Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9408

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
183952/HA ZA 04-1963
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid wegens o.d. jegens aandeelhouder, gelet op HR Poot/ABP en HR Kip en Sloetjes/Rabobank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/441
NJF 2007, 460
RO 2007, 82
JRV 2007, 670

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 183952 / HA ZA 04-1963

Vonnis van 4 juli 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. L.A.M.J. Pütz,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. E.H. de Jonge-Wiemans.

Partijen zullen hierna [eisende partij], [gedaagde partij] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie

- de akte houdende nadere productie van de zijde van [gedaagde partij]

- de antwoordakte tevens akte uitlating producties van de zijde van [eisende partij],

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken, waaronder de akte houdende overlegging producties bij pleidooi van de zijde van [gedaagde partij].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 2] was sinds 1 mei 2001 statutair directeur van Renault Nissan Nederland N.V (hierna: Renault). [gedaagde sub 1] is sinds 1 juni 1999 in dienst van Renault als directeur verkoop dealernetwerk.

2.2. Renault maakt deel uit van de door Renault S.A.S. geleide groep van ondernemingen en houdt zich bezig met de import en distributie van nieuwe Renault en Nissan personenauto’s en lichte bedrijfswagens. Renault levert deze voertuigen aan de Renault- en Nissandealers, die ze op retailniveau weer doorverkopen aan de eindgebruikers. Renault onderhoudt voor dit doel een netwerk van door haar geselecteerde en aangestelde dealers.

2.3. [eisende partij] is, middels de vennootschap J.G.D. Udo Holding B.V., houder van alle aandelen in Udo Waalwijk B.V. en Udo Zaltbommel B.V. (hierna respectievelijk te noemen: Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel). Sinds begin jaren ’90 hebben [eisende partij] Waalwijk en – enige tijd later ook – Udo Zaltbommel deel uitgemaakt van het dealernetwerk van Renault op basis van twee – identieke – met Renault afgesloten dealerovereenkomsten.

2.4. Gedurende de tweede helft van 1999 heeft Renault in Nederland de zogenaamde HUB-strategie uitgewerkt. Deze strategie houdt in dat van de 88 Renault- en 105 Nissandealers ongeveer 39 HUB-partners resteren. Deze HUB-partners, voor het merendeel voormalige Renaultdealers, zijn gelegen in één van de 39 HUB-gebieden, die door Renault zijn gedefinieerd op basis van demografische gegevens, statistieken en klantenstromen, alsmede natuurlijke en onnatuurlijke grenzen. Om voor selectie voor de kandidatuur van het HUB-partnerschap in aanmerking te komen moet worden voldaan aan een aantal door Renault gehanteerde financiële, commerciële en strategische criteria.

2.5. In een gesprek op 9 november 2000 heeft Renault aan [eisende partij] medegedeeld dat Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel niet waren uitverkoren als toekomstige HUB-partners. In dit gesprek is [eisende partij] verzocht zijn bedrijven te Waalwijk en Zaltbommel te verkopen aan de voor deze respectievelijke HUB-gebieden aangewezen HUB-partners. Het verslag van deze bespreking is door Renault verzonden naar Udo Zaltbommel ter attentie van [eisende partij].

2.6. Nadien is door Renault een andere kandidaat-koper – Van Kerkhof & Visscher-groep, hierna VKV – aangewezen voor de overname van Udo Zaltbommel, omdat deze inmiddels door Renault was aangewezen als de voor onder meer het gebied Zaltbommel geselecteerde HUB-partner. [eisende partij] heeft de onderhandelingen over de verkoop van zijn ondernemingen te Waalwijk en Zaltbommel voortgezet met VKV.

2.7. Bij brief van 13 mei 2002 heeft [gedaagde sub 2] namens Renault de dealerovereenkomst met Udo Zaltbommel opgezegd tegen 1 juni 2004. Bij brief van 14 januari 2003 is ook de dealerovereenkomst met Udo Waalwijk opgezegd, onder verlenging van de opzegtermijn tot eveneens 1 juni 2004.

