Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9407

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
494005 CS EXPL 06-4629
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 494005 CS EXPL 06-4629

zaaknummer voorheen: 338584 CS EXPL 04-813

vonnis d.d. 27 juni 2007

in de hoofdzaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERVICE-STATIONS BENSCHOP WOERDEN B.V.,

gevestigd te Montfoort,

hierna te noemen: Woerden B.V.

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. D.J.A. van den Berg

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BP NEDERLAND B.V.

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: BP,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde mr. H.E.M. Vrolijk

in het incident

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERVICE-STATIONS BENSCHOP B.V.,

gevestigd te Woerden,

hierna te noemen: Benschop B.V.,

eiseres in het (voorwaardelijk) incident tot voeging,

gemachtigde: mr. D.J.A. van den Berg

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BP NEDERLAND B.V.

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: BP,

gemachtigde mr. H.E.M. Vrolijk

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERVICE-STATIONS BENSCHOP WOERDEN B.V.,

gevestigd te Montfoort,

hierna te noemen: Woerden B.V.

gemachtigde: mr. D.J.A. van den Berg

verweersters in het (voorwaardelijk) incident tot voeging,

Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident

Het procesverloop blijkt in de eerste plaats uit het in deze procedure (onder zaaknummer 338584 CS EXPL 04-813) laatstelijk op 1 juni 2005 gewezen tussenvonnis, waarbij een comparitie van partijen is gelast en waarbij Woerden B.V. in de gelegenheid is gesteld een akte te nemen in antwoord op de eiswijziging van BP in (voorwaardelijke) reconventie.

Woerden B.V. heeft de bedoelde antwoordakte vervolgens genomen.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2005. Partijen hebben ter zitting gevraagd om aanhouding van de procedure teneinde hun pogingen om tot een minnelijke regeling te geraken te kunnen voortzetten.

Na herhaalde gezamenlijke aanhoudingsverzoeken van partijen is de zaak op de rol van 18 januari 2006 doorgehaald.

Op verzoek van Woerden B.V. is de zaak weer opgevoerd op de rol van 11 oktober 2006, nu onder zaaknummer 494005 CS EXPL 06-4629. Woerden B.V. heeft toen een akte na comparitie genomen. BP heeft vervolgens een antwoordakte genomen.

Hierna is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil in de hoofdzaak in conventie

1.

De kantonrechter bouwt voort op de feiten en het toetsingskader zoals die in het tussenvonnis van 5 januari 2005 (onder zaaknummer 338584 CS EXPL 04-813) zijn opgenomen. Samenvattend is tussen partijen primair in geschil de vraag of de exclusieve afnamebedingen in de twee tussen partijen gesloten exploitatieovereenkomsten, ondanks de looptijd van meer dan 5 jaar, toch onder de in artikel 2 juncto 5 van de Verordening 2790/1999 vervatte groepsvrijstelling kunnen worden geschaard. Immers, een dergelijk beding valt buiten het bereik van deze groepsvrijstelling, tenzij de brandstoffen worden verkocht in lokaliteiten en terreinen die eigendom zijn van de leverancier of door de leverancier worden gehuurd van een derde, niet met de afnemer verbonden partij.

De geldigheid van de exclusieve afnamebedingen – en daarmee mogelijk ook die van de gehele exploitatieovereenkomsten – in het licht van artikel 6 van de Mededingingswet staat of valt met het antwoord op deze vraag.

2.

Bij de uitleg van de bepalingen van de Verordening voor een individuele overeenkomst zijn de door de Europese Commissie opgestelde “Richtsnoeren inzake verticale beperkingen (2000, nr, C291, p.1)”, (hierna de Richtsnoeren), van belang. Uitgangspunt van het mededingingsbeleid en dus ook van de Richtsnoeren is primair de bescherming van de mededinging en daarnaast het bevorderen van markintegratie. Vanuit dit oogpunt bezien ligt een strikte uitleg van de bepalingen van de Verordening en de Richtsnoeren voor de hand. Van belang daarbij is voorts dat de Europese Commissie ook tot uitgangspunt neemt dat iedere zaak moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de eigen feitelijke toedracht ervan (zie onder nummer 2 van de Richtsnoeren) en dat verticale overeenkomsten moeten worden geanalyseerd in hun juridische en economische context (zie onder nummer 7 van de Richtsnoeren).

3.

Onder nummer 59 van de Richtsnoeren is omschreven wat de ratio is van de uitzondering op de looptijdbeperking van 5 jaar in de hiervoor in rechtsoverweging 1 genoemde gevallen. De reden voor de uitzondering is dat van een leverancier redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zonder zijn instemming concurrerende producten worden verkocht in lokaliteiten en terreinen waarvan hij eigenaar/huurder is.

In de Richtsnoeren wordt verder opgemerkt dat kunstmatige eigendomsconstructies die zijn opgezet met de bedoeling de beperking tot 5 jaar te ontlopen niet voor de uitzondering in aanmerking komen.

4.

In het onderhavige geval wordt uitgegaan van het navolgende.

