Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB0507

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
31-07-2007
Zaaknummer
204507/ HA ZA 05-2432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kostenverhaal gemeente bij uitoefening publieke taak: toepassing HR 2 mei 2003 (AB 2003, 354).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10, geldigheid: 2007-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Zaaknummer / rolnummer: 204507 / HA ZA 05-2432

Vonnis van 25 juli 2006

In de zaak van

GEMEENTE RHENEN,

gevestigd te Rhenen,

eiseres,

procureur: mr. H. van Dijk,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur: mr. I.M. Jebbink.

Partijen zullen hierna respectievelijk de gemeente en [gedaagde partij] worden genoemd.

1. De procedure

Dit vonnis is een vervolg op het vonnis van 22 november 2006. Voor het verloop van de procedure wordt naar dat vonnis verwezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- akte uitlating van de zijde van de gemeente d.d. 17 januari 2007;

- antwoordakte van de zijde van [gedaagde partij] d.d. 14 maart 2007.

Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

2. de verdere beoordeling van het geschil

2.1

De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 november 2006 -voor zover thans nog van belang en zakelijk weergegeven- onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad, overwogen dat zij voorshands van oordeel was dat de vordering van de gemeente moet worden afgewezen wegens nietigheid van de tussen partijen gesloten overeenkomst, omdat de gemeente in deze overeenkomst vergoeding heeft bedongen van kosten die zij in het kader van haar publieke taakuitoefening had gemaakt, terwijl er geen wettelijke grondslag bestaat voor het verhaal van deze kosten op de burger.

Omdat partijen dit aspect met betrekking tot hun rechtsverhouding niet in het tussen hen gevoerde debat hadden betrokken, heeft de rechtbank hen in de gelegenheid gesteld zich bij akte alsnog hierover uit te laten.

2.2

De gemeente heeft in haar akte aangevoerd dat de zienswijze die de rechtbank in haar vonnis van 22 november 2006 heeft weergegeven, onjuist is. Volgens de gemeente is de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin kostenverhaal via privaatrechtelijke weg niet mogelijk wordt geacht, in onderhavig geschil niet van toepassing. Daartoe heeft zij -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

a. De onderzoeken die de gemeente heeft laten uitvoeren en waarvan zij in deze procedure betaling vordert, heeft de gemeente niet laten verrichten in het kader van de uitoefening van haar publieke taak, zodat de door de rechtbank genoemde rechtspraak van de Hoge Raad in casu niet van toepassing is.

b. In haar rechtspraak heeft de Hoge Raad de mogelijkheid om via privaatrechtelijke weg vergoeding te vorderen van kosten die in het kader van de uitoefening van de publieke taak zijn gemaakt, mede uitgesloten uit het oogpunt van rechtsbescherming voor de burger. Dat belang van [gedaagde partij] is in deze procedure niet aan de orde, omdat [gedaagde partij] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst precies wist voor welk bedrag hij zich vastlegde.

c. De gemeente heeft [gedaagde partij] met de door haar gevolgde handelwijze slechts tegemoet willen komen, door zelf het opstellen van de rapporten met betrekking tot de risicoanalyse en het stedenbouwkundig onderzoek te coördineren. In plaats van deze kosten voor te schieten en ze vervolgens door te berekenen aan [gedaagde partij], had de gemeente ook aan [gedaagde partij] kunnen vragen om zelf de rapporten te laten opstellen. Deze mogelijkheid vloeit mede voort uit de grote mate van beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij de beslissing op een verzoek om herziening van een bestemmingsplan.

d. Het wijzigen van het bestemmingsplan is een vrije bevoegdheid van de gemeente. Indien de gemeente de kosten die voortvloeien uit het behandelen van een verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan altijd voor eigen rekening zou moeten nemen, dan zou dat een zelfstandige reden vormen om het verzoek tot wijziging niet in overweging te nemen. Het voorshandse oordeel van de rechtbank dat het verhaal van deze kosten op basis van een overeenkomst met de burger die het wijzigingsverzoek heeft gedaan niet mogelijk is, zal daarom grote gevolgen hebben voor de praktijk in veel gemeentes.

2.3

[Gedaagde partij] heeft in zijn antwoordakte laten weten dat hij instemt met het voorshandse oordeel dat de rechtbank in haar vonnis van 22 november 2006 heeft gegeven.

2.4

De rechtbank ziet in hetgeen de gemeente heeft aangevoerd geen aanleiding om het in het vonnis van 22 november 2006 voorshands gegeven oordeel te herzien. Daartoe overweegt zij het navolgende.

2.5

De in artikel 10 lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening aan de gemeente gegeven bevoegdheid om voor het grondgebied van de bebouwde kom een bestemmingsplan vast te stellen, dient de gemeente aan te wenden ter behartiging van het algemeen belang (te weten de ruimtelijke ordening), zodat de gemeente bij de uitoefening van die bevoegdheid haar publieke taak uitoefent. Dat is in beginsel niet anders indien de gemeente op verzoek van een individuele burger overgaat tot wijziging van het bestemmingsplan. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek zal de gemeente zich immers niet uitsluitend mogen laten leiden door de individuele belangen van degene die het wijzigingsverzoek heeft gedaan, maar zal de gemeente het algemene belang van een goede ruimtelijke ordening mede in ogenschouw moeten nemen (HR 2 mei 2003; AB 2003, 354).

