Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1429

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
194033/ HAZA 05-878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, tussenvonnis. Comparitie van partijen t.a.v. causaal verband en eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 194033 / HA ZA 05-878

Vonnis van 8 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. C. Beijer,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht, kantoorhoudende te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal. De rechtbank acht de formulering van de voor de beoordeling relevante passages in dit informatiemateriaal inmiddels bekend en zal in dit vonnis niet opnieuw tot het citeren hiervan overgaan.

2.3. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. [Eiser] heeft na het insturen van het Inschrijfformulier van Spaarbeleg een welkomstpakket ontvangen met daarin een Certificaat, de Algemene Voorwaarden, de Specifieke Bepalingen van het Spaarbeleg Garantiefonds en de Brochure.

3.2. Het door [eiser] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 3 april 2000 tot en met 31 maart 2005. [eiser] heeft ter uitvoering van de overeenkomst alle 60 maandtermijnen van EUR 181,51 (NLG 400,00) aan Spaarbeleg voldaan. [eiser] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

3.3. Al eerder, in 1998, sloot [eiser] een SprintPlanovereenkomst met Spaarbeleg. Deze overeenkomst is tussentijds beëindigd op 1 april 2000, derhalve voordat de onder 3.2 genoemde overeenkomst werd aangegaan. [eiser] heeft toen een uitkering van EUR 4.101,03 van Spaarbeleg ontvangen.

4. Het geschil

4.1. [Eiser] vordert, na eiswijziging bij repliek:

a. te bepalen dat Spaarbeleg toerekenbaar tekort is geschoten / haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en mitsdien aansprakelijk is voor de hierdoor opgetreden schade;

de overeenkomst te ontbinden;

te bepalen dat Spaarbeleg aansprakelijk is en gehouden is tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden of nog zal lijden uit hoofde van de ongedaanmakingsverplichting jegens [eiser], te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de data van betaling;

b. dat primair de onder a. bedoelde schade bestaat uit hetgeen door [eiser] tot op heden aan Spaarbeleg is betaald, dan wel tot een in goede justitie te bepalen ander bedrag, vermeerderd met alle door Spaarbeleg gevorderde kosten en renten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van deze eis tot de voldoening;

c. dat subsidiair dat de overeenkomst wordt vernietigd of nietig verklaard wegens dwaling en/of misbruik van omstandigheden, de Wet op het Consumentenkrediet (Wck), of wegens strijd met dwingende wetsbepalingen boek 7A, vijfde titel A BW, althans dat deze wordt ontbonden, een en ander met veroordeling van Spaarbeleg tot terugbetaling aan [eiser] van wat door hem vanwege de overeenkomst is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente per datum afboeking, tot de voldoening;

d. met veroordeling van Spaarbeleg in de proceskosten.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

A. Beoordeling primaire vordering

Toerekenbaar tekortkomen/ onrechtmatige daad wegens schending zorgplicht

5.1. [Eiser] heeft primair gesteld dat Spaarbeleg jegens hem de zorgplicht heeft geschonden. De schending van de zorgplicht leidt tot een toerekenbare tekortkoming, dan wel een onrechtmatige daad en Spaarbeleg is mitsdien verplicht de door hem als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden.

saldibewakingsplicht

5.2. Voor zover deze vordering van [eiser] (mede) gebaseerd is op schending van artikel 28 lid 2 tot en met 4 Nadere Regeling, de rechtbank begrijpt, 1999 (hierna: NR 1999) zal deze als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen. Volgens [eiser] had Spaarbeleg op grond van deze regeling moeten blijven toetsen of hij wel aan zijn verplichtingen kon blijven voldoen, zeker nu de aandelenkoersen in een neerwaartse spiraal terecht waren gekomen. Nu [eiser] aan zijn contractuele verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan en gesteld noch gebleken is dat ooit een betalingsachterstand heeft bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [eiser] had gelegen om aan te geven waarom hij desondanks nog belang heeft bij zijn vordering gebaseerd op het toerekenbaar tekortkomen van Spaarbeleg op dit punt. Nu [eiser] hieromtrent niets heeft gesteld zal deze vordering als zijnde zonder belang worden afgewezen. Of het genoemde artikel uit de NR 1999 van toepassing is op een SprintPlan-overeenkomst, zoals door Spaarbeleg gemotiveerd is betwist, kan derhalve in het midden blijven.

bijzondere zorgplicht

5.3. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer.

