Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB0883

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
217328/ HA ZA 06-1961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, Sprintplan, causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 217328 / HA ZA 06-1961

Vonnis van 1 augustus 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

h.o.d.n. Spaarbeleg,

statutair gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 oktober 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal. De rechtbank acht de formulering van de voor de beoordeling relevante passages in dit informatiemateriaal inmiddels bekend en zal in dit vonnis niet opnieuw tot het citeren hiervan overgaan.

2.3. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. [eiseres] heeft na het insturen van het Inschrijfformulier van Spaarbeleg een welkomstpakket ontvangen met daarin een Certificaat, de Algemene Voorwaarden, de Specifieke Bepalingen van het Spaarbeleg Garantiefonds en de Brochure.

3.2. Het door [eiseres] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 november 1999 tot en met 1 november 2004. [eiseres] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van EUR 113,45 (NLG 250,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van EUR 6.807,00 [eiseres] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

3.3. [eiseres] heeft op 25 september 2004 een Aanvullende SprintPlan-overeenkomst gesloten.

4. Het geschil

4.1. [eiseres] vordert - samengevat - terugbetaling van alle door haar aan Spaarbeleg betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente wegens:

- nietigheid van de overeenkomst op grond van strijd met artikel 9 van de Wck,

- ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming wegens schending van de zorgplicht,

- vernietiging op grond van dwaling,

- misleidende reclame en/of onrechtmatig handelen,

- ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door niet aan- en verkopen van de aandelen,

met veroordeling van Spaarbeleg in de proceskosten.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.1. De rechtbank heeft in haar vonnis van 6 juli 2005 (LJN AT8955), in een procedure aangespannen door een deelnemer aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg, bepaald dat de Wck niet op de SprintPlan-overeenkomst van toepassing is. De rechtbank heeft daarbij, kort samengevat, het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van de rechtbank is de SprintPlan-overeenkomst te beschouwen als een krediettransactie in de zin van art. 1 aanhef en onder a, 1° Wck. De rechtbank is evenwel ook van oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst een vorm van effectenbelening is die op grond van art. 4 lid 1 aanhef en onder h Wck van de werking van de Wck is uitgezonderd. De rechtbank baseert zich hierbij op een analyse van de uitlatingen door de verantwoordelijk Minister (van Financiën) over (de gevolgen van) de aandelenlease-overeenkomsten, de Memorie van toelichting naar aanleiding van een wijziging van o.a. de Wck en de relatie tussen de bescherming die de Wck beoogt te bieden en de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de Europese regelgeving op dit terrein.”

5.2. De rechtbank heeft dit oordeel herhaald in diverse andere vonnissen (waaronder die met LJN: AZ3654 en AZ3667). [eiseres] heeft in deze procedure gewezen op het feit dat de kantonrechter van de rechtbank Utrecht een andere opvatting huldigt over de toepasselijkheid van de Wck. De rechtbank is hier uiteraard mee bekend, maar ziet ook hierin geen aanleiding om af te wijken van haar eerdere oordeel. Door [eiseres] zijn in de onderhavige procedure ook geen nieuwe argumenten aangevoerd die de rechtbank aanleiding geven om van haar eerdere, in bovengenoemd vonnis van 6 juli 2005 uitgebreid gemotiveerde, oordeel af te wijken. De vordering van [eiseres], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig is wegens strijd met de Wck, wordt dan ook afgewezen.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.3. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Ook deze vordering wordt daarom afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.4. [eiseres] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat zij dacht dat het SprintPlan een spaarproduct was en dat Spaarbeleg onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de inleg verloren kon gaan. Ter comparitie heeft [eiseres] nog aangevoerd dat de tussenpersoon via wie [eiseres] het SprintPlan was aangegaan haar naar aanleiding van haar vragen over de risico’s heeft bevestigd dat 90% van de inleg was gegarandeerd en dat zij over 10% risico liep.

5.5. De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, recent nog in haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. In de Algemene Voorwaarden staat immers met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem of haar gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn.

5.6. In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de deelnemers de op het Certificaat vermelde garantiewaarde niet hebben kunnen en mogen begrijpen als een gegarandeerde einduitkering. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt, mochten de deelnemers er - bij bestudering van het informatiemateriaal - juist niet van uitgaan dat de overeenkomst een spaarproduct was.