2.8. Op 8 augustus 2003 zijn de activa van Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel verkocht aan VKV. Ook het bedrijfspand van Udo Zaltbommel, dat eigendom was van [eisende partij], is aan VKV verkocht.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisende partij] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht zal verklaren dat [gedaagde partij], althans één van hen, onrechtmatig jegens [eisende partij] hebben (heeft) gehandeld;

II. voor recht zal verklaren dat [gedaagde partij], althans één van hen, onrechtmatig jegens Udo Waalwijk B.V. en Udo Zaltbommel B.V. hebben (heeft) gehandeld;

III. [gedaagde partij] hoofdelijk, althans ieder voor een gelijk deel, zal veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. [gedaagde partij] hoofdelijk, althans ieder voor een gelijk deel, zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde sub 1] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde sub 1] vordert – waar mogelijk verkort weergegeven – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat de volgende beschuldigingen onrechtmatig zijn:

(i) [gedaagde sub 1] is de kwade genius achter alle ellende die [eisende partij] is overkomen;

(ii) [gedaagde sub 1] heeft [eisende partij] de afgelopen 2,5 jaar onder druk gezet – “met machtsmisbruik en leugens”- om zijn bedrijven te verkopen aan een partij waarmee Renault Nederland verder wilde;

(iii) [gedaagde sub 1] heeft [eisende partij], in een verkoopproces dat nota bene 3 jaar heeft geduurd, veel ellendige dingen aangedaan en [eisende partij] veel materiële en immateriële schade toegebracht;

(iv) In dat overnametraject heeft [gedaagde sub 1] zich direct gemengd en heeft zich schuldig gemaakt aan onevenredig machtsmisbruik;

(v) [gedaagde sub 1] maakt gebruik van misleidingen, leugens en willekeur waardoor hij een economisch misdadiger is;

(vi) [gedaagde sub 1] maakt deel uit van een foute directie;

(vii) Door manipulaties heeft [gedaagde sub 1] enkele grote en veel kleinere dealers op slinkse wijze in een dusdanig afhankelijke positie gebracht dat zij hun bedrijven voor veel minder dan de werkelijke waarde hebben moeten verkoppen.

2. [eisende partij] zal veroordelen om zich na betekening van dit vonnis te onthouden van het openbaar (laten) maken van deze of soortgelijke beschuldigingen;

3. zal bepalen dat [eisende partij] een dwangsom zal verbeuren van EUR 10.000,-- per dag dat hij niet aan het onder 2 gevorderde voldoet;

4. [eisende partij] zal veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan [gedaagde sub 1], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5. [eisende partij] zal veroordelen in de kosten van het geding in reconventie.

3.4. [eisende partij] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Het standpunt van [eisende partij]

4.1. [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] persoonlijk onrechtmatig hebben gehandeld, zowel jegens Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel als jegens hem in privé. Daartoe betoogt hij dat [gedaagde partij] een samenhangend geheel van onrechtmatige gedragingen kan worden verweten dat er toe heeft geleid dat de waarde van zijn aandelen in Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel ernstig is aangetast en dat hij ten onrechte en op een ongunstig tijdstip en tegen ongunstige voorwaarden zijn ondernemingen en zijn bedrijfspand te Zaltbommel heeft moeten verkopen, terwijl hij voor zijn inkomen, zijn vermogensvorming én zijn sociaal-maatschappelijke positie geheel afhankelijk was van de door hemzelf opgebouwde ondernemingen.

Hij verwijt daarbij [gedaagde sub 1] dat deze er een geheime en zeer schadelijke strategie op heeft nagehouden, enkel gericht op de beschadiging van [eisende partij] en zijn bedrijven. Daarbij, zo stelt [eisende partij], heeft [gedaagde sub 1] om persoonlijke redenen en volstrekt willekeurig zijn machtspositie binnen Renault aangewend om [eisende partij] op onzakelijke gronden als dealer af te zetten. De reorganisatie van het dealernetwerk was slechts een drogreden om [eisende partij] te kunnen opzeggen.

