Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA8336

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
SBR 06-2048
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning. Wijzigingen van ondergeschikte aard. Bouwplan van het hoofdgebouw overschrijdt de de op grond van artikel 4 van de planvoorschriften, maximaal toegstane 400 m2. Welstandsadvies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/2048

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 3 mei 2007

inzake

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 4 april 2006 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de bezwaren van De Langstraat II B.V., gevestigd te Baarn (hierna: De Langstraat II B.V.), gericht tegen verweerders besluit van 14 september 2001, gegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd om vergunning te verlenen voor de bouw van een woongebouw op het perceel Prinses Beatrixlaan 1 te Baarn, kadastraal bekend gemeente Baarn, sectie L, nr. 28 (hierna: het perceel). Bij het bestreden besluit is bepaald dat, gelet op de bouwaanvraag van 8 mei 2001 met bijbehorend bouwplan zoals dat op 12 januari 2006 is bijgesteld, de gevraagde bouwvergunning alsnog aan vergunninghoudster wordt verleend, onder de voorwaarde dat de bestaande bijgebouwen op het perceel (daaronder niet begrepen de aldaar aanwezige bunker) worden gesloopt, een en ander met inachtneming van de wettelijke regels voor het slopen van bouwwerken, welke sloop dient plaats te hebben vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden waarin de bouwvergunning voorziet en voor welke sloop een sloopvergunning dient te worden aangevraagd.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2007, waar eisers, ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, zijn verschenen bij gemachtigde Y.A. de Boer, wonende te Baarn. Verweerder, eveneens opgeroepen, is vertegenwoordigd door mr. E.M. Rozeboom en F.J. Blom, beiden werkzaam bij de gemeente Baarn. Namens De Langstraat II B.V., ook opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, zijn verschenen [M], directeur van De Langstraat II B.V., en mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem.

Overwegingen

2.1 De voorliggende bouwaanvraag betreft de bouw op het perceel van een acht appartementen omvattend complex met ondergrondse parkeerplaatsen en bergingen.

2.2 De bezwaren die De Langstraat II B.V. heeft ingediend tegen eerdergenoemd besluit van

14 september 2001 zijn bij besluit van 2 augustus 2002 door verweerder ongegrond verklaard. Het tegen laatstgenoemd besluit door De Langstraat II B.V. ingestelde beroep is bij uitspraak van 7 november 2003 van deze rechtbank gegrond verklaard, met vernietiging van het besluit van 2 augustus 2002. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het bij de aanvraag van 8 mei 2001 behorende bouwplan niet in strijd is met het ten tijde van de aanvraag ter plaatse geldende bestemmingsplan "Prins Hendrikpark 1996" en dat dit betekent dat de gevraagde bouwvergunning op 8 augustus 2001 ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet van rechtswege is verleend.

Tegen deze uitspraak is door eisers en door verweerder hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Bij uitspraak van 11 augustus 2004 heeft de ABRvS de uitspraak van de rechtbank bevestigd onder verbetering van gronden, omdat het college op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. In deze uitspraak heeft de ABRvS onder meer het volgende overwogen: Naar ter zitting is komen vast te staan [...] bedraagt het bruto grondoppervlak van het hoofdgebouw meer dan 399 m2, reeds omdat het van het woningcomplex deeluitmakende voorportaal van circa 3,08 m2 ten onrechte niet bij de op de bouwtekening aangegeven bebouwde oppervlakte van het hoofdgebouw is betrokken. Daarmee overschrijdt het bouwplan wat betreft de oppervlakte van het hoofdgebouw de op grond van artikel 4, derde lid, aanhef en onder I, sub e, van de planvoorschriften maximaal toegestane 400 m2.

2.3 In het kader van het opnieuw door verweerder beslissen op de bezwaren van De Langstraat II B.V. tegen het besluit van 14 september 2001 is op 23 september 2004 een hoorzitting gehouden. Verweerder heeft vergunninghoudster vervolgens in de gelegenheid gesteld om een aangepast bouwplan in te dienen, hetgeen op 12 januari 2006 is geschied.

