Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1255

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
217141/ HAZA 06-1938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, Sprintplan. Schending van zorgplicht, 50% eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 217141 / HA ZA 06-1938

Vonnis van 30 mei 2007

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

eiser, mede als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eisende partij] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 oktober 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 2 maart 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het AEGON Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting AEGON BeleggingsGiro gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Op 9 november 2000 heeft [eiser sub 1], verder te noemen [eiser sub 1], namens zijn dochter [eiser sub 2], geboren op 21 juni 1993, een inschrijfformulier SprintPlan ondertekend. [eiser sub 1] had het formulier aangetroffen in een tijdschrift. Na ontvangst van het formulier heeft Spaarbeleg aan [eiser sub 1] een welkomstpakket gestuurd bestaande uit een namens Spaarbeleg ondertekend certificaat (hierna: “het certificaat”), een exemplaar van de door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden (hierna: “de Algemene Voorwaarden), de Specifieke Bepalingen van het Spaarbeleg GarantieFonds en een brochure over het SprintPlan (hierna: “de Brochure”).

Aldus is tussen partijen op 5 januari 2001 een overeenkomst (hierna: “de overeenkomst”) totstandgekomen. Vanaf 5 januari 2001 heeft [eiser sub 1] maandelijks gedurende vijf jaar fl. 150,00, althans de tegenwaarde daarvan in Euro’s (68,07) betaald aan Spaarbeleg.

2.3. De tekst van de Algemene Voorwaarden luidt voor zover relevant als volgt:

“5.1 Op de aanvangsdatum van een Spaarbeleg SprintPlan-contract worden voor rekening en risico van de Cliënt een aantal (fracties van) Participaties van de desbetreffende serie aangekocht. De Aankoopsom wordt gefinancierd door AEGON Bank, die ervoor zorgt dat de Aankoopsom tijdig aan het AEGON GarantieFonds wordt betaald.

De desbetreffende (fracties van) Participaties worden op naam van Stichting AEGON BeleggingsGiro gesteld, die deze voor rekening en risico van de Cliënt gaat houden. Vanaf het moment waarop deze transactie is verricht, is de Cliënt Deelnemer in de desbetreffende Portefeuille.

5.2 Het door de Deelnemer op zijn inschrijfformulier vermelde maandbedrag is rente over de Aankoopsom van de voor hem aangekochte (fracties van) Participaties. (...)

7.1 Bij afloop van het Spaarbeleg SprintPlan-contract van een Deelnemer op een einddatum van de desbetreffende Portefeuille, maken AEGON Bank en Stichting AEGON BeleggingsGiro voor die Deelnemer een eindafrekening op, die binnen twee weken na de einddatum aan de Deelnemer wordt toegezonden. Op de eindafrekening wordt vermeld: (a) het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de (fracties van) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor Deelnemer houdt, (b) de voor het desbetreffende Spaarbeleg SprintPlan-contract geldende (restant-) Aankoopsom en (c) al hetgeen de Deelnemer alsdan verder nog uit hoofde van zijn Spaarbeleg SprintPlan-contract aan AEGON Bank verschuldigd mocht zijn. Het saldo van de eindafrekening is het bedrag van de onder (a) bedoelde post, verminderd met het gezamenlijke bedrag van de onder (b) en (c) bedoelde posten. (...)

7.3 Indien het in artikel 7.1 bedoelde saldo van de eindafrekening negatief mocht zijn, is de Deelnemer verplicht tot bijbetaling van dit saldo aan AEGON Bank. (...)

8.4 In geval van vervroegde opzegging of beëindiging vindt vervroegde eindafrekening plaats. Het bepaalde (...) in artikel 7, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat (i) de in artikel 7.1 onder (a) bedoelde post van de eindafrekening wordt vervangen door een bedrag dat gelijk is aan de Dagwaarde van de (fracties van) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor de Deelnemer houdt; (...)

9.3 Alle voor- en nadelen verbonden aan de Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro voor een Deelnemer houdt, zijn voor rekening en risico van de desbetreffende Deelnemer."