De opzegging van het dealerschap geschiedde om de onderhandelingspositie van [eisende partij] in het verkoopproces van zijn ondernemingen te frustreren en de positie van de door Renault aangewezen koper te versterken. Daarbij heeft [gedaagde sub 1] zich heimelijk actief met de verkooponderhandelingen aan de zijde van de koper bemoeid.

Verder heeft [eisende partij] gewezen op de volgende – in onderlinge samenhang te beoordelen en hier kort weergegeven – omstandigheden, die zich onder leiding en verantwoordelijkheid van [gedaagde partij] hebben voorgedaan:

• Ondanks het verzoek daartoe van [eisende partij] is het verslag van de bespreking van 9 november 2000 (zie nummer 2.5.), niet vertrouwelijk behandeld, waardoor onrust in de organisatie van Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel is ontstaan;

• [gedaagde sub 1] heeft in afwijking van de gebruikelijke procedure persoonlijk een onderzoek ingesteld naar de wijze waarop een aantal tegen zijn de bedrijven van [eisende partij] gerichte klachten zijn afgehandeld;

• Aan Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel gerichte facturen van Renault waren vaak niet in orde, hetgeen tot veel extra werkzaamheden leidde;

• Renault heeft aan de bedrijven van [eisende partij] ten onrechte een strafkorting op grond van de Variabele Marge Regeling toegepast;

• [eisende partij] kreeg auto’s geleverd waarom hij niet had gevraagd en met moeilijke en onverkoopbare opties, hetgeen ten koste ging van de opbrengsten;

• Renault heeft [eisende partij] grote investeringen laten doen in het bedrijfspand voor Udo Zaltbommel, terwijl [gedaagde sub 1] vóór de opening ervan in 1999 al van [eisende partij] af wilde en dit geheim heeft gehouden;

• [eisende partij] heeft gedurende lange tijd structureel minder Metropolitan bijdrage gekregen dan andere dealers. De regeling is voor [eisende partij] zelfs geheimgehouden, hetgeen ten koste ging van de prestaties van zijn bedrijven;

• [gedaagde sub 1] heeft [eisende partij] vlak voor de totstandkoming van de koopovereenkomst met VKV geschreven dat hij daarmee uitsluitend zou instemmen wanneer de aansprakelijkstelling aan zijn adres zou worden ingetrokken;

• [gedaagde sub 2] heeft een verkoopleider van [eisende partij] aangemoedigd om op te stappen en

[eisende partij] daarbij in een kwaad daglicht gesteld.

4.2. Volgens [eisende partij] is niet alleen sprake van onrechtmatig handelen van Renault jegens Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel – waarvoor een procedure voor de rechtbank te Amsterdam is gevoerd en thans in hoger beroep aanhangig is voor het Gerechtshof te Amsterdam – maar dus ook van [gedaagde partij] in persoon jegens zowel [eisende partij] als zijn bedrijven. De opgesomde onrechtmatige gedragingen komen voort uit een persoonlijke kruistocht van [gedaagde sub 1] jegens [eisende partij]. [gedaagde sub 2] was, als directeur van Renault, daarvan op de hoogte en heeft dit gedrag van [gedaagde sub 1] geduld, althans niet ingegrepen, en geen maatregelen getroffen ter voorkoming of ongedaanmaking van de schade ten gevolge daarvan. [gedaagde sub 2] is daardoor voor dat handelen en die schade mede aansprakelijk, aldus [eisende partij].

Het standpunt van [gedaagde partij]

4.3. [gedaagde partij] hebben de gestelde aansprakelijkheid op verschillende gronden en gemotiveerd bestreden. Zij houden het erop dat de verwijten van [eisende partij] aan het adres van Renault en hen in persoon voortspruiten uit onvrede en teleurstelling over het feit dat hij niet is geselecteerd als HUB-partner. Zij stellen zich op het standpunt dat het Renault contractueel vrij stond de dealerovereenkomsten met Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel op te zeggen in verband met de reorganisatie van haar dealernetwerk. Het stond [eisende partij] op zijn beurt vrij om al dan niet over te gaan tot verkoop van zijn ondernemingen, maar uitgangspunt was wel dat hijzelf niet als Renault-dealer verder zou kunnen en dat VKV wat Renault betreft de enige kandidaat was binnen het Renault-netwerk aan wie [eisende partij] op dat moment zijn bedrijfsactiviteiten inclusief het Renault-dealerschap kon overdragen, omdat VKV de daarvoor in aanmerking komende HUB-partner was.