Bij het thans bestreden besluit van 4 april 2006 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat in het bijgestelde bouwplan de grondoppervlakte van het hoofdgebouw voldoende is verkleind, zodat het bouwplan in overeenstemming is met de planvoorschriften. Omdat het oorspronkelijke bouwplan naar verweerders mening in bouwkundig noch stedenbouwkundig opzicht een wezenlijke verandering heeft ondergaan, is sprake van veranderingen van ondergeschikte aard.

In haar advies van 16 februari 2006 heeft de door verweerder ingeschakelde onafhankelijke Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit, Welstand en Monumenten Midden Nederland (WMMN) geconcludeerd dat het bijgestelde bouwplan van 12 januari 2006 voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft dit advies overgenomen.

Omdat het bijgestelde bouwplan volgens verweerder in overeenstemming is met de Woningwet, het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het bestemmingsplan "Prins Hendrik-park 1996" en redelijke eisen van welstand, heeft hij bij het thans bestreden besluit van 4 april 2006 de bezwaren van De Langstraat II B.V. tegen het besluit van 14 september 2001 gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog onder voormelde voorwaarde verleend.

2.4 Eisers hebben aangevoerd dat het bijgestelde bouwplan van 12 januari 2006 zozeer van het oorspronkelijke bouwplan afwijkt, dat geen sprake is van wijzigingen van ondergeschikte aard. Dit derhalve als nieuwe bouwaanvraag te beschouwen bouwplan dient volgens eisers dan ook te worden getoetst aan het op 12 januari 2006 ter plaatste geldende bestemmingsplan van 2002. Eisers wijzen erop dat het bijgestelde bouwplan zonder meer in strijd is met de voorschriften van het nieuwe bestemmingsplan.

Gelet op de jurisprudentie van de ABRvS, waaronder de uitspraak van 13 april 1995 (BR 1995, 669), ziet het bijgestelde bouwplan van 12 januari 2006 naar het oordeel van de rechtbank op wijzigingen van ondergeschikte aard ten opzichte van het oorspronkelijk bij de bouwaanvraag van 8 mei 2001 behorende bouwplan. Verweerder heeft derhalve terecht getoetst aan het ten tijde van de aanvraag van 8 mei 2001 geldende bestemmingsplan "Prins Hendrikpark 1996" (hierna: het Bestemmingsplan).

2.5 Eisers betogen voorts dat de maatvoering van het hoofdgebouw niet gewijzigd is en dat de nu goedgekeurde bouwtekeningen qua maatvoering exact gelijk gebleven zijn aan de oorspronkelijke tekeningen.

Dit betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mocht, in het geval van een gewijzigde bouwtekening als de onderhavige, ermee worden volstaan dat de gewijzigde maatvoering, zijnde 2,63m in plaats van de voorheen gehanteerde 2,70m, in cijfers op de tekening is vermeld.

2.6 Eisers betogen verder dat met het gewijzigde bouwplan opnieuw de maximaal toegestane grondoppervlakte van het hoofdgebouw wordt overschreden en wel met 4,15 m2.

Volgens verweerder blijft de oppervlakte van het hoofdgebouw echter binnen het aantal toegestane vierkante meters en bedraagt deze 399,29 m2, welk getal verweerder ter terechtzitting aan de hand van een nadere berekening heeft bijgesteld naar 399,68 m2.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet en overweegt het volgende.

Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bepaalt dat de reguliere bouw-vergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en sub b, van de planvoorschriften wordt onder een aanbouw verstaan: de uitbreiding in één bouwlaag van een hoofdgebouw, uitsluitend of hoofdzakelijk dienend voor de uitbreiding van de functie van het hoofdgebouw.

Ingevolge sub p van dit artikel wordt onder een hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat op een perceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van deze voorschriften als volgt gemeten: oppervlakte van een gebouw: tussen (de buitenste verticale projectie van) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren).

Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en sub I, onder e, van de planvoorschriften mogen op gronden met de bestemming Woondoeleinden (zoals het onderhavige perceel) uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van juistgenoemde doeleinden onder de voorwaarde dat de maximale grondoppervlakte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan 400 m2.

Ingevolge sub IV, onder a, van dit artikel mag de oppervlakte van aan- en bijgebouwen per perceel ten hoogste 60 m2 bedragen.