2.4. In de Brochure is onder andere de volgende tekst opgenomen:

“(...) Meedoen met SprintPlan houdt in dat u elke maand een vast bedrag aan rente betaalt van minimaal f 100,- en maximaal f 600,-. Op basis van dit gekozen maandbedrag, schiet Spaarbeleg direct een groot bedrag voor. Uw maandbedrag is een vergoeding (rente) voor het bedrag dat Spaarbeleg u voorschiet. Hoe lager dat rentepercentage is, hoe groter het bedrag dat we u voor hetzelfde geld kunnen voorschieten. Door de lage rente van dit moment (8%) gaat er direct een groot bedrag voor u aan de slag! Hierdoor ontstaat het zongenaamde hefboomeffect. (…) Slimmer kan het niet! Daarbij komt nog, dat u geen verstand van beleggen hoeft te hebben. Dat kunt u rustig overlaten aan de beleggingsexperts van AEGON. (...)

Daarnaast biedt het AEGON Garantiefonds u de garantie dat het voorgeschoten bedrag na 5 jaar nooit in waarde gedaald kan zijn. U loopt dus alleen risico over de rentebetalingen. Op de einddatum kunt u profiteren van stijgingen van de Samengestelde Index tot 100%.

Stel u doet mee voor f 150,- per maand. Spaarbeleg belegt dan direct f 22.500,- voor u. Als de Samengestelde Index 12% per jaar stijgt, is de waarde van de belegging na 5 jaar f 39.653-. Na aftrek van het voorgeschoten bedrag ontvangt u f 17.153,-. Doet u mee voor f 250,- per maand, dan belegt Spaarbeleg direct f 37.500,-. Bij een stijging van 125 is de belegging na 5 jaar f 66.088,- waard. U ontvangt dan f 28.588,-.(...)

De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. (...) Als de beurs onverwacht tegenvalt, loopt u risico over uw rentebetalingen. (...)

U kunt echter als dat nodig is tussentijds uw SprintPlan aanpassen (…) Of u kunt eerder stoppen. U krijgt dan de waarde van uw SprintPlan uitgekeerd, verminderd met het voorgeschoten bedrag en 5% boeterente. Bij tussentijdse beëindiging vervalt de garantie op het voorgeschoten bedrag. (…)”

2.4. [Eiser sub 1] heeft voor of bij het sluiten van de overeenkomst geen tussenpersoon of adviseur geraadpleegd.

2.5. De SprintPlan-overeenkomst is geëindigd zonder dat er aan [eisende partij] een uitkering is gedaan.

3. Het geschil

3.1. [Eisende partij] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van Spaarbeleg tot betaling van door [eisende partij] aan Spaarbeleg betaalde bedragen wegens nietigheid, althans vernietiging van de onderliggende overeenkomst, althans bij wijze van ongedaanmakingsverplichting na ontbinding van de onderliggende overeenkomst, althans bij wijze van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Spaarbeleg, vermeerderd met de wettelijke rente over de bedragen vanaf de respectievelijke data van betaling en met veroordeling van Spaarbeleg in de proceskosten.

3.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De Wet op het consumentenkrediet

4.1. [Eisende partij] stelt zich allereerst op het standpunt dat de SprintPlan-overeenkomst nietig is wegens strijd met de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet (Wck).

Spaarbeleg heeft aangevoerd dat de Wck niet van toepassing is op de onderhavige transactie.

4.2. De rechtbank heeft in haar vonnis van 6 juli 2005 (LJN: AT8955), in een procedure aangespannen door eveneens een individuele deelnemer aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg, bepaald dat de Wck niet op de SprintPlan-overeenkomst van toepassing is. De rechtbank heeft daarbij, kort samengevat, het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van de rechtbank is de SprintPlan-overeenkomst te beschouwen als een krediettransactie in de zin van art. 1 aanhef en onder a, 1° Wck. De rechtbank is evenwel ook van oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst een vorm van effectenbelening is die op grond van art. 4 lid 1 aanhef en onder h Wck van de werking van de Wck is uitgezonderd. De rechtbank baseert zich hierbij op een analyse van de uitlatingen door de verantwoordelijk Minister (van Financiën) over (de gevolgen van) de aandelenlease-overeenkomsten, de Memorie van toelichting naar aanleiding van een wijziging van o.a. de Wck en de relatie tussen de bescherming die de Wck beoogt te bieden en de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de Europese regelgeving op dit terrein."

4.3. Door [eisende partij] zijn geen nadere feiten en omstandigheden gesteld die voor de rechtbank aanleiding zouden kunnen vormen om van haar eerdere oordeel af te wijken. De vordering van [eisende partij] voor zover gebaseerd op de Wck wordt dan ook afgewezen.