Nog daargelaten de vraag of er naast een eventuele aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van Renault plaats kan zijn voor een aansprakelijkheid wegens een hen persoonlijk te verwijten onrechtmatig handelen, betwisten [gedaagde partij] concreet en gemotiveerd dat van enig onrechtmatig handelen jegens [eisende partij] en/of zijn bedrijven sprake is geweest.

[gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd betwist dat hij een persoonlijk gemotiveerde, op het afzetten van [eisende partij] als dealer gerichte beschadigingsactie heeft gevoerd. Elk van de daartoe door [eisende partij] aangevoerde omstandigheden is daarbij inhoudelijk weersproken.

4.4. Voorts hebben [gedaagde partij] er op gewezen dat [eisende partij] als (middellijk) aandeelhouder van Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel geen recht op schadevergoeding kan doen gelden, gelet op hetgeen door de Hoge Raad is geoordeeld in HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 (Poot/ABP). Een uitzondering op deze leer, zoals door de Hoge Raad erkend in HR 2 mei 1997, NJ 1997, 662 (Kip en Sloetjes/Rabobank) doet zich hier om verschillende redenen niet voor, aldus [gedaagde partij]. Zulks omdat van een gedwongen verkoop van de ondernemingen geen sprake is geweest, [eisende partij] voor zijn ondernemingen een reële prijs heeft gekregen, niet valt in te zien waarom de verkoop op een ongunstig moment plaatsvond, [eisende partij] de schade niet definitief in zijn vermogen heeft geleden omdat hij nog altijd aandeelhouder is van Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel en [eisende partij] voor zijn inkomsten niet volstrekt afhankelijk was van de beide ondernemingen, omdat hij ook inkomsten uit onroerend goed had en heeft.

Tot slot hebben [gedaagde partij] het bestaan van schade en het causaal verband met de hun verweten gedragingen betwist.

4.5. Ten aanzien van de vorderingen die Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel betreffen hebben [gedaagde partij] vraagtekens gezet bij de reikwijdte van de door [eisende partij] in het geding gebrachte volmacht. Zij hebben aangevoerd dat de tekst van die volmacht dermate onduidelijk is dat op grond daarvan moet worden betwist dat [eisende partij] gerechtigd is om in deze procedure op eigen naam en voor eigen rekening op te treden voor de bedoelde vennootschappen.

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht jegens [eisende partij]

4.6. Uitgangspunt bij de beoordeling van de hier bedoelde vordering is de norm zoals deze door de Hoge Raad is geformuleerd in zijn arrest van 2 december 1994, NJ 1995, 288 (Poot/ABP). In het geval dat door een derde vermogensschade wordt toegebracht aan een vennootschap door wanprestatie of onrechtmatig handelen, kan in beginsel uitsluitend die vennootschap vergoeding van deze schade vorderen. Die schade zal een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen, zolang zij niet is vergoed. Een aandeelhouder kan op grond van onrechtmatig handelen ageren tegen die derde wanneer hij stelt – en bij betwisting bewijst – welke specifiek jegens hem te betrachten zorgvuldigheidsnorm niet in acht is genomen. Hij kan dus niet volstaan met het stellen van onzorgvuldig handelen jegens de vennootschap.