De rechtbank kan zich niet vinden in verweerders opvatting dat de meterkast op de begane grond geen deel uitmaakt van het voorportaal en derhalve niet meetelt bij de berekening van de oppervlakte van het hoofdgebouw.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet een meterkast als deze niet aan de in artikel 1, aanhef en sub b, van de planvoorschriften gegeven definitie van een aanbouw, omdat van de meterkast niet kan worden gezegd dat deze uitsluitend of hoofdzakelijk strekt tot uitbreiding van de (woon)functie van het hoofdgebouw. De meterkast is naar het oordeel van de recht-bank een essentieel onderdeel van het hoofdgebouw, zodat van de uitbreiding van een functie geen sprake is. Uit de aangepaste bouwtekening van 12 januari 2006 blijkt voorts dat de meterkast aan de binnenzijde van de buitenmuur tegen die muur is geplaatst en is voorzien van een toegangsdeur die uitkomt in het voorportaal. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 20 september 2006 (LJN: AY8537), overweegt de rechtbank dat de op de bouwtekening als meterkast aangeduide ruimte niet los kan worden gezien van het naast-gelegen voorportaal van waaruit die meterkast slechts toegankelijk is.

Uitgaande van de in de bouwtekeningen aangegeven maten bedraagt de oppervlakte van de meterkast 1,3 tot 1,5 m2, derhalve ruim meer dan 1 m2. Uitgaande van de door verweerder berekende grondoppervlakte van meer dan 399 m2, waarbij de grondoppervlakte van de meterkast niet is betrokken, constateert de rechtbank dat, nu de oppervlakte van de meterkast moet worden meegeteld bij de berekening van de oppervlakte van het hoofdgebouw, deze oppervlakte uitkomt op meer dan 400 m2. Dit impliceert dat het bouwplan strijdig is met artikel 4, derde lid, aanhef en onder I, sub e, van het Bestemmingsplan. Verweerders besluit om de aangevraagde bouwvergunning te verlenen is derhalve genomen in strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, nu voor voormelde overschrijding geen vrijstelling is verleend.

Het besluit van 4 april 2006 komt derhalve voor vernietiging in aanmerking en het beroep van eisers dient dan ook gegrond te worden verklaard.

2.7 Eisers hebben tot slot betoogd dat het bouwwerk waarop het bijgestelde bouwplan ziet niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij verwijzen hiervoor naar de op hun verzoek door het Gelders Genootschap uitgebrachte contra-expertise van 2 mei 2006. Zij verzoeken tevens om verweerder te veroordelen in de kosten die zij hebben gemaakt in verband met het laten uitbrengen van deze contra-expertise, ten bedrage van € 1.201,90.

Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, voor zover hier van belang, bepaalt dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Naar aanleiding van het negatieve welstandsadvies van 25 mei 2001 van de welstands-commissie - toen nog geheten Provinciale Utrechtse Welstandscommissie (PUWC), thans WMMN - zijn in het bouwplan enige wijzigingen aangebracht. Hierop heeft de PUWC bij brief van 15 juni 2001 laten weten dat nog enkele punten gewijzigd dienen te worden alvorens een positief advies kan worden gegeven. Vervolgens heeft de PUWC bij schrijven van 31 december 2004 aan verweerder onder meer laten weten van oordeel te zijn dat de in het bouwplan aangebrachte wijzigingen van ondergeschikte aard zijn.

Onder verwijzing naar deze drie brieven heeft de WMMN bij schrijven van 16 februari 2006 verweerder bericht dat het bouwplan thans voldoet aan redelijke eisen van welstand. Geconstateerd is dat het ontwerp is aangepast op de in eerder overleg gemaakte opmerkingen, in verband waarmee de commissie thans instemt met het voorgestelde bouwplan. Een en ander leidt naar de mening van de WMMN (binnen de bebouwings-mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan bood op het moment van indiening van de bouwaanvraag) tot een welstandshalve aanvaardbaar geacht totaalbeeld dat zich qua vormgevingskarakteristiek voegt in de omgeving.

