Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB0066

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
31-07-2007
Zaaknummer
192448/HA ZA 05-677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandschade. Oorzaak brand op voorhand bewezen geacht. Gedaagden toegelaten tot leveren van bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 192448 / HA ZA 05-677

Vonnis van 18 juli 2007

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

AMEV SCHADEVERZEKERING N.V., thans geheten Fortis ASR Schadeverzekering N.V.

gevestigd te Utrecht,

2. de vennootschap onder firma

BBZ VOF,

gevestigd te Geertruidenberg,

eiseressen,

procureur mr. E.H. de Jonge-Wiemans,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

RESTAURANT SUPPLIES INTERNATIONAL S.A.,

gevestigd te Kilkis,

gedaagde,

procureur mr. J.J.W. Remme,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EMGA INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Mijdrecht,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE AREND AMMERZODEN B.V.,

gevestigd te Ammerzoden,

gedaagde,

procureur mr. M.R. Ruygvoorn,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. I.M. Jebbink.

Partijen zullen hierna Fortis ASR, BBZ, RSI, EMGA, De Arend en [gedaagde sub 4] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord aan de zijde van RSI;

- de conclusie van antwoord aan de zijde van EMGA;

- de conclusie van antwoord aan de zijde van De Arend;

- de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 4];

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek aan de zijde van RSI;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van EMGA;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van De Arend;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 4];

- de akte uitlating producties aan de zijde van Fortis ASR en BBZ;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. BBZ is eigenaar van restaurant ’t Bergsch Bakhuys te Geertruidenberg. Op 9 mei 2002 is in de keuken van restaurant ’t Bergsch Bakhuys brand ontstaan. Als gevolg van die brand zijn het dak en de zolderverdieping van het voorste deel van het restaurant verwoest.

2.2. In de keuken van BBZ bevond zich een frituurinstallatie van het merk Octalux, type FCE 4, die bestond uit twee frituurpannen. Deze frituurinstallatie is vervaardigd door RSI. RSI heeft de installatie verkocht aan EMGA, die de installatie in Nederland heeft geïmporteerd. EMGA heeft de installatie verkocht aan De Arend, die de installatie heeft verkocht aan BBZ. [gedaagde sub 4] heeft op verzoek van BBZ reparaties aan de frituurinstallatie verricht.

2.3. Uit de installatie-instructie/gebruiksaanwijzing van de frituurinstallatie volgt dat met de temperatuurregelaar de temperatuur van de olie kon worden ingesteld tussen 50º C en 200º C. Voorts staat in dit document:

“OVERHEAT PROTECTION

Heating up above 230 ºC can cause oil to catch fire. Appliance is protected against extensive heating by a safety thermal switch which automatically cuts-out the current. Such heat-up may be caused by possible failure of the thermostat control. In such a case you should call authorised service immediately.”

2.4. Het pand waarin restaurant ’t Bergsch Bakhuys was gevestigd, was tegen brand verzekerd bij Fortis ASR. Fortis ASR heeft een onderzoek laten instellen naar de oorzaak van de brand. In dit kader hebben de eigenaren van restaurant ’t Bergsch Bakhuys, [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 1] en [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2], op 10 mei 2002 een verklaring afgelegd waarin staat:

