Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9413

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
SBR 06-3169
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Monumentenwet 1988. Aanwijzing percelen als beschermd monument. Besluit rijkssubsidiering historische buitenplaatsen. Definitie historische buitenplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/3169

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 28 juni 2007

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 juli 2006, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 9 maart 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder een complex bestaande uit 46 kadastrale percelen te Leersum, aangeduid als de historische buitenplaats Broekhuizen, aangewezen als beschermd monument.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 18 april 2007, waar eiser in persoon is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. G.M. Keijzer en dr. I.M. Contant, beiden werkzaam bij verweerder.

Feiten en standpunten van partijen

2.1 Eiser is sinds 2003 eigenaar van een drietal percelen te Leersum, met de kadastrale aanduiding [nrs.]. Door eiser worden deze percelen aangeduid als landgoed Wildeman-Gooyerdijk. In het kader van de zogeheten Verfijningsoperatie historische buitenplaatsen die wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, is door verweerder aan eiser in januari 2001 medegedeeld dat het voornemen bestond een complex van percelen aan de Broekhuizerlaan 2 te Leersum, waaronder de drie voornoemde percelen van eiser aan te wijzen als beschermd monument. Door verweerder wordt het complex aangeduid als historische buitenplaats Broekhuizen.

2.2 Bij besluit van 9 maart 2006 heeft verweerder de historische buitenplaats Broekhuizen, bestaande uit het hoofdgebouw, de historische tuin- en parkaanleg en dertien andere samenstellende onderdelen, groot circa 118 ha, waaronder ook de hiervoor genoemde percelen van eiser, aangewezen als beschermd monument.

2.3 Bij het thans bestreden besluit van 18 juli 2006 heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.4 Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat hij geen bezwaar heeft tegen het aanwijzen van Broekhuizen als beschermd monument, doch dat eisers percelen [nrs.] van die buitenplaats geen deel uitmaken en derhalve geen monumentale status verdienen. Genoemde percelen vallen bovendien reeds onder de beschermende werking van onder meer het streekplan , het reconstructieplan en het bestemmingsplan, zodat aanwijzing als beschermd monument niet wenselijk is, aldus eiser. Ten slotte voert eiser aan dat hij door aanwijzing van de percelen beperkt wordt in de mogelijkheden voor beheer en ontwikkeling.

2.5 Verweerder heeft aangevoerd dat eiser zijn bezwaren tegen aanwijzing als beschermd monument van perceel [nr] tijdens de procedure in bezwaar heeft ingetrokken, zodat hij te dien aanzien niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de overige twee percelen voert verweerder aan dat de gronden wel degelijk tot het complex Broekhuizen behoren en dat aanwijzing als beschermd monument van de desbetreffende percelen, gelet op de aanwijzing van de historische buitenplaats als geheel, is geïndiceerd.

Overwegingen

3.1 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Monumentenwet 1988 (de Monumentenwet) wordt verstaan onder monumenten: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde, alsmede terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken zoals hiervoor bedoeld.

3.2 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Monumentenwet wordt verstaan onder beschermde monumenten: onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers.

3.3 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de minister), al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

3.4 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet, houdt de minister voor elke gemeente een register aan van beschermde monumenten. In het register schrijft hij de monumenten die hij heeft aangewezen, voor zover geen beroep tegen de aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen.

3.5 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen (Brhb, Stb. 1993, 391) wordt onder beschermde historische buitenplaats verstaan een in het register, bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet, als zodanig vermeld complex waarin van oorsprong één of meer gebouwen een compositorisch geheel vormen met een tuin of met een park van tenminste 1 hectare, waarvan de aanleg dateert van vóór 1850 en herkenbaar aanwezig is.

3.6 De rechtbank constateert allereerst dat het beroep zich beperkt tot de percelen [nrs], daar gebleken is dat eiser het door hem gemaakte bezwaar inzake de aanwijzing van perceel [nr] als beschermd monument tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft ingetrokken. Voor zover eisers beroep zich richt tegen aanwijzing van perceel [nr] dient dit derhalve in zoverre ook in beroep buiten beschouwing te blijven.

3.7.1 Beoordeeld dient eerst te worden of de twee overige percelen van eiser, groot circa 16 ha, wel of geen deel uitmaken van het complex Broekhuizen. Deze feitelijke vraag is van belang, omdat ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 3 van de Monumentenwet een terrein - dat wil zeggen een of meer (delen van) kadastrale percelen - slechts kan worden aangewezen als beschermd monument, indien het van algemeen belang is wegens daar aanwezige zaken als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b van de Monumentenwet. In de onderhavige procedure dient dan ook eerst te worden beoordeeld of, kort gezegd, het landschapspark behorend bij het hoofdgebouw van het landgoed Broekhuizen mede omvat de percelen van eiser, of dat dit slechts reikt tot de noordzijde van die percelen. Eiser en verweerder verschillen hierover van mening.

