Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1873

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
06-09-2007
Zaaknummer
175666/ HAZA 04-698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst. Bereddingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2007, 54

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 175666 / HA ZA 04-698

Vonnis van 15 augustus 2007

in de zaak van

de vereniging

STAEDION,

gevestigd te 's Gravenhage,

eiseres,

procureur mr. B.F. Keulen,

tegen

de naamloze vennootschap

AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna Staedion en Axa genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure na het tussenvonnis van 26 mei 2004 blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 6 juli 2004, en de ter gelegenheid van de comparitie overgelegde stukken;

- de conclusie van repliek, tevens vermeerdering van eis;

- de conclusie van dupliek;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Staedion is de rechtsopvolger van woningbouwvereniging De Goede Woning. Staedion is in december 1999 voortgekomen uit een fusie tussen drie woningbouwverenigingen, te weten: Algemene Woningbouwvereniging (hierna: AWV), Christelijke Woningbouwvereniging Patrimonium en De Goede Woning.

2.2. Staedion, voorheen De Goede Woning, heeft een verzekeringsovereenkomst tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid afgesloten met (een rechtsvoorgangster van) Axa. Op deze verzekeringsovereenkomst zijn de algemene voorwaarden “Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven en beroepen CMA97” van toepassing.

In deze algemene voorwaarden zijn, voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

(…)

1.7 Kosten van beredding

Kosten verbonden aan maatregelen, die tijdens de geldigheidsduur van de verzekering door of vanwege een verzekerde worden getroffen en redelijkerwijs geboden zijn om het onmiddellijk dreigend gevaar van schade af te wenden, waarvoor – indien gevallen – een verzekerde aansprakelijk zou zijn en deze verzekering dekking biedt, of om die schade te beperken;

(…)

1.10 Milieu-aantasting

De uitstoot, lozing, doorsijpeling, loslating of ontsnapping van enige vloeibare, vaste of gasvormige stof, voorzover die een prikkelende of besmetting of bederf veroorzakende of een verontreinigende werking heeft in of op de bodem, de lucht, het oppervlaktewater of enig(e) al dan niet ondergronds(e) water(gang);

(…)

1.13 Schade

a. Personenschade

letsel of aantasting van de gezondheid van personen, al dan niet de dood ten gevolge hebbende, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade;

b. Zaakschade

materiële aantasting in de vorm van beschadiging, vernietiging, vermissing of verdwijning alsmede verontreiniging of vuil worden van zaken van derden, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade;

(…)

Artikel 2 Dekking

2.1 Omschrijving van de dekking

Verzekerd is de aansprakelijkheid van verzekerden in de verzekerde hoedanigheid voor schade van derden (…);

(…)

Artikel 3 Uitsluitingen en bijzondere insluitingen

Van de verzekering is uitgesloten de aansprakelijkheid

(…)

3.4 Eigen zaken

voor schade aan zaken van de verzekeringnemer (…);

(…)

3.8 (Op-)geleverde zaken/uitgevoerde werkzaamheden

voor schade en/of kosten, ongeacht door wie geleden of gemaakt, ontstaan in verband met:

a. het vervangen, verbeteren, herstellen of terugroepen van door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde (op-)geleverde zaken, tenzij de kosten als kosten van beredding zijn aan te merken; (…)

Artikel 4 Schade

4.1 Verplichtingen in geval van een aanspraak of omstandigheid

Zodra verzekerde kennis draagt van een aanspraak of omstandigheid die voor verzekeraar tot een verplichting tot uitkering kan leiden, is zij verplicht:

a. deze zo spoedig mogelijk aan verzekeraar te melden;

b. alle gegevens die van belang zijn terstond aan verzekeraar te verstrekken;

(…).

2.3. Ten aanzien van milieuschade is blijkens de algemene voorwaarden het volgende overeengekomen:

B2.1 Omschrijving van de dekking

Verzekerd is de aansprakelijkheid van de verzekerden in de verzekerde hoedanigheid voor schade van derden in verband met een milieu-aantasting, die plotseling en onzeker is, en niet het rechtstreeks gevolg is van een langzaam inwerkend proces.

2.4. AWV is in oktober 1999 aansprakelijk gesteld door een huurder van een woning aan de Strausslaan in Den Haag voor schade tengevolge van de aanwezigheid van asbest in de aan hem verhuurde woning. Na onderzoek werd in november 1999 in een aantal woningen van AWV asbestbesmetting geconstateerd en heeft sanering van deze woningen plaatsgevonden.