“Naar schatting was het ongeveer 21.05 uur dat ik aan de bar zat te telefoneren met mijn echtgenoot, die op dat moment thuis was, toen ons personeelslid genaamd [naam] uit de keuken naar mij toe kwam met de mededeling of ik naar onze kok ([kok 't Bergsch Bakhuys]) wilde komen in de keuken, daar er iets niet goed zou zijn met de frituurpan. Ik vond dat vreemd daar [kok 't Bergsch Bakhuys] zich zelf wel goed kan redden. Toen ik in de keuken kwam zag ik dat de rechter frituurpan van de 2 baks frituurinstallatie in brand stond. De vlammen sloegen onder tegen de afzuigkap. Ik heb gelijk de afzuigkap uitgeschakeld. Hierna hebben [kok 't Bergsch Bakhuys] en [naam 2] getracht om met roestvast stalen platen (die door ons voor allerlei doeleinden gebruikt worden) de vlammen af te dekken. Dit lukte hen niet, daar de vlammen tussen de naden en kieren door kwamen. Ik geef hierbij aan de de originele deksels die bij deze 2 baks frituurinstallatie horen, niet meer gebruikt konden worden. In de loop der tijd heeft ons personeel deze deksels op de kop op de naastgelegen pannenkoekpitten gelegd. Hierbij zijn deze knoppen verbrand, waardoor de deksels niet meer bruikbaar waren. Deze deksels zijn volgens ons hierna verhuisd naar de zolder. Daarna hebben wij voor het afdekken van de frituurbakken altijd gebruik gemaakt van de roestvast stalen platen. Toen het ons niet gelukte de vlammen op deze wijze te kunnen doven hebben wij zand in de frituurbak gegooid. Hierop doofden de vlammen. Ondertussen heb ik de brandweer gebeld. Toen de vlammen in de frituurbak gedoofd waren, stond de zaak vol rook. Ik heb toen met ons personeel de nog aanwezige klanten naar buiten gebracht. Toen ik op een gegeven moment buiten kwam en met de klanten stond te praten, zag ik tot mijn grote schrik dat de vlammen uit de kap van ons pand sloegen. Met de frituurinstallatie hebben wij op 9 mei 2002 geen problemen gehad. De frituurinstallatie wordt iedere dag door ons rond 11.30 uur ontstoken. Er wordt door ons geen gebruik gemaakt van frituurvet, maar van zonnebloemolie. Deze olie wordt naar schatting 3 tot 4 keer per week door ons ververst. De frituurinstallatie is door ons op 7 juli 2000 nieuw gekocht bij een horecagroothandel. De naam van dit bedrijf weten wij zo niet. Dit wordt in onze administratie nagezocht en een kopie van de aankoopfactuur ontvangt AMEV, evenals een kopie van het onderhoudscontract en een kopie van de enige herstelnota van de reparatie van de linker frituurbak van ongeveer 2 maand geleden. Bij deze reparatie is een thermostaat vernieuwd, daar de olie niet op temperatuur kwam.”

2.5. De kok, [kok 't Bergsch Bakhuys], heeft op 30 juli 2002 verklaard:

“Ik was op dat moment – ongeveer 21.10 uur – met beide frituurbakken aan het frituren. Op een gegeven moment zie ik tijdens het fritebakken in de rechter frituurbak, dat de olie begint te walmen en in no-time zwart werd. Ik heb gelijk bij deze constatering de regelknop vanaf 180 ºC op 60º C gedraaid. Ik ben doorgegaan met het bakken in de linker frituur. Onderwijl heb ik de frites uit de rechter frituurbak weggegooid omdat deze zwart waren. Ondertussen zag ik dat de olie in de rechter frituurbak zwaar begon te walmen / roken. Ik heb hierop de regelknop van de rechter frituurbak van 60ºC, op de 0 stand gedraaid. Ik heb niet gecontroleerd of de lampjes van deze rechter frituurbak op dat moment gedoofd waren. Ondertussen heb ik een collega gevraagd om [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2] [de rechtbank begrijpt: [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2]] te waarschuwen, omdat ik nog van drie tafels het eten moest frituren. Ondertussen werkte ik door op de linker frituurbak en hield de rechter in de gaten. Echter ik had deze uitgeschakeld, dus kon er volgens mij niets mee gebeuren. [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2] zat op dat moment met haar man aan de telefoon. Op het moment dat [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2] de keuken binnen kwam, vloog de olie in de rechter frituurbak in brand. Ik heb gelijk de pitten van het rechts gesitueerde pannenkoekenfornuis uitgedaan. Op dat moment sloeg de vlam ook in de linker frituurbak. Ik heb gelijk toen de afzuigkap uitgezet. Onderwijl heb ik een aantal bakplaten gepakt en deze op de frituurbakken gegooid. De vlammen bleven echter langs deze platen naar buiten komen. Hierop heb ik in de kast gekeken naar de branddeken, maar kon deze niet zo snel vinden. Onderwijl is een gepensioneerd brandweerman, die aan het achterste tafeltje in het restaurant zat te eten, bij ons gekomen in de keuken en heeft opdracht gegeven om zand te zoeken voor het blussen. Hierop ben ik snel naar buiten gegaan via de nooddeur en heb aldaar samen met mijn collega’s een paar emmers zand gepakt en deze in de brandende frituurbakken gegooid. Hierna doofden de vlammen, maar stond de hele keuken vol zwarte rook. Ondertussen heeft [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2] met mijn collega’s gezorgd dat alle gasten naar buiten werden gedirigeerd. Toen wij buiten kwamen, ontdekten wij dat de vlammen door de kap sloegen. Dit kwam ons vreemd over, daar voor ons gevoel de brand door ons was gedoofd. Dat er brand is ontstaan in de rechter frituurbak is voor mij een raadsel. Ik heb geen bedieningsfout gemaakt. De temperatuurknoppen van beide frituurbakken waren niet verder dan maximaal 200º C in te stellen. Indien je probeerde door te draaien, bemerkte je dat dit niet kon. De knop kon je dus niet verder draaien dan 200º.”

