Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA8296

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
232591 / HA RK 07-217
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het feit dat het onderzoek waaraan de beide rechters hebben deelgenomen nietig is, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een geheel nieuw samengestelde rechtbank de zaak moet gaan behandelen. De betrokkenheid van de rechters die deel uitmaakten van de strafkamer die de zaken tot nu toe behandelde betekent in het licht van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria niet, dat niet van hun onpartijdigheid kan worden uitgegaan. Daarbij is van belang dat de strafkamer tot nu toe niet tot een inhoudelijk oordeel met betrekking tot de tenlastelegging is gekomen. Het verzoek tot wraking wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK UTRECHT

zaaknummer / rekestnummer: 232591 / HA RK 07-217

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 28 juni 2007

in de zaak van

HET OPENBAAR MINISTERIE ,

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. M. Teengs Gerritsen, officier van justitie te Utrecht

tegen

1. MR. [x],

2. MR. [y],

beiden rechter in de rechtbank Utrecht.

1. De procedure

1.1. Ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank van 21 juni 2007 heeft de officier van justitie in de tegen [namen verdachten] aanhangige strafzaken, de hiervoor genoemde rechters gewraakt.

1.2. De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft later op 21 juni 2007 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig mr. M. Teengs Gerritsen, officier van justitie, de voorzitter en het lid van voormelde strafkamer, verder te noemen: mr. x en mr. y, alsmede [namen verdachten en raadslieden].

1.3. De officier van justitie heeft het verzoek tot wraking mondeling toegelicht, mede aan de hand van door hem op schrift gestelde aantekeningen.

1.4. Mr. x heeft daarop haar standpunt en het standpunt van mr. y toegelicht mede aan de hand van een door hen op schrift gestelde reactie op het wrakingsverzoek. Mrs. x en y komen daarbij tot de conclusie dat de wraking niet terecht is voorgesteld en dat deze dient te worden afgewezen. Hierbij hebben zij nog opgemerkt dat de verdediging – desgevraagd – heeft aangegeven (in alle drie de zaken) geen reden te zien om hen te wraken.

1.5. Na voortgezet debat is de uitspraak bepaald op 28 juni 2007 te 15.00 uur.

2. De feiten

2.1. [namen verdachten] zijn door de officier van justitie voor de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank gedagvaard. De zaken zijn bekend onder parketnummers 16/715023-5, 16/715022-5 en 16/715040-05 (hierna: de strafzaken).

2.2. Op 12 september 2006 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, waarvan mr. x als voorzitter en mr. y als lid deel uitmaakten, een begin gemaakt met de behandeling van de strafzaken. Vervolgens zijn op 17 oktober 2006, op 11 januari 2007 en op 22 maart 2007 pro forma- en regiezittingen gehouden. Tijdens deze behandelingen heeft de strafkamer beslissingen genomen op verzoeken van de kant van de verdediging tot het horen van getuigen en het toevoegen van stukken aan de dossiers. De voorlopige hechtenis van [verdachten] s steeds verlengd. De voorlopige hechtenis van [verdachte] is eind februari 2007 door de raadkamer van deze rechtbank geschorst.

2.3. De inhoudelijke behandeling van de strafzaken was gepland op 20, 21 en 22 juni 2007. Daaraan voorafgaand was op 18 juni 2007 nog een pro forma zitting gepland, met het oog op de termijn van de voorlopige hechtenis in de zaken van [verdachten].

2.4. Op 14 juni 2007 heeft de strafkamer ontdekt dat één van haar leden als plaatsvervangend rechter-commissaris in dit onderzoek twee machtigingen tot het afluisteren van telefoongesprekken had getekend. De desbetreffende rechter maakte geen deel uit van de strafkamer tijdens de eerste zitting op 12 september 2006, maar wel tijdens alle andere zittingsdagen. Diezelfde dag, 14 juni 2007, heeft mr. x aan het Openbaar Ministerie en de raadslieden van de drie verdachten een brief gestuurd met de volgende inhoud:

“Bij de voorbereiding van de zaken tegen de verdachten [naam verdachte] (parketnummer 16/715023-05), [naam verdachte] (parketnummer 17/715022-05) en [naam verdachte] (parketnummer 16/715040-05) is de rechtbank heden gebleken dat één van de leden van de kamer als rechter-commissaris een tweetal in de strafzaken afgegeven machtigingen voor akkoord heeft getekend. De rechtbank verwijst naar de pagina’s 1776 en 1782.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op artikel 268, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de consequentie hiervan is dat dit lid van de rechtbank niet kan deelnemen aan het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank heeft inmiddels een andere rechter in zijn plaats gesteld.