2.5. Bij brief van 9 januari 2003 gericht aan (de toenmalige raadsman van) Staedion, heeft de heer C.J.M. van den Boogaard, werkzaam bij VROM-inspectie, onder meer het volgende meegedeeld:

In antwoord op uw verzoek kan ik u het volgende meedelen over mijn betrokkenheid vanuit de VROM-inspectie, toentertijd Inspectie Milieuhygiëne (IMH), bij de asbestproblematiek in een 60-tal woningen van de Algemene Woningbouwvereniging (AWV) in Den Haag eind 1999.

Op 16 november ben ik door J. van Willigenburg, asbestconsulent voor het bedrijf BME op de hoogte gesteld van de bevinding van zeer hoge concentraties asbestvezels in een beperkt aantal woningen van de AWV in de wijk Waldeck in Den Haag.

Deze melding heb ik opgevat als een mogelijk zeer ernstig signaal van een nog onvoldoende onderkend gezondheidsrisico in woningen in Nederland. Het signaal heb ik vervolgens via de hoofdinspecteur van de Inspectie Milieuhygiëne gemeld aan de minister van VROM. Aangegeven is daarbij dat de IMH het signaal zou verifiëren en dat nagegaan moest worden of het probleem zich ook voordeed bij andere dan de 60 in het project betrokken woningen in Den Haag of elders in Nederland. Ook is contact opgenomen met de regionale Inspectie Milieuhygiëne in Rijswijk en is een overleg met de meest betrokkenen georganiseerd bij de woningbouwvereniging op 17 november. Ter vergadering is door de IMH aangegeven dat men het een ernstig gezondheidsprobleem vond, dat op zo kort mogelijke termijn de onacceptabele gezondheidsrisico’s beëindigd dienden te worden en de asbest-risico’s in de andere woningen door de woningbouwvereniging en de gemeente in beeld gebracht dienden te worden. De IMH is vervolgens akkoord gegaan met het gepresenteerde plan van aanpak en heeft daarmee afgezien van het stoppen van de werkzaamheden of acuut ontruimen van de met asbest verontreinigde woningen.

In de vergadering van 17 november bij de AWV is afgesproken dat de gezamenlijke woningbouwverenigingen in Den Haag initiatieven zouden nemen om tot een verdergaande inventarisatie van deze problematiek te komen. De gemeente zou dit doen voor particuliere woningen.

2.6. Op 16 november 1999 is een vergadering gehouden bij AWV, waarbij naast vertegenwoordigers van AWV vertegenwoordigers aanwezig waren van de gemeente Den Haag (onder andere de GG en GD), het ministerie van VROM (onder andere Inspectie Milieuhygiëne) en BME.

In de notulen van deze vergadering staat onder meer:

De heer Zwart Voorspuij (de rechtbank begrijpt: namens GG en GD) stelt de gezondheid van de bewoners voorop en adviseert een grondige schoonmaak daarbij uitgaand van het “worst case” scenario. De AWV is verplicht de situatie grondig te onderzoeken en schoon te maken waarbij gestreefd wordt naar een VR-situatie (de rechtbank begrijpt: verwaarloosbaar risiconiveau)

De heer Van den Boogaard deelt deze mening. De bronnen die de verhoging van de asbestvezels veroorzaken dienen verwijderd of schoongemaakt te worden.

De heer Van Barneveld (de rechtbank begrijpt: namens Inspectie Milieuhygiëne) verklaart dat indien de asbestnorm een direct gevaar voor de gezondheid betekent, de Milieu Inspectie waarschijnlijk zal overgaan tot sluiting van de woningen.

2.7. Staedion, voorheen De Goede Woning, had woningen aan de Forellendaal (complex 10.130, 34 woningen), Brasemdaal en Rietvoorndaal (beiden complex 10.110, 213 woningen), te Den Haag welke zij gezien de hiervoor omschreven ontwikkelingen eveneens heeft laten onderzoeken op de aanwezigheid van “niet- hechtgebonden” asbest. Dit onderzoek is, evenals het onder 2.4. bedoelde onderzoek aan de Strausslaan, uitgevoerd door het bureau BME Asbestconsult B.V. (verder: BME).

