Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB0888

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
220472/ HA ZA 06-2398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 8:563 lid 3 BW. Reder niet aansprakelijk als zaken zich niet meer op het schip bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 89

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 220472 / HA ZA 06-2398

Vonnis van 1 augustus 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUIK- EN BERGINGSBEDRIJF W. SMIT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. B.F. Keulen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. D. van de Lockant-Geschiere.

Partijen zullen hierna Smit en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 januari 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 mei 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Smit is een professioneel duik- en bergingsbedrijf dat zich ook met (assistentie bij) hulpverlening bezighoudt. Smit beschikt over een vloot van duik- en bergingsvaartuigen en een drijvende bok.

2.2. [gedaagde] is eigenaar van het motorvrachtschip “Ferox”.

2.3. Op donderdagmiddag 24 augustus 2006 is de Ferox in het Hartelkanaal scheef gevallen. De containers waarmee de Ferox was beladen zijn daardoor gaan schuiven en de Ferox is met de containerlading cacaobonen gezonken, waarbij de containers te water zijn geraakt.

2.4. Smit heeft met de vaartuigen “SW-4”, “Poseidon” en “SW-7” 33 containers geborgen en aan boord gezet van een door haar gecharterde duwbak “Dommel” met duwboot “Albatros”. Nadat op verzoek van Smit een procesgarantie op Rotterdams Garantieformulier was verstrekt door Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd. heeft Smit op 29 augustus 2006 de containers op de duwbak “Dommel” door de duwboot “Shakira” naar Amsterdam laten vervoeren.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Smit vordert – samengevat – na vermindering van eis primair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 51.953,70, vermeerderd met BTW, rente en kosten, en subsidiair vaststelling van het aan Smit toekomende hulploon terzake van de aan de 33 containers met zakken cacaobonen verleende hulp, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2. Smit legt primair aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] haar opdracht heeft gegeven de bergingswerkzaamheden uit te voeren. Deze opdracht is gegeven door de heer [B.] van het Haven Coördinatie Centrum, die daarbij namens [gedaagde] handelde. Blijkens de verklaring van mevrouw [werkneemster] van Havenbedrijf Rotterdam N.V. heeft [B.] de opdracht aan Smit namens [gedaagde] gegeven nadat zowel de schipper van de Ferox als de heer [betrokkene] (voor zover het Havenbedrijf Rotterdam N.V. bekend: de mede-eigenaar van de Ferox) hadden bevestigd dat er namens [gedaagde] opdracht kon worden gegeven.

3.3. Subsidiair beroept Smit zich op artikel 8:561 BW, waarin is bepaald dat hulp die met gunstig gevolg is verleend recht geeft op hulploon, en op artikel 8:563 lid 3 BW waarin staat dat voor hulp verleend aan een schip en de zaken aan boord daarvan uitsluitend de reder het hulploon verschuldigd is. Smit stelt voorts dat de reden dat in de laatste zin van artikel 8:563 lid 3 BW is opgenomen dat de hulpverlener de ladingbelanghebbende dient aan te spreken als zaken zich niet meer aan boord van het schip bevinden, is dat van deze zaken vaak niet te achterhalen is van welk schip zij afkomstig zijn. Volgens Smit bestaat er in de onderhavige situatie echter geen enkele twijfel van welk schip de ronddobberende containers afkomstig zijn. Meer subsidiair stelt Smit dat het onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat haar geen aanspraak jegens de haar bekende reder – [gedaagde] – zou worden toegestaan, maar Smit belast zou worden met een onderzoek naar elke individuele ladingbelanghebbende.

3.4. [gedaagde] betwist dat hij opdracht heeft gegeven om de bergingswerkzaamheden te verrichten. Hij stelt niet eens door het Havenbedrijf Rotterdam N.V. in de gelegenheid te zijn gesteld om opdracht tot berging te geven. Voor zover al zou komen vast te staan dat, zoals Smit stelt, het Havenbedrijf contact heeft gehad met [betrokkene], dan geldt dat [betrokkene] niet bevoegd is dergelijke opdrachten namens hem te geven. [betrokkene] is geen mede-eigenaar maar werkt bij het bedrijf Mercurius dat [gedaagde] ondersteunt bij zijn bedrijfsvoering. In dat kader is hij slechts gemachtigd rekeningen tot een bepaald bedrag te betalen.

Subsidiair, voor zover wordt aangenomen dat een bergingsovereenkomst tot stand is gekomen, stelt [gedaagde] dat deze tot stand is gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden of van gevaar als bedoeld in artikel 8:556 BW.

