Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9968

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
SBR 07-908 en SBR 07-911 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving ivm permanente bewoning van recreatiewoning (Amersfoort); na uitspraken rb en ABRS geen ruimte meer voor vw om aan zijn eerdere standpunt mbt overgangsrecht te blijven vasthouden. Beroep gegrond en zelf voorzien (primaire handhavingsbesluit herroepen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 07/908 en SBR 07/911 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2007 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[eiser],

wonende te Amersfoort,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 15 maart 2007 waarbij, na vernietiging van een eerdere beslissing op bezwaar ingevolge uitspraken van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), eisers bezwaarschrift tegen het opleggen van een last onder dwangsom in verband met permanente bewoning van het pand en perceel Barchman Wuytierslaan 81-20, (wederom) ongegrond is verklaard.

1.2 Het verzoek is op 27 juni 2007 ter zitting behandeld, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Visser, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep:

2.3 Met betrekking tot de aan de orde zijnde last onder dwangsom zijn eerdere uitspraken gedaan door deze rechtbank van 7 juli 2006 en door de ABRS van 5 oktober 2006.

2.4 In haar uitspraak van 7 juli 2006 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat nu eiser zijn chaletwoning vanaf juli 2002 voor permanente bewoning heeft gebruikt dit gebruik onder de overgangsbepalingen van het aldaar genoemde Facet-bestemmingsplan valt, zodat moet worden geoordeeld dat de permanente bewoning van het chalet door eiser niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. In reactie op verweerders stelling dat eiser geen geslaagd beroep op het overgangsrecht kan doen omdat hij ter zake niet te goeder trouw is, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

De rechtbank overweegt dienaangaande dat aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht moet worden vastgesteld of daaraan in een bepaald geval rechten kunnen worden ontleend. De rechtbank ziet geen grond om te beoordelen dat daarbij dient te worden betrokken of eiser al dan niet te goeder trouw een beroep doet op het overgangsrecht en of dit gebruik mogelijk in strijd is met een door eiser gesloten overeenkomst. In de door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.5 Bij uitspraak van 5 oktober 2006 heeft de ABRS voormelde uitspraak met verbetering van gronden bevestigd. Daarbij heeft de ABRS overwogen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of [eiser] aannemelijk heeft gemaakt dat hij, zoals hij stelt, de recreatiewoning ten tijde van belang permanent bewoonde en in verband daarmee de bescherming van het overgangsrecht geniet. Daarbij heeft de ABRS het volgende overwogen:

De rechtbank heeft het besluit van 5 oktober 2005 terecht vernietigd. Zij heeft echter ten onrechte geconcludeerd dat dat betekent dat het college niet handhavend kon optreden. Bij de nieuw te nemen beslissing op het door [eiser] gemaakte bezwaar dient het college te onderzoeken of deze aannemelijk heeft gemaakt dat hij de recreatiewoning, zoals hij stelt, ten tijde van het in werking treden van het facet-bestemmingsplan al permanent bewoonde.

2.6 Na de uitspraak van de ABRS heeft eiser bij verweerder bewijsstukken aangeleverd met betrekking tot het moment waarop hij ter plaatse is gaan wonen.

In het thans bestreden besluit heeft verweerder onder meer overwogen het niet eens te zijn met eisers conclusie dat hij wordt beschermd door het overgangsrecht. Verweerder heeft gesteld dat de ABRS de vaststelling van de rechtbank, dat de vraag of eiser te goeder trouw is niet bij de beoordeling dient te worden betrokken, niet heeft overgenomen. In de zinsnede in de uitspraak van de ABRS “naar hij stelt” ligt volgens verweerder niet alleen besloten dat verweerder moet onderzoeken of eiser op 29 december 2003 in zijn recreatiewoning woonde, maar ook of hij in verband daarmee de bescherming van het overgangsrecht geniet. Volgens verweerder heeft de ABRS in geen geval uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat eiser door het overgangsrecht wordt beschermd.

Verweerder is, op grond van de bewijsstukken van eiser, van oordeel dat aannemelijk is dat eiser vanaf medio 2002 zijn recreatiewoning permanent bewoont. Daarnaast heeft verweerder echter gesteld dat het gebruik bij brieven van 28 maart 2003 en 15 december 2003 is gewraakt en dat hij nog steeds van mening is dat eiser geen beroep toekomt op het overgangsrecht, nu hij ter zake niet te goeder trouw is. Dienaangaande heeft verweerder gewezen op de omstandigheid dat eiser een leveringsakte heeft getekend, waarin het verbod tot permanente bewoning als kettingbeding is opgenomen. Voorts heeft verweerder gewezen op de ontwikkelingen rondom Midland Parc in de jaren 1998-2004 en de publiciteit die daarover is geweest, waardoor een redelijk denkende koper volgens verweerder daarvan op de hoogte had moeten zijn. In verband daarmee was het kopen van een recreatiewoning om die als hoofdverblijf te gaan gebruiken als buitengewoon risicovol te beschouwen.

Onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 februari 2005, zaaknummer 200401243/1 en van 6 november 2002, zaaknummer 200105798/1 (beide gepubliceerd op www.raadvanstate.nl) heeft verweerder voorts gesteld dat geen sprake is van gevestigde rechten en belangen van eiser die moeten worden beschermd nu eiser zich ter plaatse permanent is gaan wonen, terwijl hij wist dat dit niet was toegestaan.