2.6. In opdracht van Biesboer Expertise B.V. heeft KEMA Quality B.V. op 18 juli 2002 een rapport uitgebracht waarin wordt geconcludeerd:

“Naar onze deskundige mening en de gegevens, welke tijdens de observatie en uit de visuele beoordeling zijn verkregen, wordt binnen het raam van dit onderzoek gesteld dat:

- de olie in rechter pan van het Octalux frituurtoestel op 9 mei 2002 (schadedatum) in brand is geraakt;

- de temperatuur van de olie normaliter wordt geregeld door een temperatuurregelaar;

- deze regelaar tijdens het evenement kennelijk niet heeft gefunctioneerd waardoor de temperatuur van de olie verder kon oplopen;

- de oorzaak van het niet functioneren van de temperatuurregelaar niet meer kon worden vastgesteld;

- bij het niet functioneren van de temperatuurregeling de verwarming via de temperatuurbeveiliging dient te worden afgeschakeld op een temperatuur die ligt beneden de ontbrandingstemperatuur van de gebruikte olie;

- deze beveiliging in de onderhavige situatie niet (tijdig) heeft gefunctioneerd;

- bij het ingestelde onderzoek de oorspronkelijk ingesteld waarde van de temperatuurbeveiliging van de rechter frituurpan niet kon worden vastgesteld;

- deze waarde in ieder geval hoger moet zijn geweest dan de ontbrandingstemperatuur van de frituurolie;

- de instel temperatuur van de temperatuurbeveiliging handmatig middels b.v. een schroevendraaier kon worden veranderd, overigens pas indien het voorpaneel van het apparaat werd verwijderd en derhalve niet door de gebruiker.

Resumerend wordt dan ook gesteld dat, door het niet juist functioneren van de temperatuurbeveiliging van de rechter frituurpan de olie in deze pan in brand is geraakt. Vrijwel zeker is het zo dat, doordat vanwege een te hoge afstelling van de aanspreektemperatuur van de voeler van de temperatuurbeveiliging het relais niet op tijd uitschakelde waardoor ook de verwarmingselementen niet werden uitgeschakeld. Vervolgens de olie in de container van de rechter frituurpan oververhit is geraakt hetgeen, zoals eerder gezegd, tot ontbranding van de olie heeft geleid.

Voorts wordt nog het volgende opgemerkt:

Ook de temperatuurbeveiliging van de linker frituurpan bleek op een te hoge waarde ingesteld te zijn. Er bestond derhalve een reëel gevaar dat, indien de temperatuurregeling van deze pan op enig moment niet zou functioneren, ook in de linker frituurpan brand had kunnen ontstaan.”

2.7. Biesboer Expertise B.V. heeft in haar rapport geconcludeerd:

“Gezien het vorenstaande kan als resultaat van de ingestelde technische expertise, daarbij gelet op de inhoud van het bijgevoegde KEMA-rapport, de afgelegde verklaringen en gedane mededelingen, worden gesteld dat:

- er op 9 mei 2002 te omstreeks 21.00 uur brand is ontstaan in de rechter pan van de in de keuken van dit restaurant staande tweepans frituuroven;

- deze brand zich via het daarboven opgehangen afzuigsysteem heeft uitgebreid op de zolderverdieping van het pand;

- blijkens de resultaten van het door Kema aan de frituuroven ingestelde onderzoek, de brand in de rechter frituurpan is ontstaan door een onjuist afgestelde temperatuurbeveiliging in deze pan;

- de olie in deze pan daardoor tot een temperatuur kon worden opgewarmd, die lag boven de ontbrandingstemperatuur, en in brand raakte en

- de vlammen boven de olie hebben geleid tot uitbreiding van het vuur in de afzuiginstallatie, nog voor dat men de pan kon afdekken met metalen platen.