Dwaling

4.4. [Eisende partij] heeft voorts een beroep gedaan op dwaling en aangegeven dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het door hem te betalen bedrag zou worden geïnvesteerd in een spaarsysteem met een aantrekkelijk rendement.

Spaarbeleg heeft verwezen naar de informatie in het welkomstpakket dat voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst is toegestuurd aan [eisende partij] en aangevoerd dat hieruit precies blijkt wat voor product het betreft.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij] uit de door Spaarbeleg verstrekte informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de Brochure in combinatie met de Algemene Voorwaarden had [eisende partij] bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat hij maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hem participaties zou kopen in het Aegon GarantieFonds. In de Algemene Voorwaarden staat immers met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn (zie rechtsoverweging 2.3).

In de Brochure is bovendien onder meer opgenomen dat het maandbedrag een vergoeding (rente) is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts is vermeld dat risico wordt gelopen over de rentebetalingen.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat voor zover [eisende partij] in die zin heeft gedwaald over de inhoud van de overeenkomst dat hij dacht dat het een spaarproduct was, hij deze dwaling aan zichzelf heeft te wijten en niet aan de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie. Evenzeer had [eisende partij] op grond van de verstrekte informatie kunnen begrijpen dat de kans bestond dat hij de maandelijkse rentebetalingen zou verliezen. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

Toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst

4.7. [Eisende partij] heeft aangevoerd dat Spaarbeleg niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de overeenkomst, omdat zij nimmer daadwerkelijk participaties heeft gekocht van het voorgeschoten bedrag, althans dat ieder bewijs van deze aankoop ontbreekt. Spaarbeleg heeft deze stelling betwist.

4.8. De rechtbank stelt vast dat [eisende partij] bij dagvaarding als productie 1 heeft overgelegd een brief van Spaarbeleg van 11 januari 2006 waaruit blijkt dat [eisende partij] 2.250 participaties heeft in het AEGON GarantieFonds met een dagwaarde van EUR 4,54 per participatie, zijnde de waarde waarvoor de participaties zijn aangekocht in het kader van de garantie dat de waarde van de participaties nooit lager kan zijn dan de afgifteprijs.

Dit is in overeenstemming met het bepaalde in 5.1 van de Algemene Voorwaarden dat door Spaarbeleg (fracties van) Participaties worden aangekocht na aanvang van de overeenkomst.

De rechtbank volgt de stelling van [eisende partij] dat Spaarbeleg geen participaties heeft aangekocht dan ook niet. Temeer nu [eisende partij] verstrekkende gevolgen verbindt aan deze stelling (te weten ontbinding van de overeenkomst wegens het niet nakomen door Spaarbeleg van haar verplichtingen uit de overeenkomst) had het op zijn weg gelegen om deze stelling nader te onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij.

Zorgplicht

4.9. [Eisende partij] legt aan zijn vordering – samengevat – voorts ten grondslag dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hem niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer het bijzonder het risico dat hij na ommekomst van de overeenkomst zijn volledige inleg kwijt zou zijn) die hij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt hij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door niet te onderzoeken of hetgeen hij met de overeenkomst beoogde aansloot bij doel en strekking van het product. Zou Spaarbeleg dat wel hebben gedaan, dan zou Spaarbeleg hem de overeenkomst hebben moeten ontraden, aangezien hij beoogde te sparen.

4.10. Voor wat betreft zijn persoonlijke omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft [eisende partij] het volgende aangevoerd.

Ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst in 2000 was [eiser sub 1] 44 jaar oud. [eiser sub 1] heeft een universitaire opleiding gevolgd in Leiden en is psycholoog. In 1999 is hij na een tijd op Aruba te hebben gewerkt teruggegaan naar Suriname. Hij werkte als vertegenwoordiger en verkocht advertenties voor in een Caribische telefoongids. [eiser sub 1] is in 2000 directeur in loondienst geworden van een plaatselijke versie van de betreffende telefoongids. Er werkten 7 mensen. In 2000 verdiende [eiser sub 1] het equivalent van circa EUR 12.000,00 per jaar in Surinaamse guldens; dat is iets boven modaal. [eiser sub 1] heeft inmiddels aandelen in het bedrijf waar hij werkt. Dat was in 2000 niet het geval. [eiser sub 1] heeft verder geen aandelen (gehad).