2.8. BME heeft het onder 2.7. bedoelde onderzoek uitgevoerd overeenkomstig de zogenoemde Nationale beoordelingsrichtlijn 5052 versie 1 juni 1998 voor het onderdeel “inventarisatie in een niet-sloopsituatie”.

2.9. BME heeft het onder 2.7. bedoelde onderzoek voorts uitgevoerd op basis van de “vereenvoudigde methode” als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit Materialen 1998.

De voor dit onderzoek relevante regelgeving is de Regeling Bouwbesluit Materialen 1998. In artikel 4.1 daarvan is het volgende bepaald:

De getalswaarde van het verschil tussen de concentratie van asbestvezels in de binnenlucht van een voor mensen toegankelijke ruimte van een gebouw en de concentratie van asbestvezels in de buitenlucht, uitgedrukt in ve/m3, mag voor zover deze concentratie afkomstig is uit een of meer constructieonderdelen die de ruimte begrenzen dan wel uit een of meer in die ruimte aanwezige constructieonderdelen, niet groter zijn dan 1.000.

2.10. Volgens de toelichting bij dit besluit bevat voornoemd artikel de grenswaarde voor de toelaatbare concentratie asbest die gelijk is gesteld aan het verwaarloosbaar risiconiveau (hierna: VR). In deze toelichting is daarover het volgende opgenomen:

In deze doelstellingen, die zijn gebaseerd op een advies dat de Gezondheidsraad in 1988 over asbest heeft uitgebracht, is gebruik gemaakt van equivalentiefactoren (ev) (de rechtbank begrijpt: ve). Hierbij dient voor grenswaarden (waarbij de niet-bouwkundige inrichting buiten beschouwing blijft) te worden uitgegaan:

-voor het verwaarloosbaar risiconiveau (VR) van een jaargemiddelde van 1000 ve/m3, en

-voor het maximaal toelaatbare risiconiveau (MTR) van een jaargemiddelde van 100.000 m3 ve/m3.

Voor de prestatieeis is uitgegaan van een grenswaarde op het niveau van het VR, waarbij de actuele asbestconcentratie de waarde van duizend vezelequivalenten per kubieke meter niet mag overschrijden.

(…)

De grenswaarde die burgemeester en wethouders nog toelaatbaar achten bij een bestaand gebouw, alvorens zij in het uiterste geval overgaan tot aanschrijving, is hun bevoegdheid. Overschrijding van het MTR-niveau zou, gelet op het advies van de Gezondheidsraad, zonder meer reden moeten zijn om tot aanschrijving over te gaan. Bij concentraties aan asbestvezels tussen het MTR-niveau en het VR-niveau zullen burgemeester en wethouders een afweging moeten maken ten aanzien van de bij het treffen van de voorzieningen betrokken belangen.

Uit de toelichting volgt dat de prestatie-eis alleen geldt voor gebouwen waarvan de aanvraag van een bouwvergunning dateert van na de inwerkingtreding van dit besluit (31 maart 1998). De woningen in Forellendaal, Rietvoorndaal en Brasemdaal zijn voordien gebouwd.

2.11. De uitkomst van het onderzoek door BME van 9 maart 2000 (Rietvoorndaal en Brasemdaal, complex 10.110), en van 8 mei 2000 (Forellendaal, complex 10.130) is, kort samengevat, dat in alle (negen) onderzochte woningen niet-hechtgebonden asbestplaten zijn aangetroffen waaraan door BME “prioriteit 1” is toegekend. Dit is de hoogste van drie mogelijke prioriteitencategorieën en houdt in als advies: “korte termijn, sanering of emissiebeperkende maatregelen dringend noodzakelijk”.

Deze prioriteit is toegekend op basis van een puntentelling, waarvan de uitkomst afhankelijk is van toetsing per asbestbron aan vier criteria. In aanvulling op deze risicoanalyse zijn in een aantal woningen luchtmetingen uitgevoerd ter vaststelling van de asbestvezelconcentratie in vezelequivalenten per kubieke meter (hierna: ve/m3) volgens de normen van het Ministerie van VROM. De resultaten van deze metingen zijn mede bepalend geweest voor de geadviseerde maatregel(en). De luchtmetingen in de woningen aan de Brasemdaal en de Rietvoorndaal hebben uitgewezen dat asbestconcentraties tussen de 2304 en 5558 ve/m3 in de onderzochte woningen respectievelijk schuurtjes zijn gemeten.

