Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9951

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
232992 / KG ZA 07-624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitwerking van het vonnis van 3 juli 2007 waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de staking

bij vervoersbedrijf BBA in Midden- en West-Brabant mag doorgaan. Er is sprake van een belangengeschil in de zin van artikel 6 lid 4 ESH en er zijn geen zwaarwegende procedureregels verontachtzaamd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/203
JIN 2007/409
JAR 2007, 203
ROR 2007, 28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 232992 / KG ZA 07-624 Vonnis in kort geding van 3 juli 2007

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

BBA PERSONENVERVOER N.V.,

gevestigd te Breda,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PERSONEELSVOORZIENING BRABANTS BUSVERVOER B.V.,

gevestigd te Breda, eiseressen,

procureur mr. L.J. Böhmer,

advocaat mr. S.A. Tan te Rotterdam,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. J.D.A. Domela Nieuwenhuis te Amsterdam.

Partijen zullen hierna BBA personenvervoer c.s. en FNV Bondgenoten genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van BBA personenvervoer c.s.,

- de pleitnota van FNV Bondgenoten.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 3 juli 2007 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. BBA Personenvervoer N.V. (hierna te noemen: "BBA") verzorgt in opdracht van lokale overheden, waaronder de Provincie Noord-Brabant, (openbaar) personenvervoer. In verband met de uitvoering van dat vervoer wordt gebruik gemaakt van personeel werkzaam in dienst van BBA en in dienst van Personeelsvoorziening Brabants Busvervoer B.V. (hierna te noemen: "PBB").

2.2. In de loop van 2006 is aan BBA de concessie West- en Midden Brabant gegund voor een looptijd van acht jaar.

2.3. Het personenvervoer in dit concessiegebied wordt verzorgd door ongeveer zeshonderd chauffeurs, waarvan negentig procent is aangesloten bij een vakbond.

FNV Bondgenoten vertegenwoordigt 70% van de bij een vakbond aangesloten chauffeurs.

2.4. Aan de in 2.2 genoemde gunning is overleg tussen BBA en haar

Ondernemingsraad voorafgegaan. Onderdeel van dat overleg is een regeling geweest met betrekking tot enkele arbeidsvoorwaardelijke aspecten van de buschauffeurs in dienst van BBA en PBB (het zogenaamde 11-puntenplan).

2.5. Nadat de concessie aan BBA is gegund, is het concessiegebied voorzien

van een eigen Ondernemingsraad, namelijk de Ondernemingsraad West en Midden Brabant (hierna te noemen: "OR WMB"). Deze ondernemingsraad heeft zich verzet tegen het 11-puntenplan.

2.6. Op 25 mei 2007 hebben de BBA en de OR WMB de door BBA Personenvervoer c.s. als productie 2 in het geding gebrachte overeenkomst gesloten. Bij deze overeenkomst is een bijlage gevoegd, waarin afspraken zijn neergelegd over het rooster. Deze bijlage wordt door partijen ook wel aangeduid als "het 14- puntenplan".

2.7. In de overeenkomst van 25 mei 2007 zijn afspraken gemaakt ten behoeve van werktijdenregelingen, vergoedingen en ouderenregeling. Met betrekking tot deze onderwerpen is – kort gezegd – afgesproken dat:

- uiterlijk 1 oktober 2007, of zoveel eerder als mogelijk, partijen de werktijdregelingen

(roosters) zullen toepassen volgens de uitgangspunten zoals verwoord in het

14-puntenplan;

- chauffeurs die in enig kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar bereiken de mogelijkheid hebben per datum van de eerstvolgende dienstregelingwijziging, doch uiterlijk 1 juni in het betreffende kalenderjaar, te kiezen voor een fulltime dienstlengte van gemiddeld 6,5 uur per dag, exclusief onbetaalde rust/pauzetijd. De ATV en ATV 50+ rechten vervallen hiermee, zodat de fulltime werkweek 32,5 uur gemiddeld bedraagt;

- alle chauffeurs die volledig toewijsbaar zijn aan de concessie WMB een bijdrage aan de levensloopregeling van 5% van het pensioengevende inkomen zullen ontvangen; - als de productiviteitsverbetering hoger wordt dan de verwachte 11% aan alle chauffeurs een extra bonus wordt toegekend ter hoogte van de helft van de als direct gevolg hiervan gerealiseerde extra productiviteitsverbetering.

Partijen hebben naast de hiervoor genoemde afspraken de afspraak gemaakt dat het aantal uit te besteden ritten én het aantal in te huren krachten zal worden beperkt tot maximaal 7,5% van de "grote bus"dienstregelinguren per kalenderjaar.

