Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB0052

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
31-07-2007
Zaaknummer
229266/FA RK 07-2120
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk verzoek ouders tot aantekening in gezagsregister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/126

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 229266 / FA RK 07-2120

gezag

Beschikking van 11 juli 2007

in de zaak van

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

procureur mr. drs. E.E. Weiland,

tegen

[de vader],

verblijvende in de PI te [woonplaats],

procureur mr. P.C. Smit.

1. Verloop van de procedure

De moeder heeft op 16 april 2007 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot nietig verklaring dan wel vernietiging van de inschrijving [minderjarigen] in het gezagsregister. Tevens heeft zij verzocht het gezag over na te noemen minderjarige kinderen aan haar toe te kennen.

De rechtbank heeft op 11 juni 2007, voor aanvang van de zitting, nog kennis genomen van een fax van de Raad voor de Kinderbescherming.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 11 juni 2007.

2. Vaststaande feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[Naam minderjarige 1], geboren op 10 december 2002 te [geboorteplaats],

[Naam minderjarige 2], geboren op 10 mei 2004 te [geboorteplaats].

- De vader heeft de kinderen erkend.

- In het gezagsregister is op 6 januari 2007 een aantekening verwerkt dat op verzoek van de ouders het gezamenlijk gezag door de griffier in het gezagsregister is verwerkt.

- [Minderjarigen] zijn door de kinderrechter te Utrecht bij beschikking van

29 december 2006 ondertoezicht gesteld en uit huis geplaatst.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1 Verzoek moeder

De moeder heeft gevraagd de inschrijving in het gezagsregister van [minderjarigen] nietig te verklaren dan wel te vernietigen. Zij stelt dat de formulieren voor de aanvraag van gezamenlijk gezag buiten haar medeweten om en zonder haar toestemming naar de rechtbank zijn opgestuurd. Toen de ouders nog een relatie met elkaar hadden, zijn de formulieren wel opgevraagd maar nimmer ingevuld en opgestuurd, aldus de moeder. In het voorjaar van 2006 heeft zij opnieuw formulieren opgevraagd ter bespreking met de vader in de gesprekken bij de mediator. De papieren zijn toen ondertekend en aan de vader meegegeven. Volgens de moeder heeft hij nagelaten deze naar het kantongerecht op te sturen. Inmiddels is de verhouding tussen de ouders dusdanig verslechterd dat gezamenlijk gezag niet mogelijk is. De moeder verzoekt voorts het eenhoofdig gezag over de kinderen aan haar toe te kennen.

3.2 Verweer vader tevens zelfstandig verzoek

De vader heeft op de zitting verweer gevoerd. Hij voert aan dat hij de stukken voor de registratie van gezamenlijk gezag in de zomer van 2006 bij de rechtbank heeft afgegeven, maar dat hier niets mee is gedaan. In december 2006 heeft hij de formulieren opnieuw ingediend en wederom is het op de rechtbank misgegaan. In januari 2007 heeft hij nogmaals de in het voorjaar 2006 ingevulde formulieren en bijlagen naar de rechtbank laten faxen en toen is uiteindelijk de vermelding in het gezagsregister doorgevoerd. Op de zitting heeft de man verzocht om bij toewijzing van het verzoek van de moeder partijen alsnog gezamenlijk met het gezag te belasten.

3.3 Reactie moeder op verzoek vader

De moeder heeft in reactie op het voorwaardelijke verzoek van de vader om beide ouders met het gezag te belasten aangevoerd dat er geen basis voor gezamenlijk gezag is. Volgens haar kunnen de vader en zij thans niet samenwerken. De moeder sluit niet uit dat in de toekomst wellicht wel gezamenlijk gezag mogelijk is en dat zouden partijen dan samen kunnen aanvragen.

3.4 Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank constateert dat de vader en de moeder sinds 17 januari 2007 gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarigen] zijn belast. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat beide ouders meerderenmalen de intentie tot gezamenlijk gezag hebben gehad. Echter, op de zitting heeft de vader aangegeven dat, op het moment dat hij in januari 2007 het formulier voor de aanvraag van gezamenlijk gezag wederom naar de rechtbank liet versturen, hij wist dat de moeder zich inmiddels verzette tegen gezamenlijk gezag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vader op het moment van indiening niet namens de moeder handelde. Er was derhalve geen sprake van een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 1:252 BW. De rechtbank is dan ook van oordeel aan de aantekening in gezagsregister een gebrek kleeft en ten onrechte is opgenomen.

De vraag is vervolgens op welke wijze dit gebrek dient te worden hersteld. Uit het systeem van de wet volgt dat een dergelijke aantekening niet kan worden vernietigd, maar slechts kan worden doorgehaald. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 1:253p lid 3 BW. De aard van het gezagsregister brengt mee dat derden ervan uit mogen gaan dat de aantekeningen in dit register hetzij op een rechterlijke uitspraak met betrekking tot gezag berusten hetzij zijn opgenomen op verzoek van beide ouders die gezamenlijk met het gezag over hun kind(eren) willen worden belast. Het betreft een openbaar register dat door derden kan worden geraadpleegd. Het is dan ook van belang dat de historische gang van zaken uit het gezagsregister blijkt. Te meer nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat er tussen partijen nimmer gezamenlijk gezag heeft bestaan, terwijl derden hier op basis van het gezagsregister hier wel van uit mochten gaan. De rechtbank zal daarom de griffier gelasten in het gezagsregister een aantekening toe te voegen en wel dat bij de onderhavige beschikking doorhaling is gelast van de aantekening van 16 januari 2007, waarbij op verzoek van beide ouders gezamenlijk gezag tot stand is gekomen.

Ten aanzien van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank maakt uit de stukken en de verklaringen op dat partijen in het verleden de kinderen samen hebben opgevoed. De be√ędiging van hun relatie alsmede het incident hebben ertoe bijgedragen dat hun verstandhouding thans verslechterd is. De rechtbank gaat ervan uit dat dit slechts een tijdelijke situatie is. Te meer nu de moeder op de zitting heeft verklaard dat zij het niet uitsluit dat partijen in toekomst wellicht weer samen de beslissingen over [minderjarigen] kunnen nemen. Het systeem van de wet is er ook op gericht dat ouders gezamenlijk de beslissingen over hun kinderen nemen. Het plan van Bureau Jeugdzorg Utrecht in het kader van de terugplaatsing van [minderjarigen] bij de moeder gaat eveneens uit van een situatie waarin beide ouders juridisch gezien een gelijkwaardige positie hebben. Niet in de laatste plaats acht de rechtbank het in belang van de kinderen zelf dat hun ouders allebei verantwoordelijk voor hen zijn en gezamenlijk het gezag uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Tot slot spreekt de rechtbank de hoop uit dat de vader en de moeder het verleden kunnen laten rusten en zich in het belang van [minderjarigen] op de toekomst zullen richten, waarbij zij samen invulling geven aan hun rol als ouder.

4. Beslissing

De rechtbank gelast de griffier in het gezagsregister met betrekking tot [naam minderjarige 1] geboren op

10 december 2002 te [geboorteplaats], en [naam minderjarige 2], geboren op 10 mei 2004 te [geboorteplaats], de navolgende aantekening toe te voegen: de kantonrechter gelast doorhaling van de aantekening van

16 januari 2007 op verzoek van de ouders om met het gezamenlijk gezag belast te worden.

De kantonrechter bepaalt dat de ouders gezamenlijk belast worden met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de voornoemde minderjarigen.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter tevens kantonrechter-plaatsvervanger in tegenwoordigheid van mr. drs. S. Verhoeven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2007.