3.7.2 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat voor de beoordeling aansluiting moet worden gezocht bij de definitie van het begrip historische buitenplaats in het Brhb. Uit de bij dat besluit behorende toelichting blijkt dat de volgende beschrijving wordt gehanteerd.

Een historische buitenplaats is aangelegd. Zij kan deel vormen van een landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met één of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten. De samenstellende onderdelen, een ensemble vormend, van terreinen (met beplanting), lanen, waterpartijen en -lopen, gebouwen, bouwwerken en ornamenten zijn door opzet of ontwerp van tuin en park en het (utilitair) gebruik historisch en architectonisch met elkaar verbonden en vormen zo een onlosmakelijk geheel. Onderdeel van de historische buitenplaats vormen die gebouwen, bouwwerken en tuinornamenten, die compositorisch deel uitmaken van het ontwerp of opzet en inrichting van de tuin en/of parkaanleg dan wel dienen voor gebruik in samenhang met de oorspronkelijke bestemming.

De historische tuin- en/of parkaanleg die moet dateren van voor 1850 en (hoewel die later gewijzigd kan zijn in structuur, compositie of vorm) herkenbaar aanwezig is, moet een oppervlakte hebben van tenminste 1 ha. Hierbij zij opgemerkt dat met "de aanleg" niet noodzakelijkerwijs gedoeld wordt op de allereerste tuinaanleg die ter plaatse ooit geweest is.

3.7.3 Naar niet in geschil is, vormen de aan de noordzijde van eisers percelen gelegen gronden van Broekhuizen, daaronder begrepen het bij het hoofdgebouw behorende omvangrijke park, eind 18e eeuw - begin 19e eeuw in de Engelse landschapsstijl ontworpen door J.G. Michaël en J.D. Zocher sr. en jr., een compositorische eenheid. Eiser stelt dat verweerder bij de aanwijzing van percelen die onderdeel uitmaken van de historische buitenplaats Broekhuizen aansluiting heeft gezocht bij het ontwerp van Zocher c.s. In dat verband voert hij aan dat de noordgrens van de Wildeman-Gooyerdijk precies de grens vormt van de invloed van Zocher. Daartoe voert hij onder meer aan dat op de percelen [adres] geen elementen aanwezig zijn van de eerdergenoemde ontwerpers, hetgeen dwingt tot de conclusie dat deze percelen niet tot de buitenplaats behoren.

De rechtbank komt tot een ander oordeel en overweegt dat hetgeen verweerder met betrekking tot de percelen van eiser heeft aangevoerd overtuigend is. In het bijzonder acht de rechtbank van belang dat als vaststaand wordt aangenomen dat het (binnen-) park van Broekhuizen is aangelegd in de Engelse landschapsstijl. In de gedingstukken - in het bijzonder de omschrijving van de historische tuin- en parkaanleg behorend bij het primaire besluit - en ter zitting is door verweerder uitgebreid uiteengezet dat daarbij door Zocher c.s. is gestreefd naar inpassing van het park in het omringende landschap, zonder het omringende gedeelte zelf te 'vervormen'. Dit was mogelijk omdat de opdrachtgever destijds als eigenaar zeggenschap had over het gebied, zodat Zocher c.s. bij het ontwerp ook de omliggende gronden kon betrekken. In de aanleg spelen dan ook een rol de doorkijkjes en vergezichten die men vanuit het strikter vormgegeven binnenpark had op de daarbuiten gelegen gronden. Een voorbeeld daarvan is te vinden bij de zogenaamde ronde weide, direct noordelijk van eisers percelen, die een kronkelige grens met wandelpad als rondgang heeft, zodat men als wandelaar een steeds wisselend uitzicht heeft op het verder weg gelegen landschap. Er staan groepen van solitaire bomen die de vergezichten verlevendigen en als coulissen werken die het landschap diepte geven. De rechtbank volgt de conclusie van verweerder dat eisers percelen, bezien vanuit de noordelijke richting en dus met het gezicht naar de Gooijerdijk, een geleidelijke overgang vormen van het park naar het landschap buiten de buitenplaats. Aldus is ook begrijpelijk dat - afgezien van de noordelijke grens met als onderdeel de ronde weide - op het terrein van eiser inderdaad geen aanwijsbare elementen van Zocher voorkomen. Het voorgaande sluit echter niet uit dat het terrein van eiser mede kenmerkend is voor het ontwerp van Zocher c.s.