2.8. In het 14-puntenplan zijn, in afwijking van de roosterrichtlijnen opgenomen in het bestek voor de concessie West- en Midden Brabant, afspraken gemaakt over de volgende 14 punten:

1. Op- en afstaptijden

2. Afrekentijd

3. Onbetaalde Pauzes

4. Toepassing Pauzeregeling

5. Dienstlengte

6. Standplaats in relatie tot onbetaalde pauzes/rusttijden

7. Looptijden en afhandelingstijden

8. Materieel rit, overstaptijd

9. Halve ATV dagen

10. Diensten langer dan 8.30 uur

11. Dienstdefinities

12. Exploitatieve Reserve

13. Verslaapreserve en uitrek (reserve)

14. Keertijden.

2.9. Tussen Vereniging Werkgevers Openbaar Vervoer te Utrecht enerzijds en FNV Bondgenoten, CNV BedrijvenBond te Houten en De Unie te Culemborg anderzijds is de door BBA personenvervoer c.s. BBA personenvervoer c.s. in het geding gebrachte CAO Openbaar Vervoer 2005/2006 (hierna te noemen: "CAO OV 2005/2006") gesloten. BBA en FNV Bondgenoten zijn beide partij bij deze CAO. Artikel 19 van deze CAO luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 19 (dienstregeling/dienstrooster/werktijdenregeling)

1. Veranderingen in de dienstregeling worden vooraf met de ondernemingsraad besproken. Bij aanvraag van goedkeuring van de dienstregeling of verandering daarvan zal melding worden gemaakt van het standpunt van de ondernemingsraad terzake.

2. Er wordt geen dienstrooster/werktijdregeling van kracht dan nadat de ondernemingsraad daarmee heeft ingestemd. (...)

2.10. Bij brief van 29 juni 2007 (productie 5 van BBA Personenvervoer c.s.) heeft FNV Bondgenoten het volgende aan Veolia Transport Nederland B.V. (BBA) geschreven:

"In ons schrijven van 28 maart 2007 hebben wij aan u kenbaar gemaakt te vinden dat wij als FNV Bondgenoten partij zijn bij de voorgenomen reorganisatie en aanpassing van de bedrijfsregels (het z.g. 14-puntenplan). Onze bestuurder, [naam bestuurder], heeft dit op 15 mei jl. herhaald in een persoonlijk gesprek met de heer [naam].

Inmiddels is dit 14-puntenplan buiten ons om op 26 mei jl. vastgesteld. Het 14-puntenplan grijpt rechtstreeks in op de arbeidsvoorwaarden van onze leden en de omstandigheden waaronder zij hun werk verrichten. Met het plan wordt beoogd om de productiviteit te verhogen wat tot gevolg heeft dat het chauffeursbestand met ongeveer 100 fte wordt ingekrompen. Onze leden hebben aangegeven het absoluut niet eens zijn met de inhoud van het 14-puntenplan alsmede niet met de manier waarop het besluit tot stand is gekomen.

In reactie op onze brief heeft u gesteld dat u van mening was dat wij geen partij zijn en dat u niet met ons wilde onderhandelen. Op geen enkele wijze bleek een inhoudelijk discussie met u mogelijk.

Uiteindelijk heeft de provincie Noord-Brabant een gesprek tussen de verschillende partijen tot stand gebracht. Dit gesprek heeft op dinsdag 26 juni 2007 en woensdag 27 juni 2007 plaatsgevonden. In deze onderhandeling tussen de Provincie, Veolia/BBA Personenvervoer en de bonden hebben wij de eis geformuleerd dat Veolia/BBA Personenvervoer de invoering van het 14-puntenplan dient te bevriezen en de bonden in deze als relevante partij dient te erkennen die de belangen behartigt van de bij Veolia/BBA Personenvervoer werkzame leden van de bond. Uiteindelijk heeft u in dit gesprek definitief geweigerd op deze eisen in te gaan. Hiermee zijn wij in een patstelling geraakt en moesten wij concluderen dat wij uitonderhandeld zijn.

Vervolgens hebben wij uw handelwijze en opstelling voorgelegd aan onze leden.

De leden van FNV Bondgenoten zijn het absoluut niet eens met de gang van zaken en uw opstelling. Daarbij werd ons duidelijk dat de actiebereidheid onder onze leden groot is.

Wij kunnen derhalve niet anders dan vaststellen dat, aangezien uw handelwijze en opstelling door onze leden is verworpen, thans een onoverbrugbaar verschil bestaat in wederzijdse standpunten. Gezien de ontstane situatie hebben wij besloten u een ultimatum te stellen.

