Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1594

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
UT 3103-597-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OM niet-ontvankelijk in haar vordering ex artikel 18 WOTS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Kenmerk: UT 3103-597-05

Datum uitspraak: 22 mei 2007

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 08 september 2005, strekkende tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf van het Amtsgericht Leverkusen d.d. 26 oktober 2000, waarbij is veroordeeld:

[Veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende [woonadres]

hierna te noemen de veroordeelde,

ter zake van een delict gelijk gesteld aan – overeenkomstig de Nederlandse wet – openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen in samenloop met poging tot zware mishandeling, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, met de bijzondere voorwaarden (conform vertaling):

1) de proeftijd wordt bepaald op drie jaren;

2) de aangeklaagde gedraagt zich gedurende de proeftijd strafloos;

3) de aangeklaagde meldt zijn woonplaats en iedere woonplaatswissel ongevraagd aan het Gerecht;

4) de aangeklaagde leeft ieder tegen hem door de Deutsche Fu?ballbund, een voetbalvereniging of een ander nationaal voetbalverband of internationaal voetbalverband opgelegd stadionverbod na;

5) de aangeklaagde betaalt een geldboete ter hoogte van € 800,00 in maandelijkse termijnen van minstens € 100,00, tot uiterst een jaar na de rechtskracht van het vonnis aan de Staatskas. De geldboete wordt niet op een schadevergoedingsplicht uit de gebeurtenis aangerekend;

6) de aangeklaagde betaalt als totaalschuldenaar op de voor het Land Nordrhein Westfalen ontstane schade ter hoogte van meer dan 45.000,00 DM, schadevergoeding ter hoogte van maandelijks minstens € 50,00 in handen van het Land NRW in deze zaak vertegenwoordigende advocaten: Brock en Partner, Hauptstra?e 243, 51465 Bergisch Gladbach, Konto Nr. 60653896 Barclays Bank Plc, BLZ: 2033989, zolang de proeftijd loopt, de schade vereffend is of het Land NRW afziet van een verdere schadevergoeding. Compensatieaanspraken tegen de overige totaalschuldenaars in de onderlinge verhoudingen, blijven hiervan onberoerd.

De stukken

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken:

a) een strafbevel d.d. 26 oktober 2000, waaruit blijkt dat de veroordeelde ter zake van “bijzonder ernstige openlijke geweldpleging” werd veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar;

b) het besluit van het Amtsgericht Leverkusen d.d. 26 oktober 2000, waarin de hierboven onder 1 - 6 genoemde bijzondere voorwaarden zijn gesteld;

c) een besluit van het Amtsgericht Leverkusen d.d. 18 juni 2003, waaruit blijkt dat veroordeelde de bijzondere voorwaarde van het betalen van een schadevergoeding aan het Land Nordrhein Westfalen niet is nagekomen, en derhalve de voorwaardelijke strafoplegging is herroepen;

d) een verzoek d.d. 16 december 2003 van mr. H. Auffenberg, advocaat te Heidelberg (Duitsland) die bij gelegitimeerde volmacht d.d. 24 december 2003 door [veroordeelde], namens voornoemde [veroordeelde] aan het Staatsanwaltschaft te Köln verzoekt om de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland uit te zitten;

e) een brief van het Ministerie van Justitie van het land Nordrhein-Westfalen d.d. 17-12-2004, inhoudende het verzoek de tenuitvoerlegging van de tegen [veroordeelde] opgelegde vrijheidsstraf van één jaar over te nemen;

f) een brief d.d. 23 februari 2005, ingekomen op 4 mei 2005 van het Directoraat-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken aan de hoofdofficier van justitie te Utrecht, met het verzoek om advies betreffende de overname van de tenuitvoerlegging van de door de Duitse rechter opgelegde gevangenisstraf met toepassing van het Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen van 13 november 1991;

g) een brief d.d. 11 juli 2005 van de officier van justitie te Utrecht aan het Directoraat-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, waaruit blijkt dat de officier van justitie adviseert in te stemmen met het verzoek;

h) een vordering verlof tenuitvoerlegging ex artikel 18 van de WOTS van de officier van justitie te Utrecht d.d. 8 september 2005, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 9 september 2005;

i) de op 3 oktober 2005 IN PERSOON aan veroordeelde uitgereikte akte van betekening van de vordering tot in behandeling nemen van het verlof tenuitvoerlegging;

j) een conclusie van de officier van justitie te Utrecht ex artikel 28, achtste lid van de WOTS, overgelegd ter zitting van de meervoudige kamer te Utrecht d.d. 8 mei 2007;

k) een de veroordeelde betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie in Nederland d.d. 7 mei 2007;

l) de geautoriseerde vertaling in de Nederlandse taal van de onder a, b, c en d genoemde stukken.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aan de orde is de vordering van de officier van justitie d.d. 8 september 2005 strekkende tot verlof tot tenuitvoerlegging van het vonnis van het Amtsgericht te Leverkusen (Duitsland) d.d. 26 oktober 2000 op grond van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen en het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1993, 74).

