Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9967

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
SBR 06-4056
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vrijstelling artikel 19, 2e lid, WRO en aanlegvergunning voor rotonde; ruimtelijke onderbouwing; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/4056

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2007

inzake

1. [eisers 1],

2. [ei[naam],

wonende te Amersfoort,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 11 oktober 2006 waarbij, na vernietiging van een eerder besluit van 21 februari 2006, (wederom) een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is verleend voor (een gedeelte van de) verkeersmaatregelen in het gebied Berg-Noord. Ook is bij besluit van 11 oktober 2006 een aanlegvergunning verleend voor de kap van 5 linden, 2 moeraseiken en 2 esdoorns.

1.2 Het beroep is op 5 juni 2007 ter zitting behandeld, waar eisers[naam] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Bruins, M. Schnackers, en A. Bijlholt, allen werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

Overwegingen

2.1 Verweerder wil uitvoering geven aan door hem beoogde verkeersmaatregelen, die zijn neergelegd in een voorlopig en een definitief ontwerp verkeersmaatregelen Berg-Noord, welk definitief ontwerp op 21 februari 2006 is vastgesteld. Bij besluit van diezelfde datum is wat betreft het noordelijke gedeelte van de wijk Het Bergkwartier in Amersfoort een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend voor een perceel grond met de in het bestemmingsplan “De Berg” 2003 opgenomen bestemming "woondoeleinden", gelegen aan de noordzijde van een ter plaatse beoogde rotonde. Het betreft een zogenoemde grote rotonde op een plaats waar nu een vijfsprong ligt.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 augustus 2006 is het besluit van 21 februari 2006 vernietigd. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat uit de overwegingen van verweerder onvoldoende valt op te maken waarom verweerder van oordeel is dat sprake is van een planologische gewenste ontwikkeling in het kader van de voor de vrijstelling vereiste ruimtelijke onderbouwing. Voorts is overwogen dat, gelet op het belang van het groen in deze wijk, verweerder over de herplant uitdrukkelijk een besluit had moeten nemen.

2.2 Bij het thans bestreden besluit is, in een bijlage bij het besluit, een aanvulling gegeven op de eerder vermelde ruimtelijke onderbouwing, waarbij de status van beschermd stadsgezicht en de verschillende aan de orde zijnde belangen ook aan de orde komen. Tevens is een (nieuwe) aanlegvergunning verleend onder de voorwaarde dat er conform een aangehecht beplantingsplan 6 beuken, 4 wintereiken en 2 linden worden herplant.

2.3 In artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO is het volgende bepaald:

1. De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Over de toepassing van artikel 19 van de WRO hebben Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht een Circulaire opgesteld, meest recentelijk gedateerd 12 november 2002, waarin onder meer categorieën zijn aangegeven in een limitatieve lijst, waarin burgemeester en wethouders zelfstandig vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen verlenen, ook indien tegen het betreffende project zienswijzen worden ingediend.

Verweerder heeft aangegeven dat in dit geval op grond van onderdeel e. van de betreffende limitatieve lijst vrijstelling is verleend welke categorie (alleen van toepassing voor het stedelijk gebied) luidt: Aanpassing van bestaande en aanleg van nieuwe, naar aard beperkte weg-, water-, en groenvoorzieningen, mits deze niet samenhangen met of voortvloeien uit nieuwe planmatige uitbreidingen of reconstructies.

In voornoemde Circulaire is onder meer aangegeven dat op grond van de memorie van toelichting bij de WRO de algemene verklaring van geen bezwaar niet van toepassing is in beschermde stads- en dorpsgezichten. Bij het hier van toepassing zijnde bestemmingsplan is een bijlage (bijlage 2: beschermd stadsgezicht) opgenomen, waarin is aangegeven dat sprake is van een beschermd stadsgezicht in voorbereiding.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden zonder aanlegvergunning van burgemeesters en wethouders op gronden ter plaatse van de op de plankaart voorkomende aanduiding “beschermd- of gemeentelijk stadsgezicht “ de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. aanleggen en verharden of wijzigen van het profiel van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

(…)

e. vellen en rooien van bomen (..)

In het derde lid van artikel 22 van de planvoorschriften is bepaald dat deze werkzaamheden niet toelaatbaar zijn indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct of indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van deze gronden, welke het plan beoogt te beschermen, onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.4 Ten aanzien van het besluit tot vrijstelling van het bestemmingsplan stelt de rechtbank vast dat ten tijde van het thans bestreden besluit nog steeds niet definitief was beslist over de beoogde aanwijzing van het Bergkwartier als beschermd stadsgezicht. Net als de voorzieningenrechter in zijn eerdere uitspraak is de rechtbank van oordeel dat, nu er nog geen aanwijzing als beschermd stadsgezicht is vastgesteld, verweerder vrijstelling kon verlenen van de betreffende categorie uit de limitatieve lijst van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Tevens onderschrijft de rechtbank de overweging van de voorzieningenrechter dat wel met het beschermende karakter (zoals aangegeven in bestemmingsplan) rekening gehouden moet worden bij het geven van de vereiste ruimtelijke onderbouwing.