Eisers hebben betoogd dat WMMN-directeur ir. [T], die juistvermelde vier brieven namens de welstandscommissie heeft ondertekend (hierna: [T]), in een op 10 april 2006 met Y.A. de Boer gevoerd telefoongesprek heeft aangegeven dat hij betreurt dat er een positief welstandsadvies is afgegeven. Bij brief van 19 april 2006 heeft [T] met nadruk ontkend in het telefoongesprek van 10 april 2006 afstand te hebben genomen van het positieve welstandsadvies van 16 februari 2006, waarbij hij heeft aangegeven dat de WMMN op een gewetensvolle wijze, toetsend binnen de vigerende bestemmingsplanbepalingen en aan het gemeentelijke welstandsbeleid, tot haar oordeel is gekomen.

In voormelde contra-expertise van 2 mei 2006 heeft het Gelders Genootschap samengevat het volgende aangegeven. Verwijzend naar het gemeentelijke welstandsbeleid is gesteld dat een nauwgezette aansluiting, tot op detailniveau, op bestaande kwaliteiten wordt verlangd. Aan de hand van de vervolgens gegeven beschrijving van het bouwplan is geconstateerd dat weinig blijkt van de gevraagde zeer zorgvuldige uitwerking en dat de vlakke detaillering in die context te mager is. Gewezen is op het appartementengebouw dat is opgericht op een naburig perceel en op het, gelet op het gemeentelijk beleid, in deze omgeving ongewenst zijn van een herhaling van een overduidelijk als appartementengebouw herkenbaar blok. Het Gelders Genootschap heeft geconcludeerd dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

De WMMN heeft gereageerd op deze contra-expertise bij schrijven van 1 januari 2006. Hierin is punt voor punt ingegaan op de stellingen van het Gelders Genootschap, waarbij is aangegeven hoe en waarom de WMMN op genoemde punten tot haar oordeel is gekomen. De WMMN heeft geconcludeerd dat niet gezegd kan worden dat het bouwplan niet voldoet aan de (hoge) redelijke eisen van welstand op deze locatie.

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de reactie van 1 januari 2006 van de WMMN, op het standpunt gesteld dat de WMMN zich heeft gebaseerd op de beeldkwaliteit zoals deze is vastgelegd in de gemeentelijke beleidsstukken. De WMMN heeft volgens verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt waarom het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft gesteld dat het op zorgvuldige wijze tot stand gekomen definitieve advies van de WMMN, waaraan eerdere adviezen zijn voorafgegaan die hebben geleid tot aanpassingen van het bouwplan, in alle redelijkheid gevolgd kan worden.

Gelet op de vijf hiervoor genoemde verklaringen van de WMMN, in samenhang bezien, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aan het oordeel van het Gelders Genoot-schap meer gewicht toe te kennen dan aan dat van de WMMN. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid kunnen baseren op het positieve advies van de WMMN.

2.8 Hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.9 Voorgaande overwegingen overziende concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet. Het besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking en het beroep is derhalve gegrond.

Gelet op het vorenstaande is er aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eisers in verband met behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken.

Met betrekking tot het verzoek van eisers om verweerder te veroordelen in de kosten van de op hun verzoek uitgebrachte contra-expertise overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de jurisprudentie van de ABRvS, waarvan met name de uitspraak van 28 november 1996, Rawb 1997, nr. 77, vormt de omstandigheid dat het bestreden besluit niet wordt vernietigd op grond van (bepaalde) door de indiener van het beroep aangevoerde grieven (in casu de grond dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet) geen reden om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. De rechtbank veroordeelt verweerder derhalve in de kosten die eisers hebben gemaakt in verband met de door hen overgelegde contra-expertise tot een bedrag van € 1.201,90.

De rechtbank overweegt voorts dat niet is gebleken van kosten die eisers hebben gemaakt in verband met professioneel verleende rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending en met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van De Langstraat II B.V. tegen het besluit van 14 september 2001,

3.4 bepaalt dat de gemeente Baarn het door eisers betaalde griffierecht ad € 141,- aan hen vergoedt,

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten van eisers in dit geding ten bedrage van € 1.201,90, te betalen door de gemeente Baarn.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2007.

de griffier: het lid van de enkelvoudige kamer:

mr. R.A. van Bruchem mr. M.P. Gerrits-Janssens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.