Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9421

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
SBR 06-2788
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19 WRO en 44 en 49, vijfde lid, van de Woningwet. De weigering van de gemeenteraad toepassing te geven aan (de vrijstelling van) artikel 19, eerste lid, WRO, maakt voor de beroepsmogelijkheid geen deel uti van de beschikking waarop zij betrekking heeft. De omstandigheid dat chalet op grond van het overgangsrecht feitelijk permanent wordt bewoond, betekent niet dat het als woongebouw is aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/2788

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 5 juli 2007

inzake

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 21 februari 2005 heeft verweerder afwijzend beschikt op de aanvraag van eiser om een lichte bouwvergunning voor het bouwen van een berging op het perceel [adres]. Bij besluit van 12 juni 2006 (besluit I) heeft verweerder het daartegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Tevens is bij besluit van 31 januari 2006 (besluit II) van de raad van de gemeente Amersfoort (hierna: de raad) geweigerd op de voet van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen, welke weigering tegelijk met besluit I aan eiser bekend is gemaakt. Eiser heeft beroep ingesteld tegen beide besluiten.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 8 maart 2007, waar eiser in persoon is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. C. Visser, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

Feiten

2.1 Eiser is eigenaar en bewoner van een chalet met bijbehorende berging gelegen op het perceel [adres]. Het chalet is gesitueerd op het terrein van het recreatiepark "Midland Parc".

2.2 Bij besluit van 19 november 2004 heeft verweerder, onder oplegging van een last onder dwangsom, eiser aangeschreven om de berging te verwijderen en verwijderd te houden. Eiser heeft bezwaar en vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van 14 juni 2005, SBR 05/1077, heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2.3 Op 3 januari 2005 heeft eiser een aanvraag om een lichte bouwvergunning ingediend voor de in geding zijnde berging.

2.4 Bij besluit van 21 februari 2005 heeft verweerder de bouwvergunning geweigerd, op de grond dat het bouwplan in strijd is met de als bestemmingsplan aan te merken "Bebouwingsvoorschriften Plan in Hoofdzaak van de gemeente Amersfoort" (hierna: plan in hoofdzaak). Daarbij is nagelaten een beslissing te nemen op het aan de aanvraag om bouwvergunning inherente verzoek om vrijstelling.

2.5 Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit I ongegrond verklaard. Met dat besluit is tevens besluit II bekendgemaakt, waarbij de gemeenteraad geweigerd heeft ten behoeve van de berging op de voet van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het geldende bestemmingsplan.

Standpunten van partijen

2.6 Eiser heeft in beroep - kort samengevat - primair aangevoerd dat voor de berging geen bouwvergunning vereist is. Eiser wijst in dat verband op de tussen partijen gewezen uitspraak van de voorzitter ABRvS van 5 oktober 2006, LJN:AY9862, waaruit zou volgen dat de permanente bewoning van het chalet niet in strijd is met het bestemmingsplan. De berging zou dientengevolge aangemerkt moeten worden als een bouwvergunningsvrij bouwwerk. Subsidiair betoogt eiser dat verweerder miskent dat vrijstelling op de voet van artikel 19, derde lid, van de WRO verleend kan worden, aangezien de berging aan de criteria van artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) voldoet, nu hij het chalet permanent bewoont. Volgens eiser dient het begrip "woongebouw" in artikel 20 van het Bro feitelijk te worden uitgelegd. Voorts heeft de gemeenteraad buiten medeweten van eiser de vrijstelling ex artikel 19, eerste lid van de WRO geweigerd, hetgeen eiser onzorgvuldig acht. Aan de weigering is ten onrechte ten grondslag gelegd dat de inhoud van recreatiewoningen inclusief bijgebouwen gelet op de 'Handleiding bestemmingsplannen Buitengebied' niet meer dan 200 m3 mag bedragen. Op 28 februari 2006 is een nieuwe handleiding vastgesteld waarin voornoemde inhoudsmaat niet meer opgenomen is. In deze nieuwe handleiding ligt besloten dat er voor recreatiewoningen een maximum inhoudsmaat van 250 m3 geldt. Tot slot betwist eiser dat van mogelijke precedentwerking sprake zou kunnen zijn, nu alleen hij in de bijzondere situatie verkeert dat hij het chalet permanent mag bewonen.

2.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 juni 2005, met registratienummer SBR 05/1077, reeds geoordeeld dat een bouwvergunning voor de onderhavige berging vereist is. Voorts is volgens verweerder het chalet niet gelijk te stellen met een woning. Uit de uitspraak van de ABRvS van 22 oktober 2003, AB 2003/431, vloeit voort dat gebruik dat met vrijstelling wordt toegestaan niet met zich brengt dat een bouwplan niet meer aan de geldende bestemming behoeft te worden getoetst. Eiser is volgens verweerder wel degelijk op de hoogte gesteld van de besluitvorming door de gemeenteraad. Bij brief van 31 augustus 2005 is hem medegedeeld dat de gemeenteraad het verzoek om vrijstelling zou behandelen. De door eiser aangehaalde inhoudsmaat uit de nieuwe handleiding bestemmingsplannen heeft slechts betrekking op permanent bewoonde recreatiewoningen waarvoor een bestemmingswijziging wordt voorzien. Een bestemmingswijziging is voor onderhavig recreatiepark niet aan de orde. Volgens verweerder zou van het verlenen van de gevraagde vrijstelling een ongewenste precedentwerking uitgaan. Het gaat om vrijwel identieke chalets in een bijna identieke setting. Noch bij verweerder, noch bij de raad bestaat de bereidheid mee te werken aan de bouw van bergingen op het park, aangezien dat ten koste gaat van de parkachtige uitstraling van het gebied. Gelet op de ruime beleidsvrijheid van de raad om vrijstelling te weigeren kan hij alleen in buitengewone situaties gedwongen worden mee te werken aan de verlening van vrijstelling. Deze situatie doet zich volgens verweerder niet voor.