Voorts constateert de rechtbank dat uit de gedingstukken moet worden afgeleid dat de parkaanleg door Zocher c.s. weliswaar richtinggevend voor de aanwijzing van percelen als onderdeel van de historische buitenplaats is geweest, maar niet exclusief bepalend. In dat verband acht de rechtbank verweerders argument met betrekking tot de zuidelijke grens van de historische buitenplaats overtuigend, inhoudende dat de lanen- en singelstructuur die Broekhuizen met de Gooijerdijk verbindt, reeds ten tijde van de parkaanleg in de huidige vorm bestond. Zoals verweerder heeft betoogd, onweersproken door eiser en onderbouwd met een facsimile uit 1973 van een kaart daterend uit 1696, was het kasteel van Broekhuizen in de 17e eeuw gericht op de Gooijerdijk. In die tijd had het landgoed, anders dan nu, een toegang/oprijlaan vanuit het zuiden vanaf de Gooijerdijk - en dus over de huidige percelen van eiser. Deze constatering heeft niets van doen met de veel latere aanleg van het park door Zocher c.s., maar biedt steun aan het oordeel dat de buitenplaats moet worden geacht mede te omvatten de percelen van eiser, maar niet de meer zuidelijk gelegen terreinen.

3.7.4 De rechtbank gaat er dan ook gelet op het voorgaande bij de beoordeling van de onderhavige zaak vanuit dat de percelen van eiser deel uitmaken van het de historische buitenplaats Broekhuizen. Aldus moeten de percelen van eiser worden aangemerkt als monument in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Monumentenwet.

3.8.1 De rechtbank zal vervolgens beoordelen of eisers grieven tot het oordeel leiden dat verweerder zijn percelen in redelijkheid niet als beschermd monument in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van de Monumentenwet, heeft kunnen aanmerken. Aan verweerder komt in dit verband beleidsvrijheid toe zodat de beoordeling thans beperkt is tot de vraag of er zwaarwegende omstandigheden bestaan op grond waarvan verweerder van aanwijzing van de percelen als beschermd monument had moeten afzien. Eiser betoogt dat dergelijke omstandigheden zich in het onderhavige geval voordoen.

3.8.2 Eiser voert aan dat de aanwijzing van zijn percelen als beschermd monument niet wenselijk is, omdat de natuur en het landschap reeds voldoende worden beschermd door regelgeving zoals neergelegd in onder meer het streekplan, het reconstructieplan en het bestemmingsplan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat met het aanwijzen als monument is beoogd de monumentale belangen van de buitenplaats Broekhuizen te beschermen, daarin bestaande dat de aanleg dan wel de aanlegstructuur niet zonder monumentenvergunning mag worden gewijzigd. Deze vorm van bescherming, die beoogt verlies van cultuurhistorische waarden tegen te gaan of te beperken, volgt rechtstreeks uit het systeem van de Monumentenwet en niet uit de regelgeving waarnaar eiser verwijst. Het betoog van eiser faalt derhalve.

3.8.3 Voorts voert eiser aan dat hij door de aanwijzing wordt beperkt in de mogelijkheden voor beheer en ontwikkeling. Eiser heeft ter zitting verklaard zich door de aanwijzing aan handen en voeten gebonden te voelen. De rechtbank constateert dat verweerder, zoals blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, eiser volgt in zijn betoog dat een aanwijzing als monument belemmeringen voor de eigenaar met zich brengt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze belemmeringen samenhangen met de maatregelen ter bescherming van monumenten waarin de Monumentenwet voorziet. Aanwijzing als beschermd monument heeft evenwel niet zonder meer tot gevolg dat veranderingen aan het monument en aanpassingen daarvan met het oog op een doelmatig gebruik niet meer mogelijk zouden zijn. Het vergunningenstelsel, als neergelegd in de artikelen 2 en 11 tot en met 21 van de Monumentenwet, voorziet in de mogelijkheid vergunning te verlenen voor dergelijke veranderingen en aanpassingen teneinde aan de wensen van de gebruiker tegemoet te komen. Verweerder heeft daarbij nog overwogen dat de percelen van eiser zijn gelegen in het buitenpark van de buitenplaats, waar agrarisch gebruik waarbij geen wijziging in de aanleg wordt doorgevoerd, zonder vergunning mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op het voorgaande, van een onevenredige beperking van het eigendomsrecht van eiser als gevolg van de aanwijzing geen sprake is. Dit onderdeel van eisers betoog slaagt derhalve evenmin. Ook hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel.

De rechtbank overweegt nog ten overvloede dat uit het Ambtsbericht van 16 mei 2006 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap blijkt dat verweerder eiser heeft geïnformeerd over de subsidiemogelijkheden voor onderhoud van eisers percelen.

3.9 Het voorgaande in aanmerking genomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang bij aanwijzing van eisers percelen als beschermd monument, gelegen in de bescherming van cultuurhistorische waarden, zwaarder weegt dan eisers particuliere belang. Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

4.1 verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2007.

De griffier De rechter

mr. E.C.J. Mulder mr. M.P. Gerrits-Janssens

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA te 's-Gravenhage.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.