[eiser sub 1] wilde met het SprintPlan sparen voor zijn dochter, die in 1999 acht jaar oud was, in verband met bijvoorbeeld de kosten van een studie na haar achttiende. [eiser sub 1] heeft voorts aangegeven dat hij geen belegger is; hij is bang voor risico’s. Van de door Spaarbeleg verkregen informatie over het SprintPlan is hem vooral bijgebleven wat het volgens de brochure zou gaan opleveren.

4.11. Spaarbeleg heeft de gestelde (persoonlijke) omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand is gekomen niet weersproken, maar stelt, kort samengevat, dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden omdat de door haar verstrekte informatie over het product (zie rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4) voldoende duidelijk was.

Door Spaarbeleg is als zodanig niet ontkend dat zij geen informatie bij [eisende partij] heeft ingewonnen omtrent zijn beleggingservaringen en financiële positie. Spaarbeleg heeft in dit verband echter betoogd dat zij niet gehouden is tot het inwinnen van dergelijke informatie bij een product als het SprintPlan.

4.12. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2003, JOR 2003, 199, heeft overwogen dat op een bank een bijzondere zorgplicht rust om niet-professionele beleggers te informeren over de risico's van het product, en in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285 heeft overwogen "dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt." Deze zorgplicht – die naar zijn aard strekt tot bescherming van de (potentiële) cliënt tegen het gevaar van zijn eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht – vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de contractuele verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen.

4.13. De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 december 2004 (NJ 2005, 60), onder meer herhaald in haar vonnis van 4 januari 2006 (NJ 2006, 152) aangegeven dat de omvang van de zorgplicht wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten, het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer.

De rechtbank heeft in het laatstgenoemde vonnis in dit verband onder meer overwogen:

(…) dat de rechtbank van oordeel is dat mede gelet op de risico's van het SprintPlan Spaarbeleg niet kon volstaan met het alleen verstrekken van informatie. Door Spaarbeleg is naar aanleiding hiervan betoogd dat het SprintPlan een veilig product is met zeer beperkt risico's. Tot deze stelling komt Spaarbeleg onder meer omdat, anders dan bij andere aandelenlease-producten, de deelnemer aan het SprintPlan niet met een restschuld kan worden geconfronteerd. Zelfs bij tussentijdse verlaging of beëindiging van een SprintPlan blijft, volgens Spaarbeleg, de omvang van de risico's beperkt.

Naar het oordeel van de rechtbank lijkt Spaarbeleg hiermee te miskennen, dat een en ander onverlet laat dat het SprintPlan ook in het geval er geen tussentijdse verlaging of beëindiging plaatsvindt, het verlies van de betaalde rente ook als risico valt aan te merken. Hierbij geldt dat tussentijdse verlaging of beëindiging als zodanig het risico niet beperkt, nu de mogelijkheid blijft bestaan dat niettemin de rente over de oorspronkelijk resterende looptijd verschuldigd blijft.

De noodzaak om informatie in te winnen wordt, volgens de rechtbank, nog onderstreept doordat Spaarbeleg zich niet heeft gericht op een gesegmenteerd publiek. Door het product aan te bieden aan een niet gesegmenteerd publiek kan moeilijk worden volgehouden dat het voor Spaarbeleg op voorhand duidelijk kon zijn dat de aan het product verbonden risico's voor alle potentiële deelnemers beperkt waren en het product beantwoordde aan de beleggingsdoelstellingen van alle individuele deelnemers.

En voorts:

(…) dat om de aan het product verbonden risico's geheel te kunnen doorgronden de potentiële deelnemer wel de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden dient te combineren en enkele denkstappen dient te maken. Dit betekent dat de professionele aanbieder van het product, die als geen ander de risico's en de omvang daarvan kent, dient te verifiëren of de potentiële deelnemer inderdaad deze denkstappen heeft gemaakt mede in het licht van zijn beleggingsdoelstelling.

4.14. Vaststaat dat Spaarbeleg de beleggingsdoelstelling en -ervaring van [eiser sub 1] niet heeft onderzocht, noch heeft geverifieerd of [eiser sub 1] alle denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen. Spaarbeleg heeft evenwel aangevoerd dat voor zover al sprake is van enig onrechtmatig handelen dit niet zozeer bestaat uit het niet inwinnen van informatie, maar uit het nalaten om een potentiële deelnemer te weerhouden om een SprintPlan-overeenkomst aan te gaan. De geschonden norm zou voorts niet strekken tot de verplichting om informatie in te winnen omtrent de beleggingsdoelstelling en beleggingservaring van de deelnemer.