De eisen waarmee u alsnog akkoord dient te gaan zijn de volgende:

- Erkennen dat FNV Bondgenoten namens de bij Veolia/BBA Personenvervoer werkzame leden van de bond partij is bij verdere onderhandelingen over inkrimping van het personeelsbestand, de wens om te komen tot verhoging van de productiviteit en het 14- puntenplan.

- Het bevriezen van de invoering van het 14-puntenplan tot overeenstemming is bereikt met FNV Bondgenoten.

Indien wij vóór zondag 1 juli 2007 17.00 uur van u geen schriftelijke reactie hebben ontvangen, waaruit blijkt dat u integraal akkoord gaat met de hiervoor geformuleerde eisen, dient u rekening te houden met de door ons uit te roepen en te organiseren acties, waaronder werkonderbrekingen en stakingen voor kortere of langere duur vanaf maandagochtend 2 juli a.s. aanvang diensttijd.

2.11. Bij brief van 29 juni 2007 heeft Veolia Transport (BBA) het volgende geantwoord: "Deze middag ontvingen wij uw ultimatum. Het feit dat naast CNV Bedrijvenbond ook FNV Bondgenoten sinds jaar en dag erkennen als partij bij de CAO doet er niet aan af dat bepaalde onderwerpen sinds jaar en dag niet met de vakbonden, maar met onze Ondernemingsraad worden besproken. Dit laatste is onder andere het geval met betrekking tot de roosterrichtlijnen. De standaard richtlijnen zijn in de loop van 2001 geïntroduceerd als overeenkomst tussen ons en onze Ondernemingsraad en niet valt in te zien waarom wij respectievelijk de Ondernemingsraad BMW niet bevoegd zouden zijn geweest om van de standaard afwijkende roosterrichtlijnen vast te stellen. Uw stelling dat wij niet bereid waren tot een inhoudelijke discussie is onjuist. We hebben u het voorstel gedaan om tezamen de rechter, of een eventueel een arbiter, te verzoeken om te oordelen over de rechtsgeldigheid van de overeenkomst van 25 mei jl. U hebt deze suggestie echter zonder verdere discussie van de hand gewezen, hetgeen wij als een gemiste kans ervaren, te meer omdat de vraag die ons verdeeld houdt, vooral een rechtsvraag is: is de Overeenkomst van 25 mei jl. gelet op de wijze van totstandkoming en/of haar inhoud al dan niet afdwingbaar. (...)

Komt het tot acties, dan zij die onrechtmatig. Wij overwegen juridische stappen hieromtrent. Verder dringen wij er bij u op aan dat FNV Bondgenoten haar leden oproept om af te zien van acties. Komt het toch tot acties, dan zal de door ons te lijden schade op FNV Bondgenoten worden verhaald. (...)".

2.12. Op 2 juli 2007 is er de gehele dag gestaakt, waardoor het busvervoer in het tot de concessie behorende gebied stil is komen te liggen, dit met uitzondering van Waalwijk waarin nagenoeg normaal is gereden.

Op 3 juli 2007 wordt er gedurende de spits gereden, zij het dan de kaartjes niet worden gecontroleerd. Concreet betekent dat dat er van 06.00 uur tot 0.900 uur en van 16.00 uur tot 19.00 uur wordt gereden. Tussen de spits door wordt er gestaakt.

3. Het geschil

3.1. BBA personenvervoer c.s. vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren FNV Bondgenoten wordt geboden haar leden op te roepen tot het beëindigen en beëindigd doen houden van de actie, dit op straffe van een dwangsom van EUR 500.000,00 en met veroordeling van FNV Bondgenoten in de proceskosten.

3.2. BBA personenvervoer c.s. baseert deze vordering op een onrechtmatige daad van FNV Bondgenoten. Volgens BBA personenvervoer c.s. zijn de door FNV Bondgenoten georganiseerde collectieve acties onrechtmatig omdat:

a) deze acties niet onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallen,

b) FNV Bondgenoten "zwaarwegende procedureregels" of "spelregels" heeft veronachtzaamd.

3.3. FNV Bondgenoten voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden, waaronder begrepen het stakingsrecht, in beginsel wordt beheerst door de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest (ESH) dat in Nederland vanaf 22 mei 1980 van kracht is.

Het ESH is laatstelijk herzien op 3 mei 1996. Deze herziene versie is op 1 juli 1999 in Nederland in werking getreden. Voor wat betreft het recht op collectieve acties, waaronder het stakingsrecht, is het verschil met de eerdere versie slechts daarin gelegen dat wat eerst bekend stond onder artikel 31 ESH is omgenummerd tot artikel G.