4.7. Een antwoord op de vraag of de aan [gedaagde partij] verweten gedragingen op zich zelf dan wel in onderlinge samenhang bezien in strijd zijn met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, kan in het midden blijven. Wat er van die gedragingen thans ook zij, [eisende partij] heeft niet gesteld – laat staan concreet gemotiveerd betoogd – welke jegens hem in persoon in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm daarbij is geschonden. Dit had hij niet mogen nalaten, temeer nu [gedaagde partij] ook op dit punt gemotiveerd verweer hebben gevoerd. Alle door [eisende partij] genoemde elementen die, naar hij stelt, de conclusie van onrechtmatig handelen rechtvaardigen, hebben betrekking op Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel. Het zijn immers deze vennootschappen die partij waren bij de dealerovereenkomsten binnen welk kader de verweten gedragingen plaatsvonden (zie de opsomming daarvan in nummer 4.1.) en het zijn de vennootschappen met wie uiteindelijk de dealerovereenkomsten zijn opgezegd en die tot de verkoop van de activa zijn overgegaan.

Indien één of meer van die handelingen, al dan niet in samenhang, als onrechtmatig hebben te gelden, dan is zulks het geval jegens de vennootschappen en niet zonder meer ook jegens

[eisende partij]. Waarom dit laatste anders is, heeft [eisende partij] onvoldoende concreet gemotiveerd gesteld. Het enkele feit dat hij als (de enige) aandeelhouder achter die vennootschappen de gevolgen van dat handelen ook persoonlijk ondervindt, is daartoe niet voldoende.

Ook de schade die door het gestelde onrechtmatig handelen zou zijn geleden betreft blijkens de korte toelichting van [eisende partij] slechts schade die – indien juist – door Udo Zaltbommel en Udo Waalwijk is geleden. Aanvankelijk is die schade door [eisende partij] opgevoerd als beëindigingsschade (niet nader toegelicht), exploitatieschade en immateriële schade. Nadat gemotiveerd verweer was gevoerd op deze punten heeft [eisende partij] in zijn conclusie van repliek de schade omschreven als – samengevat en naar de rechtbank begrijpt – het verschil tussen de waarde van de ondernemingen en de daarvoor daadwerkelijk gerealiseerde prijs, het door Renault hanteren van een te korte opzegtermijn van dealerovereenkomsten om alle investeringen te kunnen terugverdienen, een daling van zakelijke prestaties door de, als pesterijen en ontmoedigingsacties gekwalificeerde, gedragingen van [gedaagde partij] en een ernstige aantasting van de waarde van de aandelen van [eisende partij]. Alle schadeposten, behalve de laatstgenoemde, raken het vermogen van de vennootschappen en niet van [eisende partij] in persoon. Indien sprake is van schade aan de zijde van [eisende partij] zelf, dan moet het er gelet op de beweerde aard ervan voor worden gehouden dat het allemaal schade betreft als gevolg van een vermindering van de waarde van zijn aandelen, die geheel correspondeert met de schade die de beide ondernemingen hebben geleden. [eisende partij] heeft als gezegd geen aanknopingspunten geboden voor het oordeel – de norm van HR Poot/ABP tot uitgangspunt nemende – dat voor vergoeding van deze schade aan hem in persoon een grondslag aanwezig is.

[gedaagde partij] hebben het bestaan van immateriële schade aan de zijde van [eisende partij] gemotiveerd betwist. [eisende partij] heeft deze betwisting op zijn beurt niet meer weersproken, zodat reeds om die reden afwijzing dient te volgen.

4.8. [eisende partij] komt geen beroep toe op een, op het arrest Kip en Sloetjes/Rabobank (HR 2 mei 1997, NJ 1997, 662) gebaseerde, uitzondering op de hiervoor in nummer 4.6. geformuleerde regel. Zijn stellingen rechtvaardigen een afwijking van die hoofdregel niet.

Een doorslaggevende omstandigheid op grond waarvan in dit arrest een uitzondering is gemaakt op die hoofdregel, doet zich in het onderhavige geval niet voor. [eisende partij] is immers nog altijd aandeelhouder van Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel. Deze vennootschappen kunnen nog altijd trachten de gestelde schade te verhalen. In dat geval moet de schade van [eisende partij] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder geacht worden te zijn goedgemaakt. Dit was anders voor Kip en Sloetjes in bovengenoemd arrest, die juist door de Rabobank waren gedwongen om hun aandelen te verkopen en die daarom al hun verhaalsmogelijkheden verloren hadden zien gaan. Die situatie doet zich hier nadrukkelijk niet voor.