Resumerend moet dan ook worden gesteld dat deze brand een direct gevolg is van het niet correct functioneren van de temperatuurbeveiliging in de rechter frituurpan. De ingestelde waarde waarop deze beveiliging had moeten aanspreken was namelijk te hoog.

Vastgesteld is dat ook bij de linker pan de temperatuurbeveiliging op een te hoge waarde (aanspreektemperatuur) ingesteld was.

Zonder demontage van het toestel was het niet mogelijk deze instelling te wijzigen.”

2.8. Door de door Fortis ASR ingeschakelde expert EMN is in overleg met de door BBZ ingeschakelde contra-expert Bureau Von Reth de totale schade getaxeerd op EUR 817.625,=. Fortis ASR heeft hiervan – in verband met onderverzekering – een bedrag van EUR 786.145,98 vergoed aan BBZ. Een bedrag van EUR 31.479,02 is derhalve niet door Fortis ASR aan BBZ vergoed.

3. Het geschil

3.1. Fortis ASR vordert – samengevat – veroordeling van RSI, EMGA, De Arend en [gedaagde sub 4] tot betaling van EUR 786.145,98, vermeerderd met rente.

3.2. BBZ vordert – samengevat – veroordeling van RSI, EMGA, De Arend en [gedaagde sub 4] tot betaling van EUR 31.479,02, vermeerderd met rente.

3.3. Fortis ASR en BBZ vorderen voorts veroordeling van RSI, EMGA, De Arend en [gedaagde sub 4] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van EUR 60.807,02, vermeerderd met rente.

3.4. RSI, EMGA, De Arend en [gedaagde sub 4] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Fortis ASR en BBZ stellen zich allereerst op het standpunt dat de frituurinstallatie is voorzien van een temperatuurregelaar en een temperatuurbeveiliging die voorkomen dat olie oververhit kan raken. De temperatuurregelaar (die blijkens de overgelegde gebruiksaanwijzing en de verklaring van [kok 't Bersch Bakhuys] ingesteld kan worden op een temperatuur tussen 50º C en 200º C) zorgt er voor dat de olie niet langer wordt verhit als de olie de ingestelde temperatuur bereikt. Als de olie is afgekoeld tot onder de ingestelde temperatuur, zorgt de temperatuurregelaar er voor dat de olie weer wordt verhit tot de ingestelde temperatuur is bereikt. De temperatuurbeveiliging zorgt er voor dat het verwarmingselement wordt uitgeschakeld als de olie een temperatuur van 230º C bereikt. Deze in de fabriek ingestelde temperatuur van 230º C ligt ruim beneden de temperatuur waarbij olie spontaan ontbrandt, zijnde 350º C.

4.2. Volgens Fortis ASR en BBZ volgt uit het feit dat in de rechter frituurbak brand is ontstaan dat de olie oververhit is geraakt, omdat de olie – als de temperatuur daarvan niet boven 230º C was uitgekomen – geen vlam had kunnen vatten. Uit het feit dat de olie oververhit is geraakt, volgt dat zowel de temperatuurregelaar als de temperatuurbeveiliging niet hebben gefunctioneerd. Hadden deze wel gefunctioneerd, dan had de olie immers niet warmer dan 230º C kunnen worden. Fortis ASR en BBZ menen dat De Arend, EMGA, De Arend en [gedaagde sub 4] voor de ontstane schade aansprakelijk zijn. De Arend is toerekenbaar tekort geschoten omdat zij een gebrekkig apparaat aan BBZ heeft geleverd. EMGA heeft onrechtmatig gehandeld jegens BBZ door een gebrekkige frituurinstallatie te verhandelen. RSI heeft onrechtmatig gehandeld jegens BBZ door een ondeugdelijk apparaat in het verkeer te brengen, terwijl RSI voorts de door haar gegeven garantie dat de frituurinstallatie zou afslaan bij een temperatuur van 230º C niet is nagekomen. Voor het geval mocht worden vastgesteld dat de frituurinstallatie bij aflevering deugdelijk was, achten Fortis ASR en BBZ [gedaagde sub 4] aansprakelijk omdat deze dan reparaties aan de frituurinstallatie niet goed moet hebben uitgevoerd, waardoor de temperatuurregelaar en/of de temperatuurbeveiliging niet naar behoren functioneerde(n).

