenheden waarvan de propedeuse onderdeel uitmaakt.

Nu de desbetreffende studenten geen opleiding als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van de WHW volgden, maar voorgestructureerde deelprogramma's van een door eiser in samenwerking met O&O aangeboden traject, had eiser deze studenten dan ook niet voor bekostiging in aanmerking mogen brengen.

Met verweerder in zijn reactie van 16 mei 2007 is de rechtbank voorts van oordeel dat eventuele onduidelijkheid met betrekking tot de vraag of de studenten in Utrecht onderwijs volgden, gelet op het systeem van de WHW, in de risicosfeer van eiser ligt.

Eindconclusie

2.21 Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de wijze waarop de inschrijving van de studenten tot stand is gekomen, sprake van feiten of omstandigheden op grond waarvan de rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld, ware zij verweerder bekend geweest. Verweerder heeft in redelijkheid met toepassing van de artikelen 4:49 en 4:57 van de Awb dan wel met gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering, de onderhavige rijksbijdragen kunnen herzien en de door eiser teveel ontvangen bekostiging over de betreffende jaren kunnen terugvorderen. Van onevenredigheid is de rechtbank daarbij niet gebleken.

2.22 Ook in hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit rechtens onjuist te achten. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk, als voorzitter en mrs. M.P. Gerrits-Janssens en G. van Zeben als leden en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2007.

De griffier: De voorzitter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. D.A.J. Overdijk

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.