De geplande pro forma-zitting in de zaken tegen [verdachten] op 18 juni 2007 zal de rechtbank in gewijzigde samenstelling doorgang laten vinden.

De rechtbank zou op 21 juni 2007 om 9.00 uur een regiezitting willen laten plaatsvinden om uitgebreid met de procespartijen te overleggen over de verdere consequenties van de thans ontstane situatie.

Dit betekent dat de inhoudelijke behandeling op 20, 21 en 22 juni 2007 geen doorgang zal vinden. (…)”

2.5. Mr. x heeft tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek op 21 juni 2007 desgevraagd verklaard dat de strafkamer er op 14 juni 2007 vanuit ging dat de pro forma zitting op 18 juni 2007 doorgang zou vinden omdat er geen aanleiding was om vooruit te lopen op een mogelijke beslissing van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de voorlopige hechtenis van [namen verdachten].

2.6. Op 14 juni 2007 heeft het Openbaar Ministerie [namen van twee verdachten] in vrijheid gesteld.

2.7. Op 18 juni 2007 heeft de geplande pro forma zitting doorgang gevonden. De strafkamer bestond bij die gelegenheid uit de twee leden die deel uitmaakten van de strafkamer op 17 oktober 2006 tot en met 22 maart 2007, de mrs. x en y en een nieuwe derde rechter. Uit het proces-verbaal blijkt dat bij die gelegenheid de behandeling van de zaak niet opnieuw is aangevangen (met de voordracht door de officier van justitie). Blijkens het proces-verbaal is allereerst aan de orde geweest of de oproep voor die zitting geldig was betekend aan de niet verschenen verdachten. Vervolgens heeft de officier van justitie het volgende meegedeeld:

“Naar aanleiding van de brief van de rechtbank van 14 juni 2007 aan het openbaar ministerie (…), heeft het openbaar ministerie geconstateerd dat het onderzoek ter terechtzitting als nietig moet worden beschouwd met uitzondering van de zitting op12 september 2006. Op de zitting van 17 oktober 2006 zijn er expliciete beslissingen genomen ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Die beslissingen zijn nietig. Hieruit moest worden geconcludeerd dat verdachte wellicht onrechtmatig heeft vastgezeten. De juridische invrijheidstelling rechtvaardigt in de opvatting van het openbaar ministerie niet de conclusie dat de voorlopige hechtenis is geëindigd. Om die conclusie aan te nemen zal de rechtbank moeten constateren dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is.”

Na een reactie daarop van de advocaat van de verdachte heeft de voorzitter meegedeeld:

“dat vandaag niet verder inhoudelijk zal worden gesproken over de situatie die is ontstaan na de constatering van de rechtbank zoals verwoord in de brief van de rechtbank d.d. 14 juni 2007. Het is de bedoeling van de rechtbank dat op 21 juni 2007 een regiezitting zal plaatsvinden, teneinde met de procespartijen uitgebreid te overleggen over de consequenties van de thans ontstane situatie.”

Daarop is het onderzoek geschorst tot 21 juni 2007.

2.8. Op 20 juni 2007 heeft het Openbaar Ministerie verzoeken van de verdediging ontvangen met betrekking tot te verrichten onderzoekshandelingen.

2.9. Op de terechtzitting van 21 juni 2007 is allereerst door de voorzitter van de strafkamer, mr. x, melding gemaakt van de ontdekking op 14 juni 2007 waarbij is vermeld dat dit volgens duidelijke jurisprudentie van de Hoge Raad betekent dat de plaatsvervangend rechter-commissaris die de machtigingen heeft getekend geen deel mag uitmaken van de kamer die de zaak inhoudelijk gaat behandelen. Voorts dat ten aanzien van de zitting van 17 oktober 2006 tot en met 22 maart 2007 de conclusie niet anders kan luiden dan dat de onderzoeken nietig zijn geweest en als gevolg daarvan ook de beslissingen die de rechtbank op deze zittingen heeft genomen, inclusief die met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Zij heeft meegedeeld dat de desbetreffende rechter meteen is teruggetrokken uit de samenstelling en een andere rechter zijn plaats heeft ingenomen.