[eisende partij] heeft bij pleidooi nog aangevoerd dat in het geval de afwijzing door de rechtbank Amsterdam van de vorderingen die de vennootschappen jegens Renault hebben ingesteld in hoger beroep wordt bekrachtigd, aangenomen moet worden dat de hier aan de orde zijnde schade niet meer vergoed zal worden en daarom door [eisende partij] definitief in zijn vermogen zal zijn geleden. Dit betoog faalt reeds omdat de vorderingen van de vennootschappen in de Amsterdamse procedure zijn gericht tegen Renault en niet tegen [gedaagde partij] in persoon, zoals hier aan de orde. De grondslag van de vorderingen én de procespartijen zijn derhalve een andere.

4.9. [eisende partij] heeft – tot slot – ook gesteld dat hij verplicht werd het bedrijfspand te Zaltbommel te verkopen en op het pand in Waalwijk een koopoptie te verlenen. [eisende partij] had die panden zelf in eigendom. Hij stelt hiertoe genoodzaakt te zijn geweest omdat VKV anders helemaal geen zaken met hem had willen doen. Hij heeft ingestemd om verdere schade aan zijn vennootschappen te beperken.

Ook ten aanzien van de hier aan de orde zijnde hoedanigheid als eigenaar van onroerend goed heeft [eisende partij] echter nagelaten concreet te stellen welke specifieke, door [gedaagde partij] jegens hém in acht te nemen norm is geschonden met de hier bedoelde verkoop en koopoptie tot gevolg. Daarbij komt dat [eisende partij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor schade heeft geleden, nu vast staat dat hij het betreffende pand tegen de taxatiewaarde heeft verkocht. Aanknopingspunten voor de aannemelijkheid van zijn stelling dat de gerealiseerde verkooprijs nadelig was in relatie tot de daarmee beoogde huuropbrengsten heeft [eisende partij] in zijn summiere stellingen niet aangereikt.

4.10. Conclusie van dit alles moet zijn dat de gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] jegens [eisende partij] onrechtmatig heeft of hebben gehandeld, moet worden afgewezen bij gebrek aan een deugdelijke grondslag.

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht jegens Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel

4.11. [eisende partij] procedeert in persoon. Hij heeft gesteld als indirect bestuurder van Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel op te treden. Voor zover vereist heeft hij een machtiging overgelegd waaruit zijn bevoegdheid zou blijken om de onderhavige vorderingen namens de genoemde vennootschappen in te stellen.

4.12. De kennelijke stelling van [eisende partij] dat de bestuurder van een vennootschap reeds uit hoofde van die hoedanigheid gerechtigd is om in eigen naam en voor eigen rekening voor de betreffende vennootschap in rechte op te treden vindt geen steun in het recht.

4.13. Aan de volmacht als bedoeld in artikel 3:60, eerste lid, BW kan niet de bevoegdheid worden ontleend om in eigen naam namens een ander in rechte op te treden. Dat kan slechts indien blijkt van een daartoe strekkende opdracht (de lastgeving, artikel 7:414 BW). [eisende partij] heeft een verklaring in geding gebracht, die blijkens de aanhef als volmacht is gekwalificeerd. Die kwalificatie is echter niet doorslaggevend. De inhoud en de strekking ervan zijn bepalend. De overgelegde verklaring heeft, voor zover relevant, de navolgende inhoud:

DE ONDERGETEKENDE

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid J.G.D. UDO HOLDING B.V. (…) in haar hoedanigheid van bestuurder van Udo Zaltbommel B.V. en Udo Waalwijk B.V., te dezer zake vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [eiser];

MACHTIGT HIERBIJ

de heer [eiser] (…)