De grond waarop de in geding zijnde tankstations zijn opgericht is eigendom van de Provincie Utrecht die de grond verhuurt aan Benschop B.V., en die de grond op haar beurt verhuurt aan BP. Er zijn ten aanzien van de tankstations geen opstalrechten gevestigd.

BP heeft de tankstations omstreeks 1983 opgericht voor eigen rekening en heeft de daartoe vereiste investeringen gedaan. De niet onderbouwde en gemotiveerd weersproken stelling van Woerden B.V. dat ook Benschop B.V. investeringen heeft gedaan om de stichting van de tankstations op haar grond mogelijk te maken, doet niet af aan de vaststelling dat BP de oprichting van de tankstations heeft gefinancierd.

Gedurende de looptijd van de exploitatieovereenkomsten draagt BP het investeringsrisico en het exploitatierisico. Zij is degene die gedurende de looptijd van de overeenkomsten de instandhouding van de tankstations financiert en voor die instandhouding verantwoordelijk is. BP heeft deze investeringen en risico’s op zich genomen met het oog op de afzet van haar eigen brandstofproducten.

Uit de onderliggende contractuele verhoudingen, neergelegd in de exploitatieovereenkomsten en in de huurovereenkomsten met Benschop B.V., volgt dat BP de enige is die zeggenschap heeft over de exploitatie van de door haar zelf opgerichte tankstations gedurende de looptijd van de exploitatieovereenkomsten, welke looptijd gekoppeld is aan de looptijd van de huurovereenkomsten. Deze zeggenschap heeft BP richting Woerden B.V. vormgegeven in de exploitatieovereenkomsten. Anderen dan BP en – als afgeleide bij de gratie van bestaan en inhoud van de exploitatieovereenkomsten – Woerden B.V. die zeggenschap hebben over de (exploitatie van de) tankstations zijn er niet. Weliswaar is BP geen eigenaar van de tankstations nu ter zake geen sprake is van de vestiging van opstalrechten en huurt zij die van Benschop B.V., een zustervennootschap van Woerden B.V. Benschop B.V. is zelf echter ook geen eigenaar van de tankstations en zij heeft blijkens de (ver)huurovereenkomsten met BP geen enkele zeggenschap over of gebruiksrechten ten aanzien van de stations of de exploitatie daarvan, anders dan dat zij aan Benschop B.V. toevallen na ommekomst van de (ver)huurovereenkomsten.

5.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat het alleen de leverancier – BP – is die feitelijk zeggenschap heeft en kan houden over wat er vanaf de door haar gehuurde gronden en de daarop gestichte en binnen haar beschikkingsbevoegdheid vallende tankstations wordt verkocht. Dit is een uitzonderingsituatie waarop in punt 59 van de Richtsnoeren wordt gedoeld. De in geding zijnde tankstations kunnen gedurende de looptijd van de huurovereenkomst van de grond waarop zij zijn gesticht, worden beschouwd als eigen verkooppunten van BP, ook al heeft zij noch van de grond noch van de stations de eigendom, en als zodanig behoeft van BP redelijkerwijs niet te worden gevergd dat zij aldaar de verkoop duldt van producten van haar concurrenten.

6.

Dat de hier aan de orde zijnde feitelijke situatie niet valt te scharen onder de in artikel 5 van de Verordening opgenomen uitzondering op de looptijdbeperking wanneer deze strikt naar de letter wordt uitgelegd, zoals Woerden B.V. heeft betoogd, acht de kantonrechter - wat daar ook van zij - niet doorslaggevend. Dat bij de uitleg van de uitzonderingsbepaling alleen de zuiver taalkundige uitleg bepalend zou zijn en van de juridische, feitelijke en economische realiteit geabstraheerd zou moeten worden, doet geen recht aan de totstandkomingsgeschiedenis, de uitgangspunten en de achtergrond van deze groepsvrijstelling en de daarop geformuleerde uitzonderingen. Van belang is uiteindelijk alleen of de situatie onder het doelbereik van de aldus geformuleerde uitzondering valt. Dat is, zoals hiervoor is overwogen, het geval.

Vaststaat dat noch Woerden B.V. noch enige aan haar gelieerde vennootschap de eigendom heeft van de tankstations of daarover gedurende de looptijd van de exploitatieovereenkomsten uiteindelijk zeggenschap heeft. Vaststaat ook dat BP gedurende de looptijd van de exploitatieovereenkomsten als enige beschikkingsbevoegd is over de tankstations in kwestie. Daarom komt hier geen betekenis toe aan de vraag of de tekst van de uitzondering een cumulatief vereiste kent, in die zin dat de leverancier de eigendom moet hebben van de lokaliteiten en terreinen vanwaar de brandstoffen worden verkocht, zoals door Woerden B.V. is betoogd en is – gelet op de gehele feitelijke en juridische context – evenmin bepalend dat BP de grond huurt van een zustervennootschap van Woerden B.V.

7.