2.12. In een verklaring van [directeur BME] van 28 februari 2007 staat onder meer:

Ik ben directeur van BME. Ik ben in 2000 betrokken geweest bij het opstellen van de risico-asbestinventarisatierapporten met betrekking tot de complexen Forellendaal, Brasemdaal en Rietvoorndaal in Den Haag.

Voorafgaand aan een asbestrisico-inventarisatie vindt altijd een zogenoemde quick scan plaats. Deze quick scan heeft zonder enige twijfel ook plaatsgevonden voorafgaand aan de uitgevoerde asbestinventarisatie in de complexen Forellendaal, Brasemdaal en Rietvoorndaal. Het is gebruikelijk dat een dergelijke quick scan werd en wordt neergelegd in een rapport van enkele pagina’s. In dit geval zal dat het rapport geweest zijn van 20 januari 2000. BME beschikt helaas niet meer over dit rapport. Dat vervolgens risico-inventarisaties zijn uitgevoerd in de betrokken complexen (zie de BME-rapporten van 9 maart 2000 (Rietvoorndaal, Brasemdaal) en van 8 mei 2000 (Forellendaal) geeft aan dat bij de quick scan astbesthoudende materialen moeten zijn aangetroffen.

Destijds bestond er geen norm voor de representativiteit van de meting.

(…)

In alle monsters die in de betrokken complexen zijn getest, is de asbestsoort amosiet aangetroffen (bruin asbest). Deze asbestsoort behoort tot de gevaarlijkste soorten asbest en is dus voor de gezondheid het meest bedreigend. Dat het hier om een gevaarlijke asbestsoort ging, heeft mede bijgedragen aan het oordeel om op korte termijn te saneren. De term in het advies “op korte termijn” wordt bedoeld dat er direct of zo spoedig mogelijk gesaneerd moet worden.

(…)

2.13. Staedion heeft in de periode van begin maart 2000 tot mei 2000 de woningen van complex 10.110 en complex 10.130 laten saneren zonder daartoe door de overheid verplicht te zijn en zonder in dat verband aansprakelijk te zijn gesteld.

2.14. Staedion heeft via haar assurantietussenpersoon bij brief van 17 maart 2000 betaling door Axa gevorderd van schade verbandhoudende met de asbestsanering van de materialen van de woningen toebehorend aan haar rechtsvoorgangster De Goede Woning, alsmede de reinigingskosten en/of vervangingskosten en de kosten voor de tijdelijke huisvesting van de huurders. Bij brief van 28 juni 2000 heeft Axa het standpunt ingenomen dat zij niet gehouden is tot enige betaling.

3. De vordering

3.1. Staedion vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht zal verklaren dat Axa jegens haar gehouden is de kosten van asbestinventarisatie en -sanering, tijdelijke herhuisvesting van bewoners, reiniging en/of vervanging van inboedel van de bewoners en de kosten van de schadevaststelling voorzover die kosten betrekking hebben op de woningen gelegen aan de Brasemdaal, Forellendaal en Rietvoorndaal te Den Haag te vergoeden, inclusief de wettelijke rente over deze kosten vanaf 28 juni 2000, althans vanaf 28 juni 2006, tot aan de dag der algehele voldoening en derhalve dekking te verlenen op grond van de tussen Staedion en Axa gesloten verzekeringsovereenkomst,

- Axa zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van EUR 904,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni 2006,

- Axa zal veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dag van de uitspraak.

3.2. Axa heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Staedion legt aan haar vordering ten grondslag dat zij bereddingskosten in de zin van artikel 283 Wetboek van Koophandel oud (hierna: 283 K) heeft gemaakt, die Axa dient te vergoeden. Zij voert daartoe aan dat zij de woningen gelegen aan de Brasemdaal, Forellendaal en Rietvoorndaal te Den Haag heeft moeten onderzoeken, saneren en reinigen toen bekend was geworden dat zich in deze woningen niet-hechtgebonden asbest bevond die een zo hoge concentratie van astbestdeeltjes afgaf, dat daardoor een gevaar voor de gezondheid van de bewoners en derden bestond. Zij heeft dit gedaan ter voorkoming van toekomstige (personen- en zaak)schade waarvoor zij aansprakelijk zou zijn geweest indien deze zou zijn ingetreden en voor welke schade zij bij Axa verzekerd was. De maatregelen die zij heeft getroffen, zijn genomen ter afwending van besmettingsgevaar en moeten daarom volgens Staedion worden aangemerkt als bereddingskosten die als zodanig door Axa vergoed moeten worden.