De rechtbank heeft in eerdere vonnissen (waaronder voornoemd vonnis van 4 januari 2006) reeds overwogen dat de aanbieder van het beleggingsproduct pas nadat informatie (waaronder informatie over de beleggingsdoelstelling en beleggingservaring van de deelnemer) is ingewonnen, aan de hand waarvan kan worden geverifieerd of de deelnemer de, gezien de complexiteit van het product, vereiste denkstappen heeft gemaakt, tot de afweging kan komen of zij de deelnemer behoort te weerhouden van het sluiten van de overeenkomst. Door deze informatie niet in te winnen, heeft Spaarbeleg haar zorgplicht geschonden. Het verweer van Spaarbeleg gaat derhalve niet op.

Onrechtmatige daad

4.15. Uit het voorgaande volgt dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht, hetgeen is te kwalificeren als een onrechtmatige daad van Spaarbeleg ten opzichte van [eisende partij].

Causaal verband

4.16. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat zij desondanks niet gehouden is om aan [eisende partij] een schadevergoeding te betalen, nu er geen sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van Spaarbeleg en de door [eisende partij] gestelde schade en, indien dit causale verband wel aanwezig wordt geacht, de schade voor haar eigen rekening dient te blijven op grond van artikel 6:101 BW.

4.17. Volgens Spaarbeleg is niet gebleken dat [eisende partij] de overeenkomst daadwerkelijk niet zou hebben gesloten indien Spaarbeleg meer specifieke informatie had verstrekt en onderzoek had gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van [eisende partij] Haars inziens is immers niet gebleken dat [eiser sub 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in een zodanige financiële positie was dat hij de verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Daarbij gaat Spaarbeleg ervan uit dat [eisende partij] op grond van de door haar verstrekte informatie bekend mocht worden verondersteld met het beleggingskarakter en de risico’s van het SprintPlan.

4.18. Uit hetgeen terzake het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg is overwogen, volgt dat Spaarbeleg juist niet uit mocht gaan van de veronderstelling dat de risico’s van het SprintPlan [eisende partij] voldoende duidelijk waren, noch zonder meer ervan uit mocht gaan dat het SprintPlan aansloot bij de beleggingsdoelstellingen van [eisende partij]. Het enkele feit dat [eiser sub 1] op zichzelf bereid en in staat was de maandelijkse rentebetalingen te doen is derhalve voor de beoordeling van het causaal verband niet van doorslaggevend belang.

Beoordeeld dient te worden of (aannemelijk is dat) de overeenkomst ook zou zijn gesloten indien [eisende partij] afdoende bekend was geweest met de aard en omvang van het risico dat de maandelijks door haar te betalen termijnen verloren zouden gaan en/of Spaarbeleg had geïnformeerd naar haar beleggingsdoelstelling.

4.19. [Eiser sub 1] heeft aangevoerd dat hij beoogde met de overeenkomst te gaan sparen voor als zijn dochter meerderjarig zou worden en bijvoorbeeld zou willen studeren en dat hij geen risico had willen lopen. Spaarbeleg heeft gesteld dat [eisende partij] niet heeft aangetoond dat hij geen beleggingsrisico wilde lopen.

4.20. Op basis van hetgeen [eisende partij] ter onderbouwing van het causaal verband heeft aangevoerd en gezien het gegeven dat aan de onderhavige overeenkomst inherent is dat niet kan worden gegarandeerd dat de deelnemer aan het einde van de looptijd zal beschikken over in ieder geval het totaal van de maandelijks verrichte betalingen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, indien Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de maandelijkse bijdrage waartoe [eiser sub 1] zich verplichtte, vooral ook in verhouding met zijn – naar Nederlandse maatstaven – beperkte jaarinkomen substantieel is en dat [eiser sub 1] onbetwist heeft gesteld dat hij ten tijde van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst geen beleggingen had en ook thans niet beschikt over beleggingen, anders dan een participatie in het bedrijf waarvoor hij werkt. De rechtbank passeert derhalve het verweer van Spaarbeleg op dit punt.