2.5 Eisers hebben aangevoerd dat verweerders aanvullende ruimtelijke onderbouwing mager is te noemen, onder meer omdat daarbij zonder meer wordt uitgegaan van de maatschappelijke noodzaak van de rotonde. Volgens eisers wordt op onduidelijke gronden geconcludeerd dat de rotonde past in het beschermd stadsgezicht. Voorts hebben zijn opgemerkt dat hun kritiek met betrekking tot het in tweeën delen van het Bergkwartier niet is besproken en dat de samenhang tussen het groen en de straatprofielen niet of nauwelijks aan bod komt. De door de voorzieningenrechter noodzakelijk geachte planologische afweging is er volgens eisers nog steeds niet, nu op dat punt geen nadere onderbouwing is gegeven. Eisers hebben een rapport overgelegd van Adviesbureau Haver Droeze van 14 en 22 december 2006, dat hun conclusie ondersteunt dat sprake is van een onvoldoende ruimtelijke onderbouwing.

2.6 De door eisers aangevoerde argumenten over het verkeer en de verkeersveiligheid ter plaatse en de uitrit bij het perceel van de familie [naam] zijn, gelet op de overwegingen 2.10 en 2.11 in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter (kenmerk SBR 06/1547, SBR 06/1557 en SBR 06/2437 VV), al in beroep verworpen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat het oordeel met betrekking tot deze gronden al in rechte is komen vast te staan.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aanvullende ruimtelijke onderbouwing voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom naar zijn mening sprake is van een planologisch gewenste ontwikkeling. Tevens kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat verweerders overwegingen met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing getuigen van een onjuiste waardering van de belangrijke kenmerken van het betreffende gebied. De rechtbank acht die ruimtelijke onderbouwing dan ook voldoende, waarbij de rechtbank ook van betekenis acht de geringe ingrijpendheid van de inbreuk die met de vrijstelling wordt gemaakt op het bestemmingsplan. Die vrijstelling was in dit geval nodig omdat op een klein gedeelte in de noordhoek van de beoogde rotonde de bestemming “woondoeleinden” rustte, terwijl de beoogde rotonde voor het overige op gronden met de bestemming “verkeersdoeleinden” is gelegen. Zonder de nu verleende vrijstelling was het reeds mogelijk ter plaatse een rotonde te realiseren met een aanzienlijke omvang, terwijl deze voor eisers een vrijwel vergelijkbare inbreuk op de door hen naar voren gebrachte belangen zou betekenen. De belangenafweging tussen de door verweerder naar voren gebrachte belangen voor de grotere rotonde en de gestelde belangen van eisers, heeft verweerder in het licht van het voorgaande niet ten onrechte laten uitvallen in het voordeel van de eerstgenoemde belangen. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat op detailniveau van de uitvoering (bijvoorbeeld het materiaalgebruik) zo veel mogelijk aansluiting zal worden gezocht bij de wensen van eisers en de karakteristiek van de wijk.

2.8 Ten aanzien van de verleende aanlegvergunning stelt de rechtbank voorop dat het aanleggen en wijzigen van het profiel van de weg (slechts) ontoelaatbaar is indien sprake is van een onevenredige aantasting van de te beschermen waarden. Ten aanzien van de vraag of sprake is van een onevenredige aantasting overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder aansluiting heeft gezocht bij het oorspronkelijke ontwerp van de lanenstructuur waarbij op de plek van de geplande rotonde een rond plein was ontworpen, omringd door bomen en met een monumentaal element in het midden. In de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat gestreefd wordt naar de plaatsing van een kunstwerk/monument in het midden van de rotonde, in een groenaanleg met allure. Rondom de rotonde wordt een bomenkrans geplaatst die overeenkomsten heeft met de bomenrij die is te zien op de ontwerptekening uit 1900. Bij de materiaalkeuze voor de bestrating en het fietspad wordt eveneens aansluiting gezocht met wat in het beschermde stadsgezicht gebruikelijk is. De rechtbank is van oordeel dat met deze toelichting in de ruimtelijke onderbouwing voldoende aannemelijk is geworden dat van een dergelijke onevenredige aantasting geen sprake zal zijn.

De rechtbank ziet in het door eisers overgelegde rapport van 14 en 22 december 2006 van Haver Droeze onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. In het rapport wordt een aantal alternatieven aangedragen voor de herinrichting van de vijfsprong. De rechtbank merkt echter op dat verweerder in beginsel moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Het bestaan van een alternatief kan slechts dan aan het voorgenomen inrichtingsplan in de weg staan, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Voor de rechtbank staat met het overgelegde rapport van Haver Droeze echter niet op voorhand vast dat met een alternatief inrichtingsplan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt ten aanzien van de verkeersveiligheid.

2.9 Ter zitting hebben eisers nog aangevoerd dat er een privaatrechtelijke belemmering is voor de aanleg van de rotonde omdat een gedeelte van de grond niet in eigendom is van de gemeente Amersfoort. De rechtbank laat deze beroepsgrond buiten beschouwing aangezien deze eerst ter zitting naar voren is gebracht.

2.10 De door eisers aangevoerde bezwaren kunnen, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken

op 16 juli 2007.

De griffier: De rechter:

mr. E.M. Tol mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.