4.2. Axa voert het verweer dat sanering naar aanleiding van de onderzoeken door BME onterecht is geweest nu er volgens Axa geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar. AXA stelt dat het onderzoek door BME te beperkt was om op grond daaraan conclusies te verbinden ten aanzien van alle woningen die Staedion vervolgens gesaneerd heeft, voorts dat de luchtmetingen niet overeenkomstig de daartoe geldende voorschriften zijn verricht en dat BME voor haar conclusie dat sanering op korte termijn geboden was een strengere norm heeft gehanteerd dan volgens de toepasselijke regelgeving geldt. Daarbij benadrukt Axa dat er – anders dan bij de sanering van de woningen van AWV – geen overheidsdruk was om tot sanering van de woningen van De Goede Woning over te gaan.

4.3. Staedion heeft betoogd dat zij op goede gronden heeft besloten de woningen te laten saneren om aansprakelijkheid af te wenden. Daarbij heeft naast de onder 2.11. weergegeven onderzoeksresultaten en het bijbehorende advies, een rol gespeeld dat AWV door een huurder van een woning aan de Strausslaan aansprakelijk is gesteld vanwege gemeten asbestconcentratie en dat uit het onderzoek door BME naar aanleiding van deze aansprakelijkheidsstelling, in november 1999 asbestbesmetting (met hoge waarden) werd geconstateerd bij circa 60 woningen van AWV. Die eerdere onderzoeksresultaten en de daaropvolgende sanering hebben veel maatschappelijke onrust teweeggebracht en ook dat speelde mee op het moment dat tot onderzoek van de panden van De Goede Woning werd besloten. Daarbij heeft Staedion nog gewezen op een bericht van de heer J.W.C. van Willigenburg van BME van 11 november 1999, inhoudende:

“Wij attenderen u op de Regeling Bouwbesluit Materialen 1998 waarin met zoveel woorden wordt aangeduid, dat de asbestconcentratie in de binnenlucht in voor mensen toegankelijke ruimten niet boven de 1.000 veq/m3 mag uitkomen. Tussen het VR en MTR geldt het ALARA principe (as low as reasonable achievable)”. En voorts op de bespreking die op 16 november 1999 heeft plaatsgevonden, waarbij namens de GG en GD is benadrukt dat AWV de situatie grondig moest onderzoeken en vervolgens schoonmaken, waarbij gestreefd wordt naar een VR-situatie.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat op grond van zowel de wet (thans artikel 7:957 BW, tot 1 januari 2006 artikel 283 K) als op grond van de in dit geval toepasselijke algemene voorwaarden, de verzekeraar gehouden is de kosten te vergoeden die de verzekerde maakt teneinde onmiddellijk dreigende schade te voorkomen of te verminderen. Ter beoordeling ligt derhalve voor of de kosten waarvan Staedion in deze procedure vergoeding vordert, zijn gemaakt om onmiddellijk dreigende schade te voorkomen of te verminderen. Het komt daarbij naar het oordeel van de rechtbank aan op de destijds, toen Staedion besloot tot het maken van de desbetreffende kosten van onderzoek, sanering en reiniging, bekende feiten en omstandigheden en op de vraag of zij op basis daarvan in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen.

4.5. In deze procedure staat vast dat BME onderzoek heeft verricht in (de zes) verschillende type woningen van de complexen 10.110 en 10.130. In haar onderzoeks-rapporten verantwoordt zij welke woningen zijn onderzocht en op welke plaatsen zij (welke soort) asbest heeft aangetroffen. Dit is op zichzelf inhoudelijk niet betwist door Axa. Ook staat vast dat BME een terzake kundig onderzoeksbureau is. Het verweer van Axa dat Staedion op basis van de door BME uitgebrachte rapporten niet heeft kunnen besluiten om tot sanering over te gaan omdat het onderzoek niet representatief is voor de overige woningen, volgt de rechtbank niet. Daartoe wordt overwogen dat er geen algemeen geldende, concrete norm op het punt van representativiteit is op grond waarvan Staedion had moeten betwijfelen of de onderzoeksresultaten voldoende aanknopingspunten boden voor conclusies ten aanzien van de overige woningen, terwijl vaststaat dat het op zich om vergelijkbare woningen gaat. De rechtbank is van oordeel dat Staedion mocht afgaan op de representativiteit van het onderzoek door BME, een terzake kundig bureau, dat haar onderzoek volgens de destijds geldende methode (BRL 5052) heeft uitgevoerd.