2.7 Eiser stelt zich in beroep (nog steeds) op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was handhavend op te treden, omdat geen sprake was van strijd met het bestemmingsplan op het moment dat hij het chalet als woning is gaan gebruiken. Toen gold namelijk alleen nog het voornoemde “Plan in hoofdzaak”, waarin geen gebruiksverbod is opgenomen, terwijl het betreffende gebruik nadien onder het overgangsrecht van het voornoemde in 2003 in werking getreden Facet-bestemmingsplan is komen te vallen.

Eiser stelt dat verweerder gebonden is aan de overwegingen uit de eerdere rechterlijke uitspraken. Nu verweerder erkent dat eiser vanaf medio 2002 ter plaatse is gaan wonen, is volgens eiser geen andere conclusie mogelijk dan dat het gebruik van de recreatiewoning onder vigeur van het overgangsrecht is toegestaan, zodat verweerder geen bevoegdheid heeft om handhavend op te treden.

Voort heeft eiser aangevoerd dat hij door de handelwijze van verweerder onnodig op kosten wordt gejaagd, zodat het niet meer dan redelijk is dat verweerder wordt veroordeeld in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, die volgens zijn opgave ter zitting € 1.561,88 bedragen, te vermeerderen met de door hem persoonlijk gemaakte onkosten aan verletkosten en reiskosten van totaal € 400,80 en het betaalde griffierecht.

2.8 De rechtbank stelt vast dat partijen niet meer verdeeld zijn over de vraag vanaf wanneer eiser zijn recreatiewoning permanent bewoont. Beide partijen gaan uit van een datum medio 2002, gelegen voor de inwerkingtreding van voornoemd Facet-bestemmingsplan. Partijen zijn slechts verdeeld over de vraag of verweerder het dwangsombesluit kan handhaven met als reden dat eiser geen bescherming kan ontlenen aan het overgangsrecht wegens het ontbreken van goede trouw.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank stond het verweerder niet langer vrij om, na beoordeling van de permanente bewoning op het moment van de inwerkingtreding van het Facet-bestemmingsplan, op basis van het ontbreken van goede trouw het bezwaar tegen het dwangsombesluit ongegrond te verklaren. De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het ontbreken van goede trouw, zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven, zijn immers in rechte komen vast te staan. De rechtbank heeft het beroep van verweerder op de goede trouw zonder voorbehoud verworpen, verweerder heeft in hoger beroep gemotiveerd aangegeven het met deze overweging niet eens te zijn en de ABRS heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Weliswaar heeft de ABRS daarbij de gronden verbeterd, maar deze verbeteringen zien (zoals volgt uit de weergave onder 2.5) op het feit dat de rechtbank verweerder had moeten laten beoordelen of sprake was van permanente bewoning en niet op de verwerping van verweerders beroep op het ontbreken van goede trouw. Bovendien, indien de ABRS van oordeel zou zijn geweest dat het beroep van verweerder op het ontbreken van goede trouw zou opgaan, zou een nadere beoordeling van de permanente bewoning zinledig zijn, omdat eiser daaraan toch geen bescherming zou kunnen ontlenen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder bij de nadere besluitvorming geen nieuwe argumenten heeft aangedragen, zodat er voor de rechtbank ook bij een inhoudelijke beoordeling geen aanleiding zou zijn om anders te oordelen dan zij heeft gedaan bij haar uitspraak van 7 juli 2006.

2.10 Gelet op vorenstaande was verweerder niet bevoegd eiser ter zake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik aan te schrijven, zodat het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd. Tevens bestaat, gelet op het voorgaande, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. In dat kader herroept de rechtbank het primaire handhavingsbesluit, nu voorgaande overwegingen alleen tot die uitkomst kunnen leiden.

2.11 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 389,15 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand, € 57,63 aan verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting (eiser heeft ongemotiveerd een bedrag van € 40,- exclusief BTW genoemd; de rechtbank sluit aan bij het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder d. van het Besluit proceskosten bestuursrecht en zal het gemiddelde bedrag tussen het hoogste en het laagste tarief hanteren voor een periode van 2 uur (2 x ( € 4,54 + € 53,09) / 2 = € 57,63) en € 9,52 voor reiskosten (berekend op basis van de tarieven van openbaar vervoer).

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gestelde daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Hoewel de rechtbank gelet op voorgaande overwegingen met eiser van oordeel is dat, gelet op de eerdere uitspraken van de rechtbank van en van de ABRS, verweerder ten onrechte in het bestreden besluit opnieuw het door hem al eerder verwoorde standpunt heeft ingenomen, is de rechtbank niet van oordeel dat het standpunt van verweerder in deze procedure zodanig onbegrijpelijk of onredelijk is geweest dat daardoor sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht naar voren komt dat alleen in uitzonderlijke gevallen een verhoging van de proceskostenveroordeling op basis van dit artikellid aan de orde is en dat de kostenveroordeling niet is bedoeld als een volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

2.12 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

2.13 Wel is er aanleiding om verweerder in de proceskosten met betrekking tot het verzoek te veroordelen. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2007 gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 15 maart 2007;

3.3 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 389,15;

3.5 bepaalt dat het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem wordt vergoed;

3.6 wijst de gemeente Amersfoort aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te betalen;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.7 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,-;

3.9 bepaalt dat het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem wordt vergoed;

3.10 wijst de gemeente Amersfoort aan als de rechtspersoon die onder 3.8 en 3.9 genoemde bedragen dient te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken

op 11 juli 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. E.M. Tol mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.