Toepasselijk recht

2.8 Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in onderling verband gelezen dient, alvorens beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, tegen een primair besluit bezwaar te worden gemaakt bij verweerder.

In artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet (Ww) is - voor zover van belang - bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en dan moet worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO wordt ingevolge artikel 46, derde lid, van de Ww geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Ww wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO - voor zover hier van belang - kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, van het Bro komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge de ter plaatse geldende, en als bestemmingsplan aan te merken 'Bebouwingsvoorschriften plan in hoofdzaak van de gemeente Amersfoort' rust op het perceel [adres] de bestemming "sport- en speelvelden".

Artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften bepaalt dat op de gronden, welke zijn bestemd voor sport- en speelvelden en recreatie, behoudens het bepaalde in het derde lid, generlei bebouwing mag worden opgericht.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kunnen toestaan dat gebouwen, welke verband houden met de bestemming van de gronden, worden opgericht op de door hen aan te wijzen plaatsen.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van besluit II

2.9 De rechtbank ziet zich - ambtshalve - gesteld voor de vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank om van het beroep kennis te nemen voor zover dat is gericht tegen besluit II.

2.10 Partijen verkeren klaarblijkelijk in de veronderstelling dat de weigering van de raad om toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO in deze procedure ter beoordeling voorligt. Deze veronderstelling berust naar het oordeel van de rechtbank echter op een onjuiste lezing van het hiervoor aangehaalde artikel 49, vijfde lid, van de Ww. In die bepaling is immers geregeld dat slechts de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep geacht wordt deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft en niet de weigering daarvan zoals in het onderhavige geval. De parlementaire geschiedenis van artikel 49, vijfde lid, van de Ww biedt geen aanknopingspunt voor een ruimere interpretatie.

2.11 Nu tegen het in geding zijnde besluit van de raad geen bezwaar is gemaakt, dient de rechtbank zich gelet op de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb onbevoegd te verklaren om van het beroep van eiser kennis te nemen, voor zover dat beroep zich richt tegen bedoeld besluit. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit van

31 januari 2006.

2.12 De raad zal het schrijven van eiser van 18 juli 2006 alsnog dienen te behandelen als bezwaar tegen besluit II. De rechtbank ziet, nu het beroepschrift door de rechtbank reeds op 19 juli 2006 aan verweerder is doorgezonden, af van feitelijke doorzending met toepassing van artikel 6:15 van de Awb en vertrouwt erop dat verweerder zal zorgdragen voor een spoedige behandeling van dit bezwaarschrift door de raad.

Ten aanzien van besluit I

2.13 Ter beoordeling van de rechtbank staat of verweerder terecht het besluit tot weigering van de bouwvergunning bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

2.14 Met betrekking tot de stelling van eiser dat voor het oprichten van de berging geen bouwvergunning is vereist overweegt de rechtbank dat zij in haar eerder tussen partijen gewezen uitspraak van 14 juni 2005, met registratienummer SBR 05/1077, reeds geoordeeld heeft dat een zodanige vergunning wél is vereist. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, zodat deze gezag van gewijsde heeft gekregen. Dat een bouwvergunning benodigd is staat in rechte derhalve niet meer ter discussie.

2.15 Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan plan in hoofdzaak.

2.16 Eiser heeft betoogd dat de permanente bewoning van het chalet ingevolge het bij het vigerende bestemmingsplan behorende overgangsrecht is toegestaan en dat dientengevolge het chalet aangemerkt moet worden als "woongebouw" als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Bro. Aldus zou naar de mening van eiser ten behoeve van de berging vrijstelling kunnen worden verleend ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO. Dit betoog kan niet slagen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 30 november 2005, BR 2006, 249, overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat het chalet feitelijk op grond van het overgangsrecht wordt gebruikt voor permanente bewoning, niet betekent dat het rechtens als woongebouw is aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank dient aan de hand van het bestemmingsplan beoordeeld te worden of het chalet voor de toepassing van artikel 20, eerste lid, van het Bro als een woongebouw heeft te gelden. Gelet op de op het perceel rustende bestemming "sport- en speelvelden" is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is. Reeds om die reden kan geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO worden verleend. De rechtbank wijst er bovendien op dat geenszins vast staat dat het gebruik van het chalet voor permanente bewoning op grond van het overgangsrecht is toegestaan, nu zulks blijkens het verhandelde ter zitting nog onderwerp is van een gerechtelijke procedure.

2.17 Zoals hiervoor geoordeeld staat het besluit van de raad tot weigering van vrijstelling op de voet van artikel 19, eerste lid, van de WRO in deze procedure niet ter beoordeling van de rechtbank. Nu de strijd met het bestemmingsplan niet is opgeheven middels een vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 19 van de WRO heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww, terecht het besluit tot weigering van de bouwvergunning gehandhaafd.

2.18 Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit van 12 juni 2006. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen voor zover dit gericht is tegen het besluit van de gemeenteraad van Amersfoort van 31 januari 2006 (besluit II),

3.2 verklaart het beroep tegen het besluit van verweerder van 12 juni 2006 (besluit I) ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. Putters en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2007.

De griffier: De rechter:

mr. A.E. Kneepkens mr. P. Putters

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daarin niet wilt berusten.