In onderhavig geschil komt daar nog bij dat de gemeente Rhenen de door [gedaagde partij] beoogde wijziging van de bestemming van zijn perceel ook zelf vanuit milieuplanologisch oogpunt wenselijk achtte, zodat in casu met de voorgenomen wijziging het algemeen belang zelfs uitdrukkelijk was gediend.

2.6

De constatering dat de gemeente bij de wijziging van het bestemmingsplan handelt ter uitoefening van haar publieke taak, brengt mee dat uit de arresten van de Hoge Raad van 2 mei 2003 (AB 2003/354) en 6 januari 2006 (AB 2006/218) volgt dat het verhaal van kosten die voortvloeien uit deze taak slechts mogelijk is als de wet in het verhaal van die kosten voorziet. Nu een dergelijke wettelijke grondslag niet aanwezig is, is de overeenkomst tussen de gemeente Rhenen en [gedaagde partij] die erop is gericht dat de gemeente de betreffende kosten op [gedaagde partij] kan verhalen, nietig.

2.7

Voor zover de gemeente, met haar stelling dat [gedaagde partij] vanuit het oogpunt van rechtsbescherming niet door de overeenkomst tot kostenverhaal is benadeeld, heeft willen betogen dat de met [gedaagde partij] gesloten overeenkomst alleen dan in strijd zou zijn met de openbare orde, indien [gedaagde partij] door deze overeenkomst de facto in zijn gerechtvaardigd belang bij een goede rechtsbescherming zou zijn geschaad, dient deze stelling te worden verworpen.

Weliswaar heeft de Hoge Raad in genoemde arresten onder meer het belang van de rechtsbescherming genoemd als argument waarom kostenverhaal op een individuele burger moet zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag, maar hij heeft dit belang niet geformuleerd als een zelfstandige voorwaarde, die ook daadwerkelijk door een overeenkomst tot kostenverhaal moet zijn geschonden, om een dergelijke overeenkomst als strijdig met de openbare orde te beschouwen. Alleen al op grond van deze overweging kan het standpunt van de gemeente niet worden gevolgd.

2.8

Bovendien acht de rechtbank de stelling dat [gedaagde partij] in casu vanuit het oogpunt van rechtsbescherming door het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst tot kostenverhaal niet is benadeeld, en dat hij van tevoren precies wist waartoe hij zich in financiëel opzicht verbond, feitelijk onjuist.

De gemeente heeft in haar brief van 8 augustus 2001 als voorwaarde voor het wijzigen van het bestemmingsplan bedongen dat [gedaagde partij] de kosten voor een stedenbouwkundig onderzoek voor zijn rekening zou nemen. Deze kosten werden door de gemeente op dat moment begroot op ongeveer fl. 7.240,00 (€ 3.285,37). Uiteindelijk heeft de gemeente in totaal in verband met advieskosten van derden een bedrag van € 14.887,97 bij [gedaagde partij] in rekening gebracht. Van dit bedrag vordert zij in deze procedure betaling. Weliswaar heeft [gedaagde partij] aanvaard dat hij het aanvankelijk genoemde bedrag van € 3.285,37 voor zijn rekening zou nemen en heeft hij ook aan een deel van de later in rekening gebrachte kosten zijn instemming verleend, maar aangezien [gedaagde partij] voor de wijziging van het bestemmingsplan afhankelijk was van de gemeente, kan niet worden geoordeeld dat hij in volledige vrijheid heeft kunnen handelen

bij zijn beslissingen om de aanvankelijk begrote kosten of om de kostenverhogingen al dan niet voor zijn rekening te nemen. Gezien deze gang van zaken had [gedaagde partij] er dan ook wel degelijk belang bij dat een beslissing tot kostenverhaal zou zijn genomen op basis van een wettelijke publiekrechtelijke grondslag, zodat voor hem de mogelijkheid van bezwaar en beroep had opengestaan.

2.9

Uit hetgeen de rechtbank hierboven onder 2.5 en 2.6 heeft overwogen, volgt dat de argumenten van de gemeente zoals in nummer 2.2 onder c en onder d weergegeven, evenmin tot een ander oordeel kunnen leiden.

2.10

Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de overeenkomst tussen de gemeente en [gedaagde partij], waarvan de gemeente in deze procedure nakoming vordert, nietig is, zodat de vordering van de gemeente zal worden afgewezen. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, die tot op heden worden begroot op € 380,00 aan verschotten en op € 1.130,00 aan salaris procureur.

3. de beslissing

De rechtbank:

3.1

wijst de vorderingen af.

3.2

veroordeelt de gemeente Rhenen in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op

€ 1.510,00 en verklaart dit vonnis voor wat betreft dit onderdeel uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2007.