TENEINDE

namens Udo Zaltbommel B.V. en Udo Waalwijk B.V. een procedure aanhangig te maken tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]; en om Udo Zaltbommel B.V. en Udo Waalwijk B.V. in voornoemde procedure te vertegenwoordigen, het woord te voeren, (eventueel) namens Udo Zaltbommel B.V. en Udo Waalwijk B.V.een minnelijke regeling aan te gaan en al hetgeen te doen wat noodzakelijk is. Voorts wordt [eiser] hierbij gemachtigd om al hetgeen te doen wat nodig is ter zekerstelling van verhaal van de betalingsverplichting van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (…)

4.14. De hierboven weergegeven tekst van de verklaring roept vragen op over de reikwijdte van de daarin neergelegde machtiging. Dat [eisende partij] daarmee het recht is gegeven om in eigen naam op te treden voor Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel volgt daaruit immers niet zonder meer. Door [gedaagde partij] is op dit punt nadrukkelijk en gemotiveerd verweer gevoerd.

Ter gelegenheid van het pleidooi is [eisende partij] door de rechtbank gevraagd een toelichting te geven op de door de vennootschappen aan hem verstrekte machtiging in het licht van het door [gedaagde partij] gevoerde verweer. Zijn raadsman heeft vervolgens in zijn toelichting het standpunt ingenomen dat daarmee is bedoeld om [eisende partij] in persoon te machtigen om in deze procedure namens de vennootschappen uitspraken te doen. Desgevraagd door de rechtbank heeft hij niet bevestigd dat sprake is van een lastgeving aan [eisende partij] om in eigen naam de onderhavige vorderingen in te stellen. Nu evenmin is gesteld of gebleken dat de vorderingen van de vennootschappen aan [eisende partij] zijn overgedragen, kan de conclusie geen andere zijn dan dat [eisende partij] niet gerechtigd is tot het in eigen naam optreden in rechte voor Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel. Dit dient tot afwijzing van de desbetreffende vordering te leiden.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding, op te maken bij staat

4.15. Nu niet is gebleken van enig onrechtmatig handelen van de zijde van [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] jegens [eisende partij] kan van een schadevergoeding als gevorderd evenmin sprake zijn. Deze vordering ligt dus voor afwijzing gereed.

4.16. Indien [eisende partij] ook heeft bedoeld schadevergoeding te vorderen voor Udo Waalwijk en Udo Zaltbommel als gevolg van door deze vennootschappen geleden schade ten gevolge van enig onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1], stuit dit af op hetgeen hierboven in nummer 4.14 is overwogen. Ook deze vordering wordt dus afgewezen.

Conclusie in conventie

4.17. De vorderingen zullen worden afgewezen. [eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 241,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.808,00 (4,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.049,00

in reconventie

4.18. [gedaagde sub 1] heeft aan zijn vordering in reconventie ten grondslag gelegd dat [eisende partij], na de opzegging door Renault van de dealerovereenkomsten, [gedaagde sub 1] verschillende malen in diversie media heeft beschuldigd van doelbewuste beschadigende acties jegens [eisende partij] en anderen, waarbij onjuiste en onnodig grievende bewoordingen zijn gebruikt. Voorbeelden daarvan zijn: kwade genius, economische misdadiger, machtsmisbruik, leugens, op slinkse wijze, manipulatie en deel uitmaken van een foute directie. [gedaagde sub 1] stelt hierdoor voortdurend in zijn eer en goede naam te zijn aangetast en hij acht [eisende partij] aansprakelijk voor de schade die hij daardoor lijdt.