Anders dan Woerden B.V. heeft betoogd valt de onderhavige situatie niet aan te merken als een kunstmatige constructie die is opgezet met de bedoeling de beperking van de looptijd van het exclusieve afnamebeding te omzeilen en om die reden blijkens punt 59 van de Richtsnoeren niet toelaatbaar zou zijn. De exploitatieovereenkomsten dateren immers van ver vóór de inwerkingtreding van de Verordening 2790/1999 en niet in geschil is dat de exclusieve afnamebedingen in kwestie onder de oude groepsvrijstelling voor exclusieve afname betreffende tankstationcontracten (Verordening 1984/83) geldig waren.

Van het bestaan van een oogmerk tot het ontwijken van de looptijdbeperking kan dus geen sprake zijn geweest, althans aanknopingspunten daarvoor ontbreken en zijn door Woerden B.V. niet aangereikt. Het enkele gegeven dat BP in dit geschil een beroep doet op een – zoals zij het zelf noemt – economische eigendomsituatie, is daartoe in het licht van al het voorgaande ontoereikend.

8.

Conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen moet zijn dat de exclusieve afnamebedingen in de exploitatieovereenkomsten tussen partijen vallen onder het bereik van de groepsvrijstelling van Verordening 2790/1999. Deze bedingen vallen dus niet onder het verbod van artikel 81 van het Verdrag en daarmee – krachtens het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van de Mededingingswet – evenmin onder dat van artikel 6 van de Mededingingswet en zijn dus niet nietig.

9.

De vorderingen van Woerden B.V. die er - samengevat - toe strekken dat voor recht zal worden verklaard dat zij niet langer gehouden is haar brandstoffen bij BP te betrekken en dat BP zal worden veroordeeld tot het vergoeden van schade op te maken bij staat en tot het betalen van een voorschot daarop, zullen worden afgewezen omdat daarvoor geen deugdelijke grondslag bestaat.

10.

Woerden B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van BP in conventie. De kantonrechter begroot die proceskosten tot op heden op EUR 2.900 (voor de conclusie van antwoord, van dupliek en voor de comparitie steeds één punt van het ten tijde van het aanbrengen van de zaak toepasselijke liquidatietarief van EUR 725,-- per punt, en voor de akte na tussenvonnis en de antwoordakte na comparitie ieder een halve punt).

in reconventie voorts

11.

De vorderingen van BP in reconventie zijn ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering in conventie wordt toegewezen. Omdat deze voorwaarde niet in vervulling is gegaan, behoeft er in reconventie geen beslissing te worden gegeven.

12.

BP heeft gevorderd dat ook indien aan haar vorderingen in reconventie niet wordt toegekomen vanwege de daaraan verbonden voorwaarde, Woerden B.V. in de aan haar zijde gevallen proceskosten in reconventie wordt veroordeeld.

De kantonrechter is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het instellen van de voorwaardelijke eis in reconventie een redelijke vorm van verdediging voor BP is geweest. Er bestaat derhalve dusdanige samenhang tussen de conventie en de reconventie dat de kantonrechter Woerden B.V. ook in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij beschouwt. Daarom zal Woerden B.V. ook worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie aan de zijde van BP. Deze kosten worden per heden begroot op EUR 2.900,-- (voor de conclusie van eis in reconventie, van repliek en voor de comparitie steeds één punt van het toepasselijke liquidatietarief van EUR 725,--, en voor de akte na comparitie en voor de akte na tussenvonnis ieder een halve punt).

in het incident

13.

Benschop B.V. heeft bij haar incidentele conclusie tot voeging – die naar zij ter gelegenheid van de comparitie van partijen en bij latere akte na comparitie aldus heeft toegelicht dat deze vordering waar nodig mede moet worden begrepen als een vordering tot tussenkomst – aangegeven dat deze vordering voorwaardelijk is, in die zin dat zij slechts geldt indien de kantonrechter zou oordelen dat de exclusieve afnamebedingen nietig zijn én dat dit de nietigheid van de gehele exploitatieovereenkomsten meebrengt.

14.

Gelet op de uitkomst van de zaak in conventie moet worden geoordeeld dat op de vordering in het incident niet behoeft te worden beslist. Benschop B.V. zal worden veroordeeld in de kosten van het incident aan de zijde van BP, die per heden worden begroot op EUR 725,-- (voor de conclusie van antwoord in het incident één punt van het toepasselijke liquidatietarief en nul punten voor de comparitie).

De beslissing

De kantonrechter

in conventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Woerden B.V. in de proceskosten, aan de zijde van BP tot op heden begroot op EUR 2.900,-- (tweeduizend negenhonderd euro);

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- verstaat dat op de vorderingen niet behoeft te worden beslist;

- veroordeelt Woerden B.V. in de proceskosten, aan de zijde van BP tot op heden begroot op EUR 2.900,-- (tweeduizend negenhonderd euro);

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incident

- verstaat dat op de vordering niet behoeft te worden beslist;

- veroordeelt Benschop B.V. in de proceskosten, aan de zijde van BP tot op heden begroot op EUR 725,-- (zevenhonderd vijfentwintig euro);

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, kantonrechter-plaatsvervanger, en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 27 juni 2007.

w.g. griffier w.g. kantonrechter