Ten eerste:

De rechtbank constateert dat de officier van justitie in haar conclusie ex artikel 28 van de WOTS zoals ter zitting overgelegd, de vordering verlof tenuitvoerlegging (hierna: de vordering) heeft gecorrigeerd met betrekking tot de datum van het vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd en de toepasselijke verdrags- en wetsartikelen. Zo heeft de officier van justitie in haar conclusie verwezen naar het op 18 juni 2003 door het Amtsgericht Leverkusen herroepen vonnis alsmede naar het Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen van 13 november 1991(Trb. 1992, 39)(hierna: het Verdrag).

De rechtbank acht voornoemde correcties van toepassing op de door de officier van justitie ingediende vordering ex artikel 18 van de WOTS en neemt deze als zodanig in behandeling.

Ten tweede:

Artikel 18, eerste en tweede lid van de WOTS bepaalt:

1. De officier van justitie vordert binnen twee weken na de dag waarop hij de in artikel 15 of 17 bedoelde stukken heeft ontvangen, schriftelijk, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt de officier van justitie de stukken aan de rechtbank over. Een afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend. Bij zijn vordering legt de officier van justitie tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over, die ingevolge afdeling B van Hoofdstuk II zijn in beslag genomen.

2. De in het eerste lid gestelde termijn wordt geschorst van het tijdstip waarop de officier van justitie overeenkomstig artikel 16 adviseert aan Onze Minister tot het tijdstip waarop de officier van justitie van Onze Minister bericht ontvangt dat de tenuitvoerlegging dient te worden gevorderd.

De officier van justitie heeft de in artikel 17 van de WOTS gestelde stukken ontvangen op 4 mei 2005.

Uit een brief d.d. 11 juli 2005 van de officier van justitie te Utrecht aan het Directoraat-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, blijkt dat de officier van justitie adviseert in te stemmen met het verzoek.

Vervolgens heeft de officier van justitie pas op 8 september 2005 een vordering verlof tenuitvoerlegging opgemaakt, welke vordering op 9 september 2005 door de rechtbank is ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16 van de WOTS, zodat van een schorsing van de termijn als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WOTS geen sprake is.

De rechtbank constateert derhalve dat de termijn voor de vordering met 16 weken is overschreden, zodat de officier van justitie niet heeft voldaan aan het onder artikel 18, eerste lid van de WOTS bepaalde. De rechtbank is echter van oordeel dat aan de overschrijding van deze termijn geen gevolgen hoeven te worden verbonden.

Ten derde:

Uit het strafbevel van het Amtsgericht Leverkusen d.d. 26 oktober 2000 blijkt dat er sprake is van een verstekvonnis. Daarin staat immers dat veroordeelde ondanks juiste betekening van het klachtgeschrift (de dagvaarding) niet is verschenen.

Artikel 45, eerste lid van de WOTS bepaalt:

1. Een verzoek om tenuitvoerlegging van een in de verzoekende Staat bij verstek gewezen rechterlijke beslissing kan niet in behandeling worden genomen dan nadat deze beslissing vanwege de officier van justitie, die het verzoek heeft ontvangen, aan de veroordeelde in persoon is betekend. Betekening vindt niet plaats indien het recht tot strafvervolging ter zake van het feit waarvoor de beslissing werd gewezen naar Nederlands recht zou zijn verjaard, met dien verstande, dat handelingen, verricht in de verzoekende Staat, die de verjaring aldaar stuiten of schorsen, in Nederland dezelfde rechtskracht hebben. Van de betekening worden de autoriteiten van de Staat, waarvan het verzoek is uitgegaan, schriftelijk in kennis gesteld.

De rechtbank constateert dat noch uit de vordering van de officier van justitie d.d. 8 september 2005, de door de officier van justitie ter zitting van 8 mei 2007 overgelegde conclusie ex artikel 28 van de WOTS of overigens uit het dossier of uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de officier van justitie het vonnis van de Duitse rechter op voet van artikel 45 van de WOTS aan de veroordeelde heeft betekend. Hiermee is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 45, eerste lid van de WOTS.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

BESLISSING

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gedaan door mrs J.E. Kruijff-Bronsing, F.L. Muskens en G. Veldhoen, bijgestaan door H.A.M. Blom als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 22 mei 2007.