5.4. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden te combineren en enkele denkstappen te maken om de risicio’s geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser] geverifieerd of hij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

geen toerekenbare tekortkoming

5.5. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De vordering strekkende tot ontbinding wordt reeds daarom afgewezen. Beoordeeld zal worden of het onrechtmatig handelen leidt tot een verplichting van Spaarbeleg tot het betalen van schadevergoeding aan [eiser].

causaal verband/ eigen schuld

5.6. Spaarbeleg heeft betwist dat er causaal verband bestaat tussen haar zorgplichtschending en de door [eiser] gestelde schade. Tevens heeft Spaarbeleg een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser]. Ten aanzien van deze twee verweren heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen en zal daartoe een comparitie gelasten. Mede kan onderzocht worden of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

5.7. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.8. De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen over - zoals reeds aangegeven - het causaal verband en de eigen schuld. Bij een beoordeling van de eigen schuld acht de rechtbank onder andere de volgende omstandigheden van belang:

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Voor zover [eiser], dan wel Spaarbeleg zich willen beroepen op stukken die met de genoemde omstandigheden verband houden, verzoekt de rechtbank deze stukken uiterlijk twee weken voor de zitting toe te sturen.

5.9. In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

B. Beoordeling subsidiaire vordering

5.10. Ondanks dat nog niet is beslist of de primaire vordering voor toe- of afwijzing in aanmerking komt, zal de rechtbank om proceseconomische redenen nu vast overgaan tot de beoordeling van het subsidiair gevorderde.

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.11. [Eiser] heeft subsidiair een beroep gedaan op schending van een aantal bepalingen van de Wck. De kredietsom bedraagt in het onderhavige geval echter EUR 27.226,81 (NLG 60.000) en blijft daarmee niet onder de in artikel 3 lid 1 Wck genoemde limiet. Dit brengt met zich mee dat de Wck reeds om die reden niet van toepassing is op de onderhavige overeenkomst. De vordering van [eiser], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig is wegens strijd met de Wck, wordt dan ook afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.12. [Eiser] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat hij dacht dat het SprintPlan een spaarproduct was en dat hij de overeenkomst nooit zou zijn aangegaan als hij had geweten dat geen enkel rendement gegarandeerd was en de inleg verloren kon gaan.

5.13. De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, recent nog in haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. In de Algemene Voorwaarden staat immers met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem of haar gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn.

5.14. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven om van dit oordeel af te wijken.

Misbruik van omstandigheden

5.15. [Eiser] heeft aangevoerd dat Spaarbeleg, alvorens de overeenkomst met [eiser] te sluiten, had moeten onderzoeken of [eiser] zich wel bewust was van de risico’s die hij nam en of hij financieel in staat was om tegenvallende koersfluctuaties op te vangen. Spaarbeleg had [eiser] moeten weerhouden om de overeenkomst aan te gaan. In plaats daarvan heeft Spaarbeleg [eiser], via haar informatiemateriaal, verleid om te gaan beleggen.

5.16. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op artikel 3:44 lid 4 BW vereist is dat Spaarbeleg het totstandkomen van de overeenkomst heeft bevorderd, terwijl Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat zij [eiser] daarvan had behoren te weerhouden. [eiser] heeft onvoldoende feiten aan zijn stelling ten grondslag gelegd. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet op voorhand in te zien dat een financiële positie, die [eiser] ook niet nader aanduidt, iemand beweegt tot het verrichten van een rechtshandeling. Het beroep op misbruik van omstandigheden wordt dan ook afgewezen.

Misbruik van bevoegdheid

5.17. [Eiser] doet een beroep op misbruik van bevoegdheid. De overeenkomst moet zo worden uitgelegd dat [eiser] aan het einde van de looptijd op een uitbetaling door Spaarbeleg mocht rekenen.

De rechtbank wijst het beroep af. De feiten die [eiser] heeft gesteld kunnen een vordering op die grondslag niet dragen. Zo is niet nader omschreven welke bevoegdheid Spaarbeleg zou hebben misbruikt.

Strijd met dwingende wetsbepalingen over de koop op afbetaling

5.18. [Eiser] stelt dat het SprintPlan moet worden aangemerkt als een koop op afbetaling. De artikelen 7A:1576c en 1576e BW zijn door Spaarbeleg geschonden, hetgeen tot vernietigbaarheid van de overeenkomst leidt. Spaarbeleg betwist dat de overeenkomst als koop op afbetaling is aan te merken.

