Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB3712

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
16/600517-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder algemene en bijzondere voorwaarden,

voor poging tot zware mishandeling, bedreiging met zware mishandeling, mishandeling, meermalen gepleegd en diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen (gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600517-07

Datum uitspraak: 4 september 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te [verblijfplaats].

Raadsvrouwe: mr. M. Tijseling.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 augustus 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 21 augustus 2007 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende bewijsoverwegingen, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0913/07-007555 met bijlagen, dat is opgemaakt door [D], brigadier van politie en [E], aspirant van politie.

Overweging ten aanzien van feit 1 subsidiair:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 mei 2007 te Utrecht zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [aangeefster A]. De rechtbank leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden.

In het proces-verbaal van aangifte (pagina 25) heeft [aangeefster A] onder meer verklaard dat zij een paar harde klappen tegen haar zij voelde en dat er met een hard voorwerp in haar rechter zij werd geslagen. Zij viel op de grond en zag dat verdachte naast haar stond en in zijn hand een gekruld fietsslot had. Ook voelde zij dat hij met zijn been in haar zij schopte en met zijn vuist op haar hoofd sloeg. De medische verklaring betreffende aangeefster, opgesteld door A.R. de Voogd, arts-assistent SEH, bevestigt dat er sprake is van een fractuur van de 7e rib rechts. Onafhankelijke getuigen als [F] (pagina 45-46) en [G] (pagina 47-48) hebben eveneens verklaard overeenkomstig het verhaal van de aangeefster dat aangeefster op de grond lag en door de schoppen geraakt werd ter hoogte van haar maag.

Overweging ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 mei 2007 te Utrecht zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling van [aangever B] door dreigend met een fietsslot een zwaaiende en slaande beweging in zijn richting te maken. In het proces verbaal van aangifte heeft [aangever B] (pagina 32) verklaard te hebben gezien dat verdachte met het slot een slaande beweging zijn kant op maakte. Ook [getuige G] (pagina 47) heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een fietsketting van de fiets haalde en hiermee om zich heen begon te zwaaien. Tot slot heeft ook verdachte zelf erkend met het kettingslot naar de aangever te hebben gezwaaid (pagina 41).

Overweging ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte eveneens op 7 mei 2007 te Utrecht zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangeefster C] en [aangever B] door hen in het gezicht te slaan. In het proces-verbaal van aangifte heeft [aangeefster C] verklaard dat zij voelde dat verdachte met zijn rechterhand haar op haar linker gezichtszijde raakte en dat zij daar direct een lichte pijnscheut voelde. [Aangever B] (pagina 32) heeft ook verklaard dat hij voelde dat verdachte hem een klap gaf in het gelaat met zijn rechter vlakke hand. Uit de toevoegingen van de aangever dat deze klap “niet echt veel pijn” veroorzaakte maakt de rechtbank, anders dan de raadsvrouwe, op dat de aangever door de klap wel enige pijn heeft geleden zodat van “mishandeling” sprake is. het terzake gevoerde verweer wordt mitsdien verworpen. Deze aangiften worden bevestigd door [getuige G] (pagina 47) die heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte de vrouw, [aangeefster C], met gebalde vuist een stomp in haar gezicht gaf en dat ook de man, [aangever B], van verdachte een vuistslag in zijn gezicht kreeg.

Overweging ten aanzien van feit 4 primair:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 april 2007 te Utrecht zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen [aangeefster A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren.

Ter terechtzitting heeft verdachte de geweldshandelingen bekend. In zijn verklaring ten overstaan van de politie heeft verdachte bekend de buiktas te hebben afgepakt (pagina 71).

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit feit op grond van deze verklaringen van verdachte, in samenhang bezien met het proces-verbaal van aangifte (pagina 64) waarin de [aangeefster A] onder meer heeft verklaard dat verdachte haar buideltas van haar lichaam afrukte.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 2:

bedreiging met zware mishandeling.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 3:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 4 primair:

diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat het ad informandum gevoegde strafbare feit ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank wordt gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met dat feit rekening houdt.

Nu verdachte het feit heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met het ad informandum gevoegde feit, zoals vermeld op blad 4 in bijlage IV, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 7 mei 2007 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn voormalige vriendin [aangeefster A] door haar met een fietsslot/ kabelslot tegen haar hoofd te slaan, en - terwijl zij op de grond was gevallen- tegen haar lichaam te trappen en tegen haar hoofd te slaan. Dit heeft verdachte gedaan nadat hij vooraf samen met haar drugs had gebruikt. [Aangeefster A] heeft tengevolge daarvan letsel, te weten een gebroken rib, opgelopen.

De poging tot zware mishandeling waarvan hier sprake is, heeft bij [aangeefster A] geleid tot gevoelens van onveiligheid en onrust, zoals ook uit het dossier is gebleken. Een en ander getuigt van een totaal gebrek aan respect van verdachte voor de gevoelens en lichamelijke integriteit van bovengenoemd slachtoffer. Dit feit speelde zich af op de openbare weg, waardoor toevallige voorbijgangers geconfronteerd zijn met deze ook voor het algemeen gevoel van veiligheid ernstig verontrustende handelingen. Twee voorbijgangers, te weten aangevers [B] en [C], zijn op verdachte afgestapt om verdachte te laten stoppen met dit geweld. Echter, ook zij zijn op hun beurt in het gezicht geslagen door verdachte. Tevens heeft verdachte [aangever B] bedreigd door met een kabelslot/ fietsslot slaande bewegingen zijn kant op te maken.

Voorts heeft verdachte zich ook op een eerder tijdstip schuldig gemaakt aan een agressiedelict, te weten diefstal met geweld, tegen zijn voormalige vriendin [aangeefster A]. Verdachte heeft op 25 april 2007 onverhoeds haar buideltas met inhoud van haar lichaam afgerukt en haar geslagen in haar gezicht en getrapt in de rug. Verdachte heeft haar vervolgens, toen hij haar op de grond had gegooid, gebeten in het gezicht en aan haar haren getrokken. Door zo te handelen heeft verdachte ook hier niet alleen de lichamelijke integriteit van [aangeefster A] geschonden, maar haar ook veel angst aangejaagd hetgeen- zo is algemeen bekend- het functioneren in het dagelijkse leven in negatieve zin zeer kan beïnvloeden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 mei 2007, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen eerder is veroordeeld;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van Centrum Maliebaan d.d. 6 augustus 2007, opgemaakt door L. Boelstra, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 21 juni 2007 van M.L.I.M. van Thiel, psychiater, inhoudende als conclusie dat verdachte toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten en het ad informandum gevoegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt een behandeling bij Stichting Horeb te Beekbergen, onderdeel van de Verslavingskliniek De Hoop.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster A]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten.

De vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Daarom zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 285, 300, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 (NEGEN) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens het Centrum Maliebaan te geven aanwijzingen, ook als die inhouden een behandeling bij Stichting Horeb te Beekbergen, onderdeel van de Verslavingskliniek De Hoop, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [aangeefster A] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mrs. J.R. Krol en Y.A.T. Kruijer, bijgestaan door mr. V. Soeteman als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2007.

Mr Y.A.T. Kruijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.