5.7. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven om van dit oordeel af te wijken. [eiseres] heeft immers erkend dat zij alle informatie over het SprintPlan heeft ontvangen. Van [eiseres] mocht worden verwacht dat zij dit informatiemateriaal heeft gelezen. Als zij dan toch stelt te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, omdat zij dacht dat zij ging sparen, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor haar eigen rekening blijven. Gelet op de schriftelijke informatie kan zij de gestelde dwaling evenmin wijten aan de uitlatingen die de tussenpersoon volgens haar heeft gedaan. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

Misleidende reclame

5.8. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat Spaarbeleg misleidende informatie heeft verstrekt (nogmaals) aangevoerd dat door de gebruikte termen in de informatie van Spaarbeleg niet duidelijk was dat het SprintPlan-product een karakter van geldlening in zich droeg, dat zij rente verschuldigd was over die lening en dat zij het risico liep om haar inleg te verliezen. De indruk is gewekt dat het SprintPlan een alternatief voor sparen betrof.

5.9. Zoals de rechtbank reeds in het bovenstaande ten aanzien van het beroep op dwaling reeds heeft overwogen, had [eiseres] bij oplettende bestudering van de aan haar verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen wat het SprintPlan inhield en dat het niet een spaarproduct betrof. De rechtbank heeft in haar vonnissen van 22 december 2004 (NJF 2005/60) en 4 januari 2006 (NJF 2006/152) reeds uitgebreid gemotiveerd dat naar haar oordeel de door Spaarbeleg verstrekte informatie betreffende het SprintPlan niet als misleidend in de zin van artikel 6:194 BW kwalificeert. Misschien wekte de informatie van Spaarbeleg wel verwarring, maar deze is niet misleidend. Nu [eiseres] in de onderhavige procedure geen nieuwe argumenten aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om van deze eerdere oordelen af te wijken.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.10. [eiseres] heeft een beroep gedaan op de twee uitspraken van deze rechtbank in de twee voornoemde collectieve acties en gesteld dat Spaarbeleg ook jegens haar de zorgplicht heeft geschonden en mitsdien op grond van onrechtmatige daad verplicht is de door haar dientengevolge geleden schade te vergoeden.

5.11. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer.

5.12. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden te combineren en enkele denkstappen te maken om de risicio’s geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiseres] geverifieerd of zij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiseres]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

causaal verband

5.13. [eiseres] heeft ter comparitie aangevoerd dat haar doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen voor het verbouwen van haar woning. Zij heeft tevens verklaard dat zij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als haar duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico’s verbonden waren. Dat zij later het Aanvullend SprintPlan afsloot was een laatste redmiddel en dient los te worden gezien van het SprintPlan.

5.14. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat voor zover zij al onrechtmatig mocht hebben gehandeld, er geen sprake is van causaal verband tussen dit onrechtmatig handelen en de gestelde schade. Volgens Spaarbeleg is het onwaarschijnlijk dat [eiseres] de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien zij haar zorgplicht had nageleefd. [eiseres] heeft niet gesteld, en evenmin is gebleken, dat Spaarbeleg haar op grond van haar financiële positie had behoren te weerhouden van het aangaan van het SprintPlan. Nader onderzoek naar de beleggingsdoelstelling had er evenmin toe geleid dat [eiseres] van de overeenkomst had afgezien. Bovendien heeft [eiseres] na afloop van het SprintPlan een Aanvullend SprintPlan afgesloten, toen alle risico’s haar bekend waren en zij in een slechtere vermogenspositie verkeerde dan ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan.