Ook ten aanzien van de luchtmetingen geldt dat Staedion in redelijkheid mocht vertrouwen op de betrouwbaarheid van de door BME verrichte metingen en de daarop gepresenteerde resultaten aangezien dit nu juist tot de deskundigheid van het onderzoeksbureau behoorde. Daarbij komt dat niet alleen de uitslag van de luchtmetingen van belang was voor het advies van BME strekkende tot sanering van de woningen op korte termijn, maar ook andere aspecten zoals het (gevaarlijk) soort, niet-hechtgebonden, asbest dat is aangetroffen.

Daarbij is voorts voor wat betreft de juistheid van de destijds door BME gestelde conclusies en het gegeven advies van belang, dat van Staedion als woningbouwvereniging niet verlangd kan worden dat zij – zonder concrete aanleiding daartoe op dat moment – (tegen)onderzoek doet of laat verrichten naar de wijze van onderzoek en de totstandkoming van het daaruit voortvloeiende advies. Of de onderzoeksbevindingen achteraf bezien juist waren en of het daarop gebaseerde advies terecht was, laat de rechtbank dan ook in het midden. Staedion mocht gelet op het vorenoverwogene van de juistheid daarvan uitgaan.

4.6. Van belang is voorts dat gezondheidsschade door asbestbesmetting eerst na jaren tot uiting kan komen. Het is het moment van inademing waarop het risico op gezondheids-schade ontstaat, terwijl over het algemeen wordt aangenomen dat het risico op besmetting toeneemt zolang de blootstelling voortduurt. Het behoort dan ook tot de maatschappelijke verantwoordelijkheid van Staedion als woningbouwvereniging om te voorkomen dat haar huurders en derden (nog langer) het risico liepen in aanraking te komen met een te hoge concentratie asbestdeeltjes. Dat mogelijk achteraf geoordeeld zou kunnen worden dat BME de situatie als te gevaarlijk heeft ingeschat, kan niet aan Staedion worden tegengeworpen, net zo min als de omstandigheid dat niet bekend is of huurders van de betreffende woningen ziek zijn geworden danwel zouden zijn geworden als niet was gesaneerd.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat de onderzoeksresultaten bekend waren en BME dringend adviseerde tot sanering op korte termijn, Staedion vanwege de reële vrees voor personenschade en gelet op haar maatschappelijke plicht als woningbouwvereniging, zich terecht genoodzaakt heeft gezien maatregelen te treffen om dit gevaar te weren en aldus de woningen te saneren. Er was derhalve naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin schade onmiddellijk dreigde. Dat daarbij voor Staedion de bevindingen ten aanzien van asbestbesmetting in de woningen van AWV, en de maatschappelijke onrust daarover een rol hebben gespeeld, betekent niet dat zij ten aanzien van de onderhavige woningen te lichtvaardig tot haar beslissingen is gekomen. Veeleer hebben die omstandigheden naar het zich laat aanzien duidelijk gemaakt welke gevolgen te hoge asbestconcentraties in woningen – juist ook voor wat betreft de aansprakelijkheid van de verhuurder jegens de huurders – konden hebben. Als Staedion daardoor te meer bewogen is geweest tot het treffen van maatregelen kan haar dat niet worden tegengeworpen. Ook speelt een rol dat door de overheid was aangedrongen op nader onderzoek en het streven naar een zogenoemde VR-situatie van het overige woningenbestand. Dat er geen overheidsdruk is uitgeoefend in de zin van bestuursdwang doet daaraan niet af.

4.8. Axa heeft – samengevat – aangevoerd dat indien Staedion meende dat er sprake was van onmiddellijke dreigende schade, zij de woningen ook direct had moeten laten ontruimen en zodoende daadwerkelijk meteen een einde had moeten maken aan de blootstelling. De rechtbank verwerpt dat verweer. Dat Staedion nadat zij bekend was geworden met de onderzoeksresultaten niet heeft besloten tot het direct ontruimen en afsluiten van de betreffende woningen, betekent niet dat de wel door haar getroffen maatregelen niet dringend noodzakelijk waren. Daarbij is van belang dat in deze procedure vaststaat dat Staedion direct is begonnen met de voorbereidingen van de saneringsoperatie.