Vervolgens heeft de rechtbank de verdachte(n) gemaand oplettend te zijn en meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is, waarna de voorzitter heeft meegedeeld dat de rechtbank de zaak met de grootst mogelijke voortvarendheid opnieuw wenst op te pakken en in de gewijzigde samenstelling wenst te behandelen. Teneinde de behandeling van de zaken opnieuw te doen aanvangen heeft de officier van justitie het woord gekregen, die vervolgens zijn wrakingsverzoek heeft gedaan.

3. De beoordeling van het verzoek

3.1. De rechtbank is van oordeel dat de gang van zaken op 14, 18 en 21 juni 2007, zoals hiervoor onder de feiten beschreven, de conclusie rechtvaardigt dat het Openbaar Ministerie het wrakingsverzoek tijdig, namelijk zodra de relevante feiten en omstandigheden haar bekend waren geworden, heeft gedaan. Niet eerder dan op 21 juni 2007 heeft immers de strafkamer uitgesproken dat het onderzoek ter zitting tot dan toe (afgezien van de allereerste zitting) nietig is geweest en ondubbelzinnig te kennen gegeven de zaken in de gewijzigde samenstelling opnieuw te zullen gaan behandelen. De officier van justitie heeft verklaard dat waar het aanvankelijk nog mogelijk moest worden geacht dat de verdediging niet (opnieuw) – kort gezegd – onderzoeksverzoeken zou voorleggen, en de rechtbank daarop derhalve niet opnieuw zou hoeven te beslissen, met het inkomen van verzoeken van de verdediging op 20 juni 2007 duidelijk is geworden dat de verzoeken (opnieuw) zouden worden voorgelegd. Die conclusie is begrijpelijk. Zodra de strafkamer op 21 juni 2007 had uitgesproken dat het gehele onderzoek zou moeten worden overgedaan en te kennen had gegeven dat in de gewijzigde samenstelling te willen doen, is het wrakingsverzoek gedaan. Hieruit volgt dat voormeld verzoek tijdig door het Openbaar Ministerie is gedaan.

3.2. De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 268 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek ter terechtzitting, met uitzondering van hetgeen is behandeld op de zitting van 12 september 2006, in deze strafzaken tot nu toe nietig is geweest. Of het in dit geval mogelijk zou zijn geweest om hetgeen tijdens de eerdere zittingen is voorgevallen thans met instemming van partijen als herhaald en ingelast te beschouwen, waardoor de behandeling van de zaken in feite zou worden voortgezet, laat de rechtbank in het midden. Kennelijk is dat in ieder geval voor een deel van hetgeen reeds is voorgevallen en beslist niet aan de orde. De zaken zullen opnieuw behandeld moeten worden en naar het zich laat aanzien zal daarbij dus over – in ieder geval een aantal – dezelfde verzoeken van de kant van de verdediging moeten worden beslist. De wet voorziet niet in procedureregels voor deze situatie.

3.3. Het Openbaar Ministerie stelt dat de nieuwe behandeling een frisse, onbevangen blik vereist van de strafkamer die de zaak zal moeten gaan behandelen. Het meent dat de beide rechters die zich vanaf oktober 2006 over de zaak hebben gebogen daartoe niet in staat moeten worden geacht. Het Openbaar Ministerie voert daartoe aan dat nu de strafkamer voor tweederde zal bestaan uit dezelfde rechters, meer dan als in een geheel nieuwe samenstelling zou worden geoordeeld, de nieuwe beslissingen door procespartijen steeds zullen worden gewogen in het licht van de eerdere beslissingen en het vreest dat bij het oordeel van de strafkamer in deze samenstelling de omstandigheid dat al eerder door henzelf op kwesties is beslist een rol zal spelen. Daarbij is volgens het Openbaar Ministerie van belang dat sinds de eerste pro forma zitting op 12 september 2006 een groot aantal beslissingen is genomen, waarbij over veel kwesties uitvoerig is gesproken.