4.3. RSI, EMGA, De Arend en [gedaagde sub 4] betwisten dat de brand is ontstaan door een gebrek in de frituurinstallatie, waardoor de olie oververhit is geraakt. Zij wijzen er op dat de temperatuurregelaar en de temperatuurbeveiliging van de frituurinstallatie door de deskundigen zijn onderzocht en dat uit hun onderzoeken is gebleken dat de temperatuurregelaar en de temperatuurbeveiliging nog functioneerden.

Gedaagden stellen voorts dat andere oorzaken voor de brand niet zijn uitgesloten. Zo kan de brand zijn ontstaan in het naast de frituurinstallatie opgestelde pannenkoekenfornuis. Ook kan de brand het gevolg zijn geweest van een te laag oliepeil in de rechter frituurbak. Als er te weinig olie in de frituurbak zit, signaleert de “voeler” niet dat de olie te warm wordt, waardoor de temperatuurregelaar en de temperatuurbeveiliging de verdere verhitting van de olie niet zullen verhinderen.

4.4. Uit de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde stukken blijkt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het vlampunt en de zelfontbrandingstemperatuur van een stof. In een door De Arend bij conclusie van dupliek overgelegde rapport van Crawford & Company (Nederland) B.V. staat daarover het volgende. Het vlampunt is de laagste temperatuur waarbij een stof (onder gestandaardiseerde omstandigheden) boven zijn oppervlak, gassen of dampen vormt, die aan de lucht ontstoken kunnen worden door een voldoende sterke ontstekingsbron. De zelfontbrandingstemperatuur is de laagste temperatuur van een stof of van een optimaal mengsel daarvan met de lucht, waarbij een sterke verhoging van exotherme reactiesnelheden plaatsvindt, die tot een vlammende brand leidt. Als een stof het vlampunt heeft bereikt, vliegt die stof derhalve nog niet uit zichzelf in brand; daarvoor is een ontstekingsbron nodig. Als die stof de zelfontbrandingstemperatuur heeft bereikt, vliegt de stof wel uit zichzelf in brand, zonder dat daarvoor een externe ontstekingsbron benodigd is.

4.5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de zelfontbrandingstemperatuur van frituurolie rond de 350º C ligt. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het vlampunt van frituurolie lager ligt, en dat vervuiling van frituurolie tot gevolg kan hebben dat het vlampunt op een lagere temperatuur ligt.

Als ervan moet worden uitgegaan dat de frituurolie is gaan branden als gevolg van het feit dat de frituurolie de zelfontbrandingstemperatuur heeft bereikt is daarmee naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat de frituurinstallatie niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Bij een correcte werking van de frituurinstallatie had de frituurolie immers nimmer een temperatuur van omstreeks 350º C mogen bereiken. De temperatuurregelaar kon niet hoger worden ingesteld dan 200º C (en hoorde boven de ingestelde temperatuur te stoppen met verhitten van de olie) en de temperatuurbeveiliging behoorde blijkens de gebruiksaanwijzing de stroomvoorziening te verhinderen als de olie niettemin warmer werd dan 230º C.

Als ervan moet worden uitgegaan dat de frituurolie is gaan branden als gevolg van het feit dat de frituurolie het vlampunt had bereikt, waarna door een externe ontstekingsbron de oliedamp is gaan branden, kan slechts worden geconcludeerd dat de frituurinstallatie niet naar behoren heeft gefunctioneerd als komt vast te staan dat het vlampunt bij een hogere temperatuur lag dan 230º C.

4.6. Uit de onder 2.4 geciteerde verklaring van de [eigenaren 't Bergsch Bakhuys] blijkt dat [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2] naar de keuken werd geroepen omdat er iets niet goed zou zijn met de frituurpan, nog voordat er brand was ontstaan. Dat biedt steun aan de onder 2.5 geciteerde verklaring van [kok 't Bergsch Bakhuys] waar staat dat zij zag dat de olie in de rechter frituurbak plotseling zwart werd en vervolgens begon te walmen/roken nadat zij de temperatuurregelaar op 0º C had gedraaid en dat zij toen [eigenaar 't Bergsch Bakhuys 2] heeft laten roepen. De rechtbank ziet geen aanleiding op dit punt aan de verklaring van [kok 't Bergsch Bakhuys] te twijfelen. Nog voordat er brand ontstond was er – zo blijkt uit deze verklaringen – iets niet in orde met de rechter frituurbak. Deze gang van zaken duidt er op dat de problemen zijn ontstaan in de frituurpan en wel dat de frituurolie oververhit is geraakt tot aan of boven de zelfontbrandingstemperatuur waardoor de olie spontaan is gaan branden, zonder dat de temperatuurregelaar of de temperatuurbeveiliging dit hebben voorkomen. Gezien hetgeen de rechtbank onder 4.5 heeft overwogen, is de rechtbank derhalve van oordeel dat Fortis ASR en BBZ voorshands – behoudens tegenbewijs – zijn geslaagd in het bewijs dat de frituurinstallatie ondeugdelijk was. RSI, De Arend en [gedaagde sub 4] zullen toegelaten worden tot het leveren van tegenbewijs.