[eisende partij] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en daartoe samengevat onder meer betoogd dat de gewraakte mededelingen niet onjuist zijn en reeds ten tijde van de publicaties concrete steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal, dat de mededelingen om verschillende redenen niet onrechtmatig zijn en dat in dit verband het recht op vrije meningsuiting van [eisende partij] zwaarder heeft te wegen dan het recht op bescherming van eer en goede naam van [gedaagde sub 1] en dat [gedaagde sub 1] niet heeft gesteld wat de schadelijke gevolgen van de gedane mededelingen zijn

4.19. De vraag of de gewraakte uitspraken van [eisende partij] ten tijde van publicatie ervan voldoende concrete steun in de bekende feiten vonden kan in het midden blijven. Ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat voor deze uitspraken géén voldoende feitelijke basis bestond, leidt dit niet tot toewijzing van het gevorderde. Bij de vraag of [eisende partij] door de in geding zijn de uitlatingen jegens [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld, zijn twee grondrechten in geding, namelijk het recht op een vrije meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam en dus van de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Daarbij staan twee maatschappelijke belangen tegenover elkaar: enerzijds het belang dat men zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend of waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties die het algemeen belang zouden kunnen raken en anderzijds het belang dat personen niet in de media worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Omdat deze belangen geen rangorde kennen komt het bij de vraag welk belang in een concreet belang dient te prevaleren aan op weging van de omstandigheden van het geval.

4.20. [gedaagde sub 1] heeft wel gesteld dat zijn recht om niet in zijn eer en goede naam te worden aangetast dient te prevaleren, hij heeft dit standpunt echter in het licht van voornoemde belangenafweging onvoldoende concreet onderbouwd. Een nadere onderbouwing waarom zijn belang zwaarder dient te wegen dan dat van [eisende partij] om zich vrijelijk te uiten lag op de weg van [gedaagde sub 1]. Dat hij dit heeft nagelaten moet hem worden tegengeworpen.

Voorop staat daarbij dat de uitlatingen richting [gedaagde sub 1] zijn gedaan in zijn hoedanigheid van directeur belast met de reorganisatie van het dealernetwerk. Hij was bij Renault verantwoordelijk voor de uitvoering van de HUB-strategie, waarbinnen voor veel Renault-dealers geen plaats meer was. In die functie droeg hij verantwoordelijkheid voor beslissingen met soms vérstrekkende zakelijke, en ook persoonlijke, gevolgen voor dealers. Dat hij in dat reorganisatieproces zou stuiten op forse – soms ook door emoties ingegeven – kritiek die zijn weg naar de openbaarheid zou vinden, bijvoorbeeld via vakbladen als Automotive, was voorzienbaar. De uitlatingen van [eisende partij] aan het adres van [gedaagde sub 1] in persoon moeten binnen deze context worden beschouwd. Dat deze uitlatingen door het relevante publiek ook binnen deze context zullen zijn geplaatst is aannemelijk.

Daarmee is niet gezegd dat [gedaagde sub 1] zich vanwege zijn positie op zijn persoon gerichte, onjuiste en grievende uitlatingen steeds moet laten welgevallen. Wel moet worden geoordeeld dat het, tegen deze achtergrond bezien, zonder nadere stellingen niet voor zich spreekt dat wellicht beledigende of grievende uitspraken ten koste van zijn persoon, ook indien ze onjuist zijn, tot aantasting van zijn eer en goede naam hebben geleid en te allen tijde onrechtmatig zijn. Die nadere stellingen zijn echter achterwege gebleven. Daartoe bestond te meer noodzaak gelet op het tijdsverloop tussen de meeste van de aan de orde zijnde uitlatingen, die bij vier verschillende gelegenheden zijn gedaan, en het moment waarop de onderhavige vordering is ingesteld, terwijl niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 1] op enig daarvóór gelegen tijdstip ervan heeft blijk gegeven dat door de uitlatingen van [eisende partij] zijn eer en goede naam in geding waren gekomen.

4.21. Dit leidt tot de slotsom dat niet is gebleken van een deugdelijke grondslag voor de vorderingen in reconventie, zodat ook deze vorderingen zullen worden afgewezen.

4.22. [gedaagde sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.808,00 (4,0 punten × factor 1,0 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.808,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] tot op heden begroot op EUR 2.049,00,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. wijst de vorderingen af,

5.5. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] tot op heden begroot op EUR 1.808,00,

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. L.M.G. de Weerd en mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2007.

w.g. griffier w.g. rechter