4.9. Axa voert voorts het verweer dat de gemaakte kosten niet vallen onder de kosten in de zin van de algemene voorwaarden en/of artikel 283 K. Zij heeft bij pleidooi aangevoerd dat Staedion of haar rechtsvoorgangers op grond van het Bouwbesluit in 1998 reeds verplicht was om – als goed verhuurder – een inventarisatie uit te voeren naar de concentratie asbestvezels in de woningen. Axa verwijst daarvoor naar het verslag van de vergadering op 16 november 1999 bij AWV zoals hierboven onder 2.6. weergegeven. Volgens Axa zijn de door Staedion gevorderde kosten niet gemaakt ter voorkoming van een onmiddellijk dreigend gevaar, maar om de verhuur van de woningen te kunnen voortzetten overeenkomstig de nieuwe eisen van het Bouwbesluit 1998.

4.10. De rechtbank verwerpt dit verweer. De stelling van Axa komt er in feite op neer, dat er in dit geval geen onmiddellijk en dreigend gevaar was, en dit verweer stuit af op hetgeen de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen.

Dat laat onverlet dat indien zou komen vast te staan dat Staedion er hoe dan ook niet aan had kunnen ontkomen haar woningen te saneren op andere gronden, dit zou betekenen dat de kosten daarvan voor haar rekening komen ongeacht een al dan niet onmiddellijk dreigend gevaar voor schade. Hetgeen Axa hiertoe heeft aangevoerd rechtvaardigt die conclusie echter niet.

4.11. Axa stelt voorts dat Staedion niet heeft voldaan aan haar meldingsplicht zoals in de algemene voorwaarden in artikel 4.1 is neergelegd zodat, zij niet gehouden is tot enige uitkering. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet slaagt op grond van de volgende omstandigheden. Staedion heeft onbestreden gesteld dat zij al in januari 2000 een zogenoemde “pro forma melding” heeft gedaan die is gevolgd door een schriftelijke melding aan haar assurantietussenpersoon op 8 maart 2000, welke bij de brief van 17 maart 2000 ter verdere behandeling aan AXA is doorgezonden. De sanering van de woningen had toen nog niet plaatsgevonden en het onderzoek in complex 10.130 (Forellendaal) was toen zelfs nog niet afgerond. Het onderzoeksrapport met betrekking tot complex 10.110 (Rietvoorndaal en Brasemdaal) dateert eerst van 9 maart 2000.

In januari 2000 waren wel de resultaten van de zogenoemde quick scan door BME bij Staedion bekend, waarna Staedion kennelijk aanleiding zag om een pro forma melding te doen. Hoewel reeds in november 1999 bekend was dat de woningen van de andere rechtsvoorganger AWV met asbestdeeltjes besmet waren en dit aanleiding vormde voor een inventarisatie in de andere woningen uit het woningenbestand van de toekomstige woningbouwvereniging Staedion, was op dat moment nog niet bekend of en in hoeverre het woningbestand van De Goede Woning besmet was met asbest. Toen dat in januari 2000 en de daarop volgende maanden (definitief) bekend werd, heeft Staedion dit vervolgens eerst pro forma en daarna schriftelijk gemeld bij Axa. De rechtbank is van oordeel dat Staedion hiermee heeft voldaan aan haar meldingsplicht nu zij bij het bekend worden van de relevante onderzoeksresultaten meteen melding daarvan heeft gedaan. Axa heeft vanaf dat moment ook ruimschoots de gelegenheid gehad om met Staedion in overleg te treden over het onderzoek door BME, de beoordeling daarvan en wat de eventueel te nemen vervolgstappen zouden zijn en zij is dus naar het oordeel van de rechtbank – anders dan zij aanvoert – niet door Staedion voor een voldongen feit gesteld.

4.12. Het verweer van Axa dat de eventueel door ziek geworden huurders van Staedion of derden van Staedion vanwege de blootstelling aan asbestdeeltjes in de woningen te vorderen schadevergoeding niet onder de overeengekomen dekking zou vallen, kan niet slagen. Indien huurders of derden ziek zouden worden omdat zij in aanraking zijn gekomen met asbestdeeltjes in de woningen van Staedion, is Staedion daarvoor als verhuurder van de woningen in ieder geval op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk. Voor deze personenschade is zij dan verzekerd op grond van artikel 1.13 van de verzekeringsovereenkomst met Axa. Ook de kosten van reiniging of verwijdering van de met asbest besmette inboedel zou zij op grond van onrechtmatige daad gehouden zijn te vergoeden aan haar huurders, waarna zij ook deze kosten op grond van de verzekeringsovereenkomst bij Axa kan claimen.