[gedaagde] stelt voorts dat Smit niet hem maar de rechthebbenden op de containers met lading aan moet spreken, omdat de containers zich niet meer aan boord van de Ferox bevonden toen Smit de bergingswerkzaamheden uitvoerde. Volgens [gedaagde] had Smit op grond van artikel 8:563 lid 3 BW slechts hem kunnen aanspreken als de lading zich nog aan boord van de Ferox bevonden had.

in reconventie

3.5. [gedaagde] vordert – onder de voorwaarde dat de rechtbank beslist dat Smit niet-ontvankelijk is in haar vordering – Smit te veroordelen tot teruggave van de originele garantie, verstrekt door Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd., binnen vier dagen na betekening van een daartoe strekkend vonnis.

3.6. Smit voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Overeenkomst tot berging

4.1. Smit stelt dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] zelf geen overeenkomst met Smit heeft gesloten, maar dat de opdracht is verstrekt door een medewerker van het Haven Coördinatie Centrum van het Havenbedrijf Rotterdam N.V. De vraag is derhalve of door deze opdracht door het Haven Coördinatie Centrum een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Smit en [gedaagde].

Smit beroept zich op de rechtsgevolgen van de volgens haar tussen Smit en [gedaagde] tot stand gekomen overeenkomst. Smit draagt daarom op grond van artikel 150 Rv de bewijslast daarvoor. Smit heeft hiervoor bewijs aangeboden. Nu [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat een overeenkomst tussen hem en Smit tot stand is gekomen zal de rechtbank Smit tot bewijslevering toelaten, tenzij het hierna te bespreken beroep van Smit op artikel 8:563 BW slaagt. In dat geval bestaat immers reeds een grondslag voor de vorderingen van Smit en kan in het midden blijven of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen.

Artikel 8:563 BW

4.2. Uit artikel 8:563 BW en de toelichting daarop volgt dat de wetgever onderscheid heeft willen maken tussen zaken die zich aan boord van een schip bevinden en zaken die zich niet meer aan boord van een schip bevinden. In de Memorie van Toelichting op artikel 8:563 BW is opgenomen:

“Een debiteurschap van de reder voor hulploon terzake van gezonken, driftige of aangespoelde zaken zou allerhande moeilijkheden opleveren: men weet veelal niet van welk schip dergelijke voorwerpen afkomstig zijn. Ook echter wanneer dit wel bekend is, lijkt het niet raadzaam de reder van het schip tot debiteur te maken, daar de band met het schip geheel verbroken is en het schip zelfs herhaaldelijk zal zijn vergaan (Korthals Altes, Prijs der zee p. 77). Het ligt voor de hand de rechthebbende op deze zaken als schuldenaar aan te wijzen.”

Hieruit volgt dat de wetgever niet doorslaggevend heeft geacht of eenvoudig is vast te stellen van welk schip de gezonken, driftige of aangespoelde zaken afkomstig zijn, maar dat de wetgever heeft gekozen voor een eenvoudig systeem door enkel doorslaggevend te laten zijn of de zaken zich nog aan boord bevinden van het schip. Tussen partijen is niet in geschil dat de door Smit geborgen containers zich niet meer aan boord van de Ferox bevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat Smit op grond van artikel 8:563 BW niet [gedaagde], maar de ladingbelanghebbenden dient aan te spreken.

4.3. De rechtbank verwerpt de stelling van Smit dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg staat aan toepasselijkheid van artikel 8:563 BW in de onder 4.2 omschreven zin. Het feit dat het voor Smit eenvoudiger is om [gedaagde] aan te spreken dan om te onderzoeken wie de individuele ladingbelanghebbenden zijn, is naar het oordeel van d rechtbank niet een omstandigheid van dien aard dat wetstoepassing als onder 4.2 omschreven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een en ander geldt te meer nu de wetgever – zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen – met betrekking tot dit punt een duidelijke keuze gemaakt heeft.

4.4. Omdat het beroep van Smit op artikel 8:563 BW wordt verworpen, zal Smit worden toegelaten tot het onder 4.1 bedoelde bewijs. Indien Smit in haar bewijsopdracht slaagt, zal de rechtbank nader ingaan op de hoogte van het door [gedaagde] verschuldigde hulploon en de reconventionele vordering.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. draagt Smit op te bewijzen dat een overeenkomst tot berging van de containers tot stand is gekomen tussen Smit en [gedaagde],

5.2. bepaalt dat, indien Smit het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.W. Wagenaar in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op donderdag 18 oktober 2007 van 9:00 tot 12:30 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat Smit, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2007.

w.g. griffier w.g. rechter