5.15. De rechtbank stelt voorop dat in zaken als de onderhavige in het algemeen geen zwaarwegende eisen worden gesteld aan het door [eiseres] gestelde causale verband en dat het in het algemeen voldoende wordt geacht indien de deelnemer aannemelijk maakt dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien Spaarbeleg wel aan haar zorgplicht had voldaan. Dit betekent echter niet dat het causale verband tussen de schending van de zorgplicht en de door de deelnemer gestelde schade steeds zonder meer wordt aangenomen. De deelnemer zal daarvoor in ieder geval voldoende - onderbouwd - moeten stellen, en zonodig moeten bewijzen. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] daarin niet is geslaagd. Van doorslaggevend belang acht de rechtbank daarbij dat [eiseres] het Aanvullend SprintPlan is aangegaan, in aansluiting op het SprintPlan. Dit Aanvullend SprintPlan lijkt zeer sterk op het SprintPlan. Er wordt namelijk ook met geleend geld belegd, de rentebetalingen kunnen verloren gaan en er bestaat een 100% garantie op het geleende bedrag op de einddatum. [eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat zij bij het aangaan van het Aanvullend SprintPlan volledig op de hoogte was van het risico dat de maandelijkse inleg verloren kon gaan. Dat zij zich de aard en de risico’s van het product terdege heeft beseft blijkt ook uit de door [eiseres] overgelegde financiële bijsluiter met betrekking tot het Aanvullend SprintPlan. Daarin wordt expliciet en in kernachtige bewoordingen vermeld dat er wordt belegd met geleend geld, dat maandelijks rente wordt betaald, dat de klant risico loopt over de rentebetalingen en dat een schuld kan worden overgehouden bij tussentijdse beëindiging van het Aanvullend SprintPlan. Ondanks die wetenschap en haar nadelige ervaring met het SprintPlan heeft zij toch gekozen voor het aangaan van het Aanvullend SprintPlan. Dat het Aanvullend SprintPlan als een laatste redmiddel is gepresenteerd heeft Spaarbeleg betwist en blijkt ook niet uit de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken met betrekking tot het aangaan van het Aanvullend SprintPlan. De overeenkomst is volgens Spaarbeleg ook aangeboden aan deelnemers die winst behaalden op hun Sprintplan. Overigens valt ook niet in te zien dat [eiseres] geen andere keus zou hebben gehad zoals zij zelf stelt. [eiseres] was immers de betaalde maandbedragen uit het SprintPlan hoe dan ook al kwijt en moest voor het Aanvullend SprintPlan opnieuw maandelijkse (rente)betalingen gaan doen, dus een nieuwe investering doen om mogelijk rendement te behalen. Nu [eiseres] ondanks haar nadelige ervaring een zelfde soort overeenkomst heeft afgesloten terwijl zij volledig op de hoogte was van de aard en de risico’s van het product, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [eiseres] het SprintPlan niet was aangegaan als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan. Het causale verband tussen de schending van de zorgplicht door Spaarbeleg en de door [eiseres] gestelde schade is niet vast komen te staan. De daarmee samenhangende vordering zal op deze grond worden afgewezen.

Ontbinding wegens wegens toerekenbare tekortkoming door niet aan- en verkopen participaties

5.16. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij vraagtekens zet bij het daadwerkelijk aan- en verkopen van de participaties door Spaarbeleg. Vanwege berichten in de media heeft zij hierover gerede twijfels. Spaarbeleg heeft in dat geval niet voldaan aan haar verplichtingen uit de overeenkomst, althans bewijs van de aankoop ontbreekt. Spaarbeleg heeft deze stelling betwist, de effecten zijn wel degelijk aangekocht en verkocht.

5.17. De rechtbank merkt op dat [eiseres] een brief van Spaarbeleg van 15 november 2004 heeft overgelegd ter zake van het resultaat van haar SprintPlan. Hierop is aangegeven dat [eiseres] 3.750 participaties in het AEGON GarantieFonds heeft met een dagwaarde van EUR 4,54 per participatie, zijnde de waarde waarvoor de participaties zijn aangekocht in het kader van de garantie dat de waarde van de participaties nooit lager kan zijn dan de afgifteprijs. Voorts is in de brief aangegeven dat op de tweede pagina, die door [eiseres] niet is overgelegd, de stand van de (Samengestelde) Index op de begin- en einddatum van het SprintPlan is vermeld. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in 5.1 van de Algemene Voorwaarden dat door Spaarbeleg (fracties van) Participaties worden aangekocht na aanvang van de overeenkomst. De rechtbank volgt de stelling, of eigenlijk slechts het geuite vermoeden, van [eiseres] dat Spaarbeleg geen participaties heeft aangekocht dan ook niet. Te meer nu [eiseres] verstrekkende gevolgen verbindt aan deze stelling (te weten ontbinding van de overeenkomst wegens het niet nakomen door Spaarbeleg van haar verplichtingen uit de overeenkomst) had het op haar weg gelegen om deze stelling nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij.

Conclusie

5.18. Concluderend worden alle vorderingen van [eiseres], met inbegrip van de rentevordering, afgewezen.

5.19. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Spaarbeleg worden begroot op:

- explootkosten EUR 84,87

- vast recht 248,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.100,87

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Spaarbeleg tot op heden begroot op EUR 1.100,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2007.

w.g. griffier w.g. rechter