4.13. Axa stelt dat betreffende schade van dekking is uitgesloten op grond van de (hiervoor onder 2.3. weergegeven) bepaling in artikel B2.1, omdat de afgifte van asbest aan de (binnen)lucht een geleidelijk proces is in de zin van dat artikel. Tussen partijen is in geschil of deze bepaling in de onderhavige situatie toepassing vindt. Staedion heeft gemotiveerd aangevoerd dat de bepaling niet van toepassing is op het geval van vervuiling van de binnenlucht door asbestbesmetting maar ziet op verontreiniging van het “buitenmilieu” of de “open ruimte”. Zij beroept zich daarbij op de betekenis van de in de verzekeringsovereenkomst gebruikte begrippen in het gewone spraakgebruik, alsmede op de uitleg van deze bepalingen in andere verzekeringszaken. Voorts betoogt zij dat bij het opstellen van milieuclausules, die worden toegepast sinds het begin van de jaren 1970, gedacht zal zijn aan milieurampen, zoals ernstige bodemverontreiniging in woonwijken; milieurisico’s waarvan werd onderkend dat de financiële gevolgen daarvan niet zonder meer verzekerbaar waren.

4.14. Ten aanzien van de uitleg van de milieuclausule overweegt de rechtbank als volgt. Bij de uitleg van deze contractuele bepaling komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In aansluiting bij het gewone taalgebruik houden de begrippen “milieu”, “bodem”, “lucht”, “oppervlaktewater” en “(ondergronds(e) water(gang)” uit artikel 1.10 van de verzekeringsvoorwaarden, waarin de in de overeenkomst gebruikte begrippen zijn gedefinieerd, verband met wat als het buitenmilieu kan worden aangeduid. Zonder nadere omschrijving in de verzekeringsvoorwaarden, die hier ontbreekt, acht de rechtbank het aannemelijk dat door partijen met de bepaling is beoogd de schade tengevolge van sluipende en langdurig inwerkende verontreiniging van het buitenmilieu van verzekering uit te sluiten, in tegenstelling tot schade door verontreiniging van het buitenmilieu die het gevolg is van een plotseling van buiten komende gebeurtenis. De rechtbank acht niet aannemelijk dat deze clausule zo ruim dient te worden uitgelegd dat daarmee schade tengevolge van asbestbesmetting van de lucht door een bron binnenshuis moet worden uitgesloten, zodat het verweer wordt verworpen.

4.15. Gelet op het vorenoverwogene is de door Staedion gevorderde (voor recht) verklaring voor toewijzing vatbaar. Voor wat betreft de kosten van het vaststellen van de schade (onderzoekskosten) en de wettelijke rente, waarop de gevorderde verklaring mede ziet, geldt daarbij nog dat Axa op dat punt geen verweer heeft gevoerd en dat de vordering op dit punt ook overigens niet ongegrond voorkomt.

4.16. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II - worden afgewezen. Eiseres heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan eiseres vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.17. Axa zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Staedion worden begroot op:

- dagvaarding EUR 83,78

- vast recht EUR 241,00

- salaris procureur EUR 2.260,00 (5 punten x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.584,78

4.18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals gevorderd.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Axa jegens Staedion gehouden is de kosten van asbestinventarisatie en -sanering, tijdelijke herhuisvesting van bewoners, reiniging en/of vervanging van inboedel van de bewoners en de kosten van de schadevaststelling, voorzover die kosten betrekking hebben op de woningen gelegen aan de Brasemdaal, Forellendaal en Rietvoorndaal te Den Haag te vergoeden, inclusief de wettelijke rente over deze kosten vanaf 28 juni 2000 tot aan de dag der algehele voldoening en derhalve dekking te verlenen op grond van de tussen Staedion en Axa gesloten verzekeringsovereenkomst,

5.2. veroordeelt Axa in de proceskosten, aan de zijde van Staedion tot op heden begroot op EUR 2.584,78 (tweeduizend vijfhonderdvierentachtig euro en achtenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. H. Phaff en mr. A. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2007.

w.g. griffier w.g. rechter