3.4. Artikel 512 Sv bepaalt dat op verzoek van de verdachte de rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.5. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de rechter uit hoofde van zijn functie vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het tegendeel. De Hoge Raad heeft in 1992 geoordeeld dat de omstandigheid dat de rechtbank in een samenstelling die voor tweederde ongewijzigd is, opnieuw beslissingen moet nemen op procedurele aspecten inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie waarop zij eerder in een andere samenstelling reeds had beslist, op zich niet zo een zwaarwegende aanwijzing oplevert. Die zaak was in ieder geval in zoverre anders, dat in dat geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw moest plaatsvinden vanwege de gewijzigde samenstelling van de strafkamer. In 1994 is het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een vergelijkbare zaak (over een Nederlandse strafzaak) tot eenzelfde conclusie gekomen. Daarbij is van belang dat de achtergrond van de regel dat als de samenstelling van de strafkamer wijzigt, het onderzoek ter terechtzitting in beginsel opnieuw dient te geschieden, daarin is gelegen, dat de beslissing van de rechters moet zijn gebaseerd op het onderzoek ter zitting; en dat dus alle drie de rechters dat gehele onderzoek moeten hebben bijgewoond. De achtergrond is in dat geval derhalve niet, dat de procespartijen recht hebben op een behandeling door een geheel nieuw samengestelde strafkamer. Dat is anders bij behandeling van een zaak in hoger beroep of revisie. Het Openbaar Ministerie lijkt met zijn argumenten aansluiting te zoeken bij uitspraken die zijn gedaan over de zaken waarbij in tweede instantie – in ieder geval nadat een einduitspraak was gedaan – een rechter die eerder bij de beoordeling betrokken was geweest, een beslissing diende te nemen.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat het onderzoek waaraan de beide rechters hebben deelgenomen nietig is, niet mee brengt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat er sprake moet zijn van een geheel nieuw samengestelde strafkamer. Dat zou anders zijn als moest worden aangenomen dat die nietigheid op zich reeds een schaduw werpt over (het optreden van) de strafkamer, in die zin dat de onpartijdigheid van de rechters, mr. x en mr. y, thans niet kan worden vermoed. Tot die conclusie komt de rechtbank echter niet. Voorts is van belang dat de strafkamer van rechtbank tot nu toe in de strafzaken tegen [namen verdachten] niet tot een inhoudelijk oordeel met betrekking tot de tenlastelegging is gekomen en dat er uitdrukkelijk geen sprake is van een met hoger beroep vergelijkbare situatie. Het is dezelfde instantie, en in feite is die instantie ‘terug bij af’. De betrokkenheid van de beide rechters tot nu toe, brengt naar het oordeel van de rechtbank dan ook in het licht van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria op zich niet mee dat niet van hun onpartijdigheid kan worden uitgegaan. Dat het in dit geval gaat om een groot aantal beslissingen en kwesties waar tijdens de vorige zittingen uitgebreid over is gesproken, maakt dat niet anders.

Het Openbaar Ministerie moet worden toegegeven dat de vraag naar de (on)partijdigheid van de rechters bij de behandeling van de zaken, en in het bijzonder bij de beslissing op verzoeken die eerder hebben voorgelegen, steeds opnieuw aan de orde kan komen, waarbij dan, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval dient te worden beoordeeld in hoeverre de vrees gerechtvaardigd is dat mr. x en mr. y vooringenomen zijn. Dat de verdediging op 21 juni 2007 te kennen heeft gegeven geen wrakingsverzoek te willen doen, betekent niet dat de verwachting niet gerechtvaardigd is dat er op grond van bij de behandeling van de zaken voorgevallen feiten en omstandigheden wrakingsverzoeken kunnen worden gedaan. Een en ander zal tot grote vertraging kunnen leiden. Dergelijke overwegingen kunnen echter geen rol spelen bij de beoordeling van het thans voorliggende wrakingsverzoek.

3.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de redenen, die het Openbaar Ministerie aan zijn verzoek tot wraking van mr. x en mr. y ten grondslag heeft gelegd, onvoldoende grond oplevert om te concluderen dat er sprake is van objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van mr. x en mr. y, dan wel dat de vrees van het Openbaar Ministerie dienaangaande gerechtvaardigd is.

3.8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1. Wijst het verzoek af.

4.2. Draagt de griffier op deze beslissing aan het Openbaar Ministerie, mr. x, mr. y, [namen verdachten en raadslieden] , en mr. R.H.M. Jansen (sectorvoorzitter sector strafrecht van deze rechtbank) toe te zenden.

4.3. Bepaalt dat de strafzaken dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van schorsing in verband met dit wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. P. Dondorp en is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2007, in het bijzijn van de griffier.?