5.19. De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst niet aangemerkt kan worden als een koop op afbetaling in de zin van artikel 7a:1576 BW. Uit artikel 7a:1576 lid 5 BW vloeit voort dat titel 5a van boek 7a BW, welke titel primair handelt over koop op afbetaling en huurkoop van zaken, van overeenkomstige toepassing is op vermogensrechten. Dit brengt mee dat effecten, die als vermogensrechten zijn aan te merken, onderwerp kunnen zijn van koop op afbetaling in de zin van die titel. Voor het voldoen aan de wettelijke omschrijving van koop op afbetaling is echter ook vereist dat sprake is van aflevering en eigendomsoverdracht. De onderhavige overeenkomst voorziet echter niet in aflevering en eigendomsoverdracht van de effecten van Spaarbeleg aan [eiser]. Uit (onder meer) artikel 5.1 van de algemene voorwaarden blijkt dat de effecten op naam van Stichting Aegon BeleggingsGiro worden gesteld, en dus niet op naam van [eiser]. Ook vermelden de algemene voorwaarden in artikel 9.1 expliciet dat de participaties niet worden uitgeleverd aan de deelnemer, in casu [eiser]. Nu geen sprake is van koop op afbetaling behoeven de overige stellingen van [eiser] reeds daarom geen verdere bespreking.

WID

5.20. [Eiser] stelt zich op het standpunt dat Spaarbeleg heeft nagelaten om zijn identiteit voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst vast te stellen. Hiertoe is Spaarbeleg gehouden op grond van artikel 2 lid 1 dan wel artikel 2, de rechtbank begrijpt van lid 2, sub a WID. Dit leidt [eiser] af uit het feit dat Spaarbeleg hem niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst om een identificatiedocument heeft verzocht. Spaarbeleg heeft als verweer aangevoerd dat zij gelet op artikel 4 lid 3 sub c WID niet gehouden is om [eiser] tevens om een nummer en/of kopie van een geldig identificatiebewijs te vragen. Daar komt bij dat de WID niet de strekking heeft om de geldigheid van de rechtshandeling, in casu de totstandkoming van de overeenkomst, aan te tasten.

5.21. De rechtbank stelt voorop dat uit de parlementaire behandeling van artikel 2 WID blijkt dat indien in strijd met de identificatieplicht is gehandeld dit in burgerrechtelijk opzicht geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de verleende dienst heeft. Immers, aldus de memorie van toelichting, de overeenkomst zelf wordt door de WID niet verboden, terwijl daarnaast deze wet aan overtreding niet de sanctie van nietigheid van de overeenkomst verbindt. Ook artikel 3:40 BW roept deze gevolgen niet op. Voorts vermeldt de memorie van toelichting dat gebruikmaking van een vals identiteitsbewijs wel een civielrechtelijk gevolg kan hebben omdat dan mogelijk een beroep kan worden gedaan op bedrog of dwaling waardoor de rechtshandeling vernietigbaar is. De rechtbank constateert dat [eiser] niet heeft gesteld dat er sprake is van een situatie waardoor op grond van een gebrek aan het gebruikte identiteitsbewijs de vernietigbaarheid via de hiervoor genoemde gronden kan worden ingeroepen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] met een beroep op de WID niet de door hem gestelde nietigheid of vernietigbaarheid kan worden inroepen.

Misleidende reclame

5.22. [Eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat Spaarbeleg misleidende informatie heeft verstrekt aangevoerd dat onvoldoende informatie is verschaft over de werking van het product, dat niet is begrijpelijke taal is gewaarschuwd voor de risico’s van beleggen, dat de rentebetalingen verloren kunnen gaan, dat onvoldoende specifieke informatie is verstrekt over de fiscale aspecten en dat de nadruk te sterk is gelegd op een verwachting van aanhoudend gunstige rendementen.

5.23. Zoals de rechtbank reeds in het bovenstaande ten aanzien van het beroep op dwaling reeds heeft overwogen, had [eiser] bij oplettende bestudering van de aan hem verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen wat het SprintPlan inhield en dat het niet een spaarproduct betrof. De rechtbank heeft in haar vonnissen van 22 december 2004 (NJF 2005/60) en 4 januari 2006 (NJF 2006/152) reeds uitgebreid gemotiveerd dat naar haar oordeel de door Spaarbeleg verstrekte informatie betreffende het SprintPlan niet als misleidend in de zin van artikel 6:194 BW kwalificeert. Misschien wekte de informatie van Spaarbeleg wel verwarring, maar deze is niet misleidend. Nu [eiser] in de onderhavige procedure geen nieuwe argumenten aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om van deze eerdere oordelen af te wijken.

Conclusie

5.24. Alle beslissingen worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen als omschreven in overweging 5.6, met inachtneming van 5.8, en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. C.A.M. van Straalen-Coumou in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op 4 december 2007 van 13.30 tot 15.30 uur,

6.2. bepaalt dat [eiser] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Aegon Bank N.V. dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

6.4. bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

6.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2007.

w.g. griffier w.g. rechter