4.2. Aan de orde is allereerst de beantwoording van de vraag of de door FNV Bondgenoten georganiseerde collectieve acties onder de dekking van artikel 6 aanhef en onder lid 4 van deel II van het ESH vallen. Partijen verschillen daarover van mening.

4.3. In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van deel II van het ESH wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen op grond van eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten.

4.4. BBA personenvervoer c.s. stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van een belangengeschil in de zin van artikel 6 lid 4 ESH, maar van een rechtsconflict, te weten de interpretatie van artikel 19 van de CAO OV 2005/2006. Volgens BBA personenvervoer c.s. zijn partijen slechts verdeeld over de vraag of de overeenkomst tussen BBA personenvervoer c.s. en de OR WMB van 25 mei 2007, waaronder het 14-punten plan, rechtsgeldig is totstandgekomen.

4.5. FNV Bondgenoten stelt zich daartegenover op het standpunt dat wel sprake is van een belangengeschil in de zin van artikel 6 lid 4 ESH. Volgens FNV Bondgenoten is het geschil tussen BBA en haar chauffeurs een geschil over de arbeidsvoorwaarden, de werktijden en de werkgelegenheid. FNV Bondgenoten voert daarbij aan dat de tussen BBA personenvervoer c.s. en de OR WMB gesloten overeenkomst van 25 mei 2007, waaronder het 14-puntenplan deel uitmaakt, gevolgen heeft voor de arbeidsvoorwaarden van de bij BBA personenvervoer c.s. werkzame leden van FNV Bondgenoten én hun werkgelegenheid. De werknemers van BBA personenvervoer c.s., althans de leden van FNV Bondgenoten, willen dat FNV Bondgenoten voor hun belangen opkomt en namens hen met BBA personenvervoer c.s. onderhandelt over hun in het geding zijnde arbeidsvoorwaarden.

4.6. Gelet op de ratio van het recht op collectief optreden – te weten het waarborgen van de onbelemmerde uitoefening van het recht op collectief onderhandelen teneinde het recht op vereniging van werknemers volledig te kunnen uitoefenen – komt het begrip belangengeschil in de zin van artikel 6 lid 4 ESH een ruime uitleg toe. Als belangengeschil in de zin van dit artikel dient te worden aangemerkt: "elk geschil tussen een werkgever en een deel van het personeel, dat door collectief onderhandelen kan worden opgelost, niet zijnde een rechtsgeschil, in het bijzonder niet één met betrekking tot het bestaan, de geldigheid en de interpretatie van een CAO of de schending daarvan".

4.7. Met inachtneming van de hiervoor weergegeven uitleg van het begrip "belangengeschil" wordt geconcludeerd dat het tussen partijen gerezen geschil is aan te merken als een belangengeschil in de zin van artikel 6 lid 4 ESH. Dit wordt als volgt gemotiveerd.

4.7.1. Daargelaten of de OR WMB – zoals FNV Bondgenoten stelt en BBA personenvervoer c.s. betwist – buiten haar bevoegdheden is getreden en de overeenkomst van 25 mei 2007 waaronder het 14-puntenplan ongeldig is, geldt dat de overeenkomst van 25 mei 2007, waarvan het 14-puntenplan deel uitmaakt, door haar inhoud zodanig op het terrein van FNV Bondgenoten is gekomen dat FNV Bondgenoten door BBA bij dit puntenplan had moeten worden betrokken. Het is namelijk, zoals hierna in rechtsoverweging 4.7.2 en 4.7.3 zal worden toegelicht, voldoende aannemelijk dat het 14-puntenplan – zoals FNV Bondgenoten aanvoert – financiële consequenties heeft voor de werknemers en dat het 14-puntenplan mogelijk gevolgen heeft voor het behoud van de werkgelegenheid.

Het kan bij uitstek tot de taak van de vakbonden worden gerekend om over deze financiële consequenties en de gevolgen die het plan van BBA en de OR-WMB mogelijk voor de werkgelegenheid heeft met de werkgever in onderhandeling te treden, hetzij om nadere afspraken over de salarissen van de werknemers te maken, hetzij om afspraken te maken die verband houden met het behoud van de werkgelegenheid.