4.7. Fortis ASR en BBZ hebben voorts aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat RSI onrechtmatig heeft gehandeld omdat de frituurinstallatie niet was voorzien van een CE-markering en ook overigens niet aan Europese normen voldeed. Fortis ASR en BBZ stellen dat EMGA en De Arend onrechtmatig hebben gehandeld door niet te controleren of een CE-markering was aangebracht en of de frituurinstallatie aan de Europese normen voldeed.

RSI, EMGA en De Arend betwisten dat geen CE-markering was aangebracht en dat de frituurinstallatie niet aan Europese normen voldeed. EMGA en De Arend betwisten voorts dat op hen de plicht rustte dat te controleren.

4.8. Zo al zou komen vast te staan dat geen CE-markering was aangebracht of dat de frituurinstallatie niet aan Europese normen voldeed, leidt dit naar het oordeel van de rechtbank op zich niet tot aansprakelijkheid voor de schade die in de onderhavige procedure wordt gevorderd. Het enkele feit dat geen CE-markering was aangebracht of dat de frituurinstallatie niet aan Europese normen voldeed, zonder dat is komen vast te staan dat de brand is veroorzaakt door een daarmee samenhangend gebrek in de frituurinstallatie, is niet voldoende om aansprakelijkheid voor door die brand veroorzaakte schade aan te nemen.

De rechtbank verwerpt daarom thans reeds deze grondslag voor aansprakelijkheid.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover komt vast te staan dat de frituurinstallatie niet naar behoren heeft gefunctioneerd, dit EMGA niet is toe te rekenen. EMGA heeft de frituurinstallatie immers niet geproduceerd en heeft de frituurinstallatie ook niet verkocht aan BBZ. De rechtbank verwerpt de stelling van Fortis ASR en BBZ dat op EMGA de plicht rustte om te controleren of de frituurinstallatie voldeed aan Europese normen. EMGA heeft – naar zij onbetwist heeft gesteld – voordat zij begon de door RSI vervaardigde frituurinstallaties te importeren, aan RSI gevraagd aan te tonen dat het betreffende type frituurovens voldeed aan de Europese richtlijnen. RSI heeft daarop een zogenaamde conformiteitsverklaring toegestuurd die als productie in het geding is gebracht. De rechtbank is van oordeel dat EMGA daarmee voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat van haar niet verlangd hoefde worden dat zij iedere te leveren frituurinstallatie afzonderlijk aan een nader onderzoek onderwierp.

In het arrest van 27 april 2001 (NJ 2002, 213), waarop Fortis ASR en BBZ zich beroepen, is geoordeeld over een situatie waarin een koper van een zaak de verkoper aansprak. De Hoge Raad heeft voor die situatie bepaald dat de verkeersopvattingen meebrengen dat een tekortkoming bestaande in een gebrek van een verkocht product in beginsel voor rekening van de verkoper komt, ook als deze het gebrek kende noch behoorde te kennen. Anders dan in het door de Hoge Raad beoordeelde geval bestond er tussen BBZ en EMGA echter geen contractuele relatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat vergelijking met de in dat arrest beoordeelde geval niet opgaat.

Gezien het vorenstaande en het onder 4.7 overwogene zal de rechtbank de vorderingen van Fortis ASR en BBZ jegens EMGA in het eindvonnis afwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat RSI, De Arend en [gedaagde sub 4] toe het in ?4.6 bedoelde tegenbewijs te leveren,

5.2. bepaalt dat, indien RSI, De Arend en [gedaagde sub 4] het bewijs door middel van getuigen willen leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. J.W. Wagenaar in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op woensdag 29 augustus 2007 van 13.30 tot 17.30 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat RSI, De Arend en [gedaagde sub 4], indien zij het bewijs niet door getuigen willen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - en aan de wederpartij moeten opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. H. Phaff en mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2007.

w.g. griffier w.g. rechter