Schade

4.21. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, nu de maandelijkse betalingen contractueel zijn verschuldigd en volgens haar geen gevolg zijn van schending van de zorgplicht.

Uit het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende aannemelijk is dat de onderhavige overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten, vloeit echter voort dat de door [eisende partij] maandelijks aan Spaarbeleg betaalde bedragen, anders dan Spaarbeleg meent, kunnen worden aangemerkt als schade geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg. Het verweer van Spaarbeleg gaat dan ook niet op.

Eigen schuld

4.22. Spaarbeleg stelt zich op het standpunt dat [eisende partij] zich voldoende rekenschap had moeten geven van de risico’s van het product, door zich te verdiepen in het informatiemateriaal. Hij had bij onduidelijkheden nadere informatie moeten inwinnen. Door een en ander niet te doen, dient naar de mening van Spaarbeleg de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van [eisende partij] te komen.

4.23. Gelijk de rechtbank hiervoor heeft overwogen, had de deelnemer, aldus ook [eisende partij], bij oplettende bestudering van de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat de deelnemer maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van de deelnemer participaties zou kopen in het AEGON Garantiefonds. Het lag dan ook op de weg van [eisende partij] zich nader te informeren over de risico’s van het product en de vraag of het product wel aansloot bij zijn wensen.

4.24. Zoals door de rechtbank reeds is overwogen in haar vonnis van 18 oktober 2006 (LJN AZ0660) wordt bij de beoordeling van de eigen schuld vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige – die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten – beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de als gevolg van een schending van de zorgplicht geleden schade in beginsel voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, zodat de deelnemer in beginsel alleen risico loopt ter zake de maandelijkse betalingen. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gegeven er niet toe leidt dat Spaarbeleg er, anders dan bij andere aandelenlease-producten, op mocht vertrouwen dat de cliënt bereid zou zijn de risico’s van het SprintPlan-product te nemen, juist omdat de informatie met betrekking tot wat dit product nu in de kern inhoudt zo verspreid over de verschillende contractstukken is opgenomen, dat de doorgronding van het product en de risico’s, zoals de rechtbank al meermalen heeft overwogen, de nodige denkstappen vergt, terwijl de stapsgewijze aanbieding van de informatie het gevaar in zich draagt dat relevante informatie niet (meer) zorgvuldig wordt bestudeerd.

4.25. In ieder individueel geval zullen echter de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld die van belang zijn voor de verdeling van de vergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW. Voor de verdeling van de vergoedingsplicht kunnen, zoals in eerdergenoemd vonnis overwogen, de volgende omstandigheden van belang zijn:

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

4.26. Vaststaat dat [eiser sub 1] in Nederland een universitaire opleiding heeft voltooid en werkzaam was als directeur van een bedrijf in Suriname. Hij kan derhalve als hoog opgeleid worden beschouwd. Gezien zijn leeftijd en werkervaring moet hij geacht worden de nodige levenservaring te hebben opgedaan. Van hem mocht om die reden worden verwacht dat hij, ook al had hij geen beleggingservaring, bij zorgvuldige lezing van alle door hem ontvangen informatie over het SprintPlan, eerder dan gemiddeld, kanttekeningen zou plaatsen bij zijn indruk dat het hier handelde om een spaarproduct dat een zeker rendement op zou leveren. De rechtbank ziet hierin aanleiding de eigen verantwoordelijkheid die op iedere deelnemer van het SprintPlan rust om navraag te doen naar de aard en strekking van het product en meer in het bijzonder het rendement ervan, bij [eisende partij] zwaarder te wegen dan gemiddeld. Daar staat zijn – naar Nederlandse maatstaven en in verhouding tot de verplichting die met de SprintPlan-overeenkomst wordt aangegeven – relatief lage inkomen tegenover. De rechtbank acht om die reden een verdeling van de schade, zodanig dat [eisende partij] 50% en Spaarbeleg 50% dient te dragen, op zijn plaats. De gevorderde hoofdsom zal derhalve voor de helft worden toegewezen, te vermeerderen met rente zoals na te melden.

4.27. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eisende partij] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.28. Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 248,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.100,87

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van EUR 2.012,00 (tweeduizendtwaalf euro), vermeerderd met de wettelijke rente over de helft van de maandelijks door [eisende partij] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling, tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] tot op heden begroot op EUR 1.100,87,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2007.

w.g. griffier w.g. rechter