4.7.2. Dat het 14-puntenplan financiële consequenties voor de werknemers heeft wordt opgemaakt uit het volgende.

Uit het 14-puntenplan volgt dat waar voorheen voor het bepalen van de arbeidstijd rekening werd gehouden met op- en afstaptijd, met afrekentijd, met looptijden en afhandelingstijden, met exploitatieve reserve en met verslaapreserve en uitruk (reserve) dit in het nieuwe rooster niet langer zal worden gedaan. De tijd die voor deze werkzaamheden zal worden gegund wordt namelijk volgens dit plan teruggebracht tot, dan wel gesteld, op nul minuten. Verder geldt dat uit het 14-puntenplan valt op te maken dat BBA – zoals FNV Bondgenoten aanvoert – onbetaalde pauzes wil gaan introduceren. Dit alles betekent dat – zoals FNV Bondgenoten ook aanvoert – de chauffeur een deel van zijn werkzaamheden in het vervolg in zijn eigen tijd zal moeten gaan doen en dat werkzaamheden waarvoor hij eerder werd betaald niet langer meer worden betaald. Het komt erop neer dat de chauffeur meer zal moeten gaan werken voor hetzelfde salaris. De financiële tegemoetkoming, die in de overeenkomst van 25 mei 2007 is voorzien in de vorm van een bijdrage aan de levensloopregeling en een mogelijke bonus bij productiviteitsverbetering, bevestigt dat er voor de chauffeurs financiële gevolgen aan zijn verbonden.

4.7.3. Dat het 14-puntenplan mogelijk gevolgen heeft voor (het behoud van) de werkgelegenheid wordt opgemaakt uit het feit dat BBA met de invoering van het 14-puntenplan een productiviteitsverbetering van 11% beoogt te bewerkstelligen. Niet uitgesloten is dat – zoals FNV Bondgenoten aanvoert – deze productiviteitsverbetering ertoe zal leiden dat BBA hetzelfde werk met minder chauffeurs kan doen. FNV Bondgenoten heeft onweersproken aangevoerd dat BBA verwacht dat zij haar chauffeursbestand met honderd mensen kan inkrimpen. Ook in het geval dat dit niet met gedwongen ontslagen gepaard zal gaan, is het niet uitgesloten dat dit in de toekomst effect op de werkgelegenheid zal hebben. Daarbij komt dat er kennelijk de noodzaak bestaat om een deel van het werk uit te besteden. Ook deze omstandigheid rechtvaardigt de door FNV Bondgenoten gestelde vrees dat werknemers hun posities zullen verliezen.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door FNV Bondgenoten georganiseerde collectieve acties, waaronder de staking van 2 juli 2007, onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallen.

Dit brengt, in beginsel, mee dat deze collectieve acties (staking) moeten worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende grondrecht. Dit leidt echter uitzondering indien – zoals BBA Personenvervoer c.s. stelt en FNV Bondgenoten betwist – door FNV Bondgenoten "zwaarwegende procedureregels" of "spelregels" zijn veronachtzaamd. Dat FNV Bondgenoten zwaarwegende procedureregels heeft veronachtzaamd is echter niet gebleken.

Het standpunt van BBA personenvervoer c.s. inhoudende dat FNV Bondgenoten

in plaats van het organiseren van de collectieve acties, waaronder de staking van 2 juli 2007, zich tot de rechter had kunnen wenden, en zo nodig tot de voorzieningenrechter, om een verbod op de uitvoering van het 14-puntenplan te vorderen en de rechtsgeldigheid van het 14-puntenplan aan te tasten, wordt verworpen.

BBA is voornemens op korte termijn volledig uitgewerkte regelingen in te voeren, die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de financiële positie van de chauffeurs en van de werkgelegenheid. Daarmee komt BBA – afgezien van eventuele bevoegdheden, die de OR WMB aan artikel 19 van de CAO OV 2005/2006 kan ontlenen – op het terrein van FNV Bondgenoten, aan wie het recht toekomt over deze voornemens namens werknemers te onderhandelen. Nu BBA heeft geweigerd daarover met FNV Bondgenoten in onderhandeling te treden, kan het recht op staking worden uitgeoefend en bestaat er geen grond om aan te nemen dat FNV Bondgenoten gehouden is andere rechtsmiddelen aan te wenden alvorens van dit recht gebruik te maken. Een dergelijke verplichting kan ook niet worden afgeleid uit artikel 19 van de CAO OV 2005/2006, waarvan overigens wel wordt aangenomen – anders dan FNV Bondgenoten heeft betoogd – dat deze CAO na 31 december 2006 haar gelding heeft behouden op grond van artikel 2 van die CAO.

4.9. BBA personenvervoer c.s. heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat de door FNV Bondgenoten georganiseerde collectieve acties onrechtmatig zijn.

Slotsom

4.10. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van BBA personenvervoer c.s. zullen worden afgewezen.

4.11. BBA personenvervoer c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van FNV Bondgenoten worden begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.067,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt BBA personenvervoer c.s. in de proceskosten, aan de zijde van FNV Bondgenoten tot op heden begroot op EUR 1.067,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2007.

BvdG