Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1579

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-08-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
SBR 07-406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft, mede gezien de verzwaarde motiveringsplicht, in redelijkheid niet tot vrijstelling van het bestemmingsplan kunnen komen zonder de functie van het op te richten bouwwerk bij zijn belangafweging te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/406

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 2 augustus 2007

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 februari 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 oktober 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan [vergunninghouder] (vergunninghouder) een bouwvergunning verleend voor het vergroten van zijn woning op het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend sectie C 2883.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 18 juli 2007, waar eiseres in persoon is verschenen. Namens verweerder is verschenen H.G. van Olderen, werkzaam bij de gemeente Veenendaal. Als derdebelanghebbende is verschenen vergunninghouder, bijgestaan door zijn echtgenote en door mr. A.J. Arnold.

Overwegingen

Feiten

2.1 Op 17 maart 2006 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ingediend voor het vergroten van zijn woning aan de [adres] in [woonplaats]. Het bouwplan voorziet in een opbouw op de garage van vergunninghouder. Eiseres heeft een zienswijze ingediend naar aanleiding van verweerders op 14 juni 2006 gepubliceerde voornemen om met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling voor voornoemd bouwplan te verlenen. Verweerder heeft in deze zienswijze geen aanleiding gezien geen medewerking te verlenen aan het bouwplan. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft hij aan vergunninghouder vrijstelling verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO alsmede een bouwvergunning op grond van de artikelen 40 en 44 van de Woningwet (Ww).

2.2 Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

2.3 Eiseres heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat het bouwplan voorziet in een te hoog bouwwerk dat te dicht op de perceelgrens zal worden opgericht.

Voorts zal realisering van het bouwplan volgens eiseres leiden tot verminderde lichtinval in de tuin, in de hal en het toilet van haar woning alsmede tot vermindering van het uitzicht over de andere tuinen. Daarnaast zal volgens eiseres door oprichting van het bouwwerk de inbraakgevoeligheid van haar woning toenemen en zal de toegang tot haar voordeur tot een soort steegje verworden. Tot slot stelt eiseres dat verweerders welstandscommissie bij haar positieve advies van 7 juni 2006 van onjuiste feiten is uitgegaan.

2.4 Verweerder heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Veenendaal Zuid en dat hij na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van dit bestemmingsplan.

Ten slotte betwist verweerder dat het voornoemde advies van de welstandscommissie op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

2.5 Vergunninghouder heeft - kort samengevat - betwist dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Mocht er wel sprake zou zijn van strijd met voornoemd bestemmingsplan, dan dienen zijn belangen zwaarder te wegen dan die van eiseres.

Toepasselijk recht

2.6 Artikel 40, eerste lid, onder a, van de Ww bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning verleend door burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww mag slechts en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Artikel 46, derde lid, van de Ww bepaalt - voor zover van belang - dat een aanvraag die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO geacht wordt mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Artikel 19, derde lid, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro).

Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Bro bepaalt dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komen een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de bij het bestemmingsplan Veenendaal Zuid behorende planvoorschriften mag - voor zover van belang - van een gebouw, waarvan de maximum goothoogte is bepaald, geen deel uitsteken buiten de denkbeeldige vlakken, die de betreffende gevels snijden ter hoogte van de maximum goothoogte en terugvallen onder hoeken van 52 graden met de horizon.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn, voor zover van belang, de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor woningen met daarbij behorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en onbebouwd terrein, met dien verstande dat deze gronden overeenkomstig de aanduiding per bestemming zijn bestemd voor woningen twee aaneengeschakeld of vrijstaand.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, mogen binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak zowel hoofdgebouwen als bijgebouwen worden gerealiseerd, met dien verstande dat de als zodanig aangeduide gronden voor 100% mogen worden bebouwd.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder e, van de planvoorschriften mogen overeenkomstig het bepaalde in lid 1 en 2 bij de daarin bedoelde woningen bijgebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat zij, indien sprake is van een gesloten constructie, tenminste drie meter moeten terugliggen van de voorgevel.

Artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften bepaalt dat de minimale zijdelingse afstand van de niet aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de perceelsgrens minimaal 2,50 meter dient te bedragen, tenzij dit op de kaart anders is aangegeven.

Beoordeling van het geschil

2.7 Tussen partijen staat vast dat het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit 2003, verweerders bouwverordening en de redelijke eisen van welstand. De rechtbank heeft in dit geschil de vraag te beoordelen of sprake is van strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en zo ja, of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van dit bestemmingsplan.

2.8 De rechtbank stelt voorop dat verweerder - door verwijzing naar het advies van zijn commissie voor de bezwaarschriften dat integraal deel uitmaakt van het bestreden besluit - het op te richten bouwwerk terecht heeft aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw. Hierbij heeft verweerder - in lijn met jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS 25 oktober 2006, LJN: AZ0834) - overwogen dat het bouwwerk via het hoofdgebouw (de woning) bereikbaar zal zijn en in bouwkundig en functioneel opzicht niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw noch daaraan ten dienste staat.

2.9 Vergunninghouder heeft gesteld dat geen sprake is van strijd met het vigerende bestemmingsplan. Uit de plankaart blijkt dat de woning van eiseres (een vrijstaande woning) en de woning van vergunninghouder (een twee-onder-een-kapwoning) zich in hetzelfde bouwblok bevinden. Dit brengt met zich dat - hoewel artikel 4, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften bepaalt dat binnen het bouwvlak voor 100% mag worden bebouwd met zowel hoofdgebouwen als bijgebouwen - de minimale zijdelingse afstand van het op te richten bouwwerk tot de perceelsgrens ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften 2,50 meter dient te bedragen. Aangezien het bouwwerk aangemerkt dient te worden als een uitbreiding van een hoofdgebouw, dit bouwwerk op de garage zal worden gerealiseerd en de garage op de perceelsgrens staat, staat het vast dat het bouwwerk op de perceelsgrens zal worden opgericht. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften en daarmee in strijd is met het bestemmingsplan.

2.10 Gelet op de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan heeft verweerder de aanvraag - onder toepassing van artikel 46, derde lid, van de Ww - mede aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan. Bij de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan moeten - in lijn met bestendige rechtspraak van de ABRS (bijvoorbeeld ABRS 2 november 2005, LJN: AU5356) - alle daarbij betrokken belangen in aanmerking worden genomen.

2.11 De rechtbank stelt vast dat verweerder geen beleid heeft voor uitbreidingen van hoofdgebouwen waaraan hij de aanvraag om vrijstelling toetst, omdat de beleidsnotitie Bouwen op woonpercelen en beroep of bedrijf aan huis (laatstelijk gewijzigd op 30 oktober 2003) betrekking heeft op opbouwen op bijgebouwen en niet van toepassing is op het onderhavige bouwplan dat de uitbreiding van een hoofdgebouw betreft.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het kader van deze belangenafweging bij de toetsing van het bouwplan kennelijk daarom aansluiting heeft gezocht bij de planvoorschriften die gelden voor bijgebouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voor de ruimtelijke uitstraling van het bouwwerk in dit geval niet van belang is of het bouwwerk als hoofdgebouw of als bijgebouw wordt aangemerkt.

2.12 Uit het advies van verweerders commissie voor de bezwaarschriften blijkt dat het bouwwerk op minder dan drie meter van de voorgevelrooilijn zal worden opgericht en dat het bouwplan derhalve - ware het bouwwerk een (opbouw op een) bijgebouw - in strijd is met het bepaalde in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Tevens blijkt uit voornoemd advies dat de maximale toegestane hoogte van de kap met minder dan een meter wordt overschreden, zodat het bouwplan - indien het bouwwerk een (opbouw op een) bijgebouw zou zijn - ook in strijd is met het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de planvoorschriften. Verweerder komt vervolgens tot de conclusie dat de overschrijding van de planvoorschriften relatief beperkt is, zodat de gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling beperkt zijn en eiseres niet zodanig wordt benadeeld dat haar belangen in redelijkheid zwaarder wegen dan de belangen van vergunninghouder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot deze conclusie heeft kunnen komen en overweegt daartoe als volgt.

Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat het bouwplan, indien het op te richten bouwwerk een (opbouw op een) bijgebouw geweest zou zijn, op grond van zijn voornoemde beleidsnotitie - behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarvan niet is gebleken - niet voor vrijstelling in aanmerking zou komen. Vast staat dat verweerder bij zijn belangenafweging het op te richten bouwwerk voor wat betreft de ruimtelijke uitstraling op een lijn heeft gesteld met een bijgebouw. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het bouwplan, als het betrekking had gehad op een (opbouw op een) bijgebouw, vanwege strijd met voornoemde artikelen van de planvoorschriften niet voor vrijstelling in aanmerking zou komen.

Gelet hierop valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom verweerder zich - op de enkele grond dat het op te richten bouwwerk een uitbreiding van het hoofdgebouw betreft - niettemin op het standpunt heeft gesteld dat de gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling beperkt zijn en vervolgens tot vrijstelling heeft kunnen komen voor het onderhavige bouwplan.

2.13 De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder niet alle betrokken belangen in aanmerking heeft genomen bij zijn beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Zij overweegt daartoe als volgt.

Volgens de bouwaanvraag zal het bouwwerk een woonfunctie hebben. Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat het niet uitgesloten is dat de aard en de intensiteit van het gebruik van het op te richten bouwwerk en daarmee de ruimtelijke uitwerking ervan, anders kan zijn dan wanneer het bouwwerk een bijgebouw zou zijn geweest dat slechts via de garage van vergunninghouder te betreden zou zijn. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de functie van een hoofdgebouw niet zonder meer gelijk is te stellen aan die van een bijgebouw. Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat de functie van het op te richten bouwwerk bij de belangenafweging betrokken had behoren te worden, maar dat deze functietoets niet heeft plaatsgevonden.

Voorts is namens verweerder ter zitting ter zitting toegelicht dat er op hem in het kader van de vrijstelling van de planvoorschriften een verzwaarde motiveringsplicht rust, omdat zijn voornoemde beleid terzake van bijgebouwen weliswaar niet rechtsreeks van toepassing is op het onderhavige bouwplan, maar het op te richten bouwwerk voor wat betreft de ruimtelijke uitstraling wel op een lijn te stellen is met een bijgebouw.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, mede gezien deze verzwaarde motiveringsplicht, in redelijkheid niet tot vrijstelling van het bestemmingsplan kunnen komen zonder voornoemde functietoets bij zijn belangenafweging te betrekken.

2.14 Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verweerder de stelling van eiseres dat de inbraakgevoeligheid van haar woning zal toenemen na realisering van het bouwplan, niet in het bestreden besluit heeft besproken.

2.15 De overige beroepsgronden van eiseres kunnen niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

2.16 Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd en derhalve in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.17 Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat niet gebleken is dat eiseres enige kosten heeft gemaakt terzake van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen,

3.4 bepaalt dat verweerder het griffierecht ten bedrage van € 143,- aan eiseres vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2007.

De griffier: De rechter:

M. Simons mr. M.E. Heinemann

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.