Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA7937

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
16/600301-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inrijden op een linie van politieagenten met een personenauto en onder invloed van alcohol ten tijde van de zgn. Ondiep-rellen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging rijbevoegdheid van een totale duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met eveneens een proeftijd van 2 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600301-07

Datum uitspraak: 26 juni 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak zaken tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Scheveningen, Penitentiair Ziekenhuis.

Raadsvrouwe: mr. E.L. Robert.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Verdachte bevond zich op dinsdagavond 13 maart 2007 met zijn auto in een gedeelte van de wijk Ondiep dat door de ME werd afgesloten en is met die auto op een linie van politieagenten ingereden. Daarbij heeft hij eerst, terwijl zijn auto niet in de versnelling stond, veel gas gegeven (de motor van zijn auto laten brullen).Toen de ME-ers bleven staan heeft verdachte zijn auto in de versnelling gezet en is met veel gas weggereden, om na enige meters hard remmend te stoppen, zoals onder meer blijkt uit de verklaring van [verbalisant A] . Aansluitend is hij, naar hij zelf bij de politie en ter zitting heeft verklaard, vol gas op de linie ingereden. Verdachte heeft zijn snelheid ter hoogte van de linie geschat op 40 km per uur. Dit strookt met de snelheid aangegeven door [verbalisant B].

De raadsvrouwe heeft ter zitting betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet, ook niet in de voorwaardelijke vorm, had de agenten van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte ging ervan uit dat het mogelijk was met zijn auto door de linie van de aanhoudingseenheid (AE) en de ME heen te rijden en op die manier de wijk Ondiep te verlaten.

De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor het onder 2 aan hem ten lastegelegde. Verdachte had evenmin het opzet dreigend in de richting van aangevers [verbalisant C] en [verbalisant D] te rijden en deze [verbalisant C] en [verbalisant D] hebben ook niet persoonlijk te vrezen gehad voor het handelen van verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit de processen-verbaal van politie en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte in zijn auto met een snelheid van rond de 40 km/uur is ingereden op een aanhoudingseenheid van de politie. Deze aanhoudingseenheid stond op dat moment, zonder extra beschermende kleding, over de gehele breedte van de rijbaan en vormde een linie. Uit de verklaring van verbalisanten [verbalisant A] , [verbalisant E] en [verbalisant B] blijkt dat zij allen opzij hebben moeten springen teneinde te voorkomen dat zij werden aangereden door verdachte. Daarbij merkt [verbalisant B] op dat verdachte, nadat hij was weggesprongen, hem slechts op een halve meter passeerde.

Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat in een situatie waarbij met een motorvoertuig wordt ingereden op een voetganger rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat deze voetganger ten gevolge van de aanrijding het leven verliest. De kans is immers aanmerkelijk dat tijdens de aanrijding vitale delen van het lichaam worden geraakt of dat de voetganger met het hoofd op straat terecht komt en daarbij zodanige verwondingen oploopt dat die persoon tengevolge hiervan overlijdt. Verdachte moet zich naar het oordeel van de rechtbank bewust zijn geweest van de hiervoor geschetste aanmerkelijke kans, nu hij immers bewust met zijn auto met een aanzienlijke snelheid op de personen is ingereden. Hij heeft, zoals blijkt uit de feitelijke toedacht, deze kans op de koop toegenomen.

Uit de verklaringen van verbalisanten [verbalisant C] en [verbalisant D] blijkt dat zij door het handelen van verdachte op enig moment angst hebben gehad dat verdachte hen zou aanrijden door ongecontroleerd met de auto op de linie af te rijden. Zij stonden bovendien in de linie op het midden van de weg, terwijl verdachte toen hij voor de eerste maal optrok en daarbij volgens [verbalisant C] wilde stuurbewegingen maakte. Toen verdachte, nadat hij korte tijd had stil gestaan, opnieuw met gierende banden wegreed was het niet van meet af aan duidelijk welke richting hij op zou sturen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door de handelingen van verdachte een bedreiging in de richting van [verbalisant C] en [verbalisant D] is uitgegaan. Dat zij niet daadwerkelijk opzij hebben hoeven springen om de auto van verdachte te ontwijken doet hieraan niet af.

Ten aanzien van feit 3

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, het proces-verbaal van politie en het resultaat van het ademonderzoek acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 maart 2007 onder invloed van alcoholische drank zijn auto heeft bestuurd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten als volgt heeft begaan:

1.

Primair

hij op 13 maart 2007 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant A] (brigadier van

politie regio Utrecht) en [verbalisant B] (hoofdagent van politie regio

Utrecht) en [verbalisant E] (hoofdagent van polite regio Utrecht)

van het leven te beroven, met dat opzet met zijn, verdachtes, (personen)auto

(hoorbaar) veel gas gevend en met hoog toerental en piepende

banden en met aanzienlijke snelheid is ingereden op genoemde personen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 13 maart 2007 te Utrecht [verbalisant C] (hoofdagent van politie

regio Haaglanden) en [verbalisant D] (brigadier van politie Utrecht)

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is

verdachte opzettelijk dreigend met zijn, verdachtes, (personen)auto,

nadat hij zich in stilstand had bevonden en daarbij (hoorbaar) veel gas

had gegeven, (hoorbaar) veel gas gevend en met hoog toerental en gierende

banden en met aanzienlijke snelheid, gereden in de richting van voornoemde

[verbalisant C] en [verbalisant D];

3.

hij op 13 maart 2007 te Utrecht, als bestuurder van een voertuig, (personenauto),

dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8,

tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 630 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 3:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is dinsdagavond 13 maart 2007 met zijn auto naar de wijk Ondiep gegaan omdat hij benieuwd was wat daar aan de hand was, nadat hij politieauto’s en auto’s van de ME langs had zien komen. Verdachte was op dat moment onder invloed van alcohol omdat hij eerder die dag al 20 bier had gedronken in een café. Verdachte heeft zich aansluitend begeven onder een menigte die op enig moment de confrontatie zocht met de politie en de ME die aldaar aanwezig waren om de orde te handhaven. Verdachte heeft verklaard op dat moment weg te hebben willen gaan. Hij zou met zijn auto hebben ingereden op de politie omdat die hem de doorgang belette.

Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft verdachte zich echter allesbehalve gedistantieerd van het gedrag van de menigte die er kennelijk op uit was het gezag van de aanwezige politie-eenheden te ondermijnen. Het handelen van verdachte moedigde het aanwezige publiek kennelijk juist aan. Men joelde en juichte immers toen verdachte de motor van zijn auto deed brullen en met de auto op de aanwezige agenten in burger afstoof. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat de reacties uit het publiek voor hem weer aanleiding waren zich “stoer” te gedragen. Aldus heeft verdachte er aan bijgedragen dat de aanwezige aanhoudingseenheid van de politie in een uiterst kwetsbare en gevaarlijke positie terecht kwam. Een groot aantal leden van de aanhoudingseenheid hebben daarbij daadwerkelijk gevreesd voor hun leven. Drie van hen hebben het vege lijf slechts kunnen redden door een noodsprong te maken, waarbij ieder van hen zich heeft gerealiseerd dat hun wegduiken zou kunnen betekenen dat collega’s van de ME (die zich achter hen bevonden en met de rug naar verdachte toegekeerd stonden) gewond zouden kunnen raken. De onvoorspelbaarheid van het rijgedrag van verdachte (en dientengevolge de consequenties ervan) was bovendien groot omdat verdachte de nodige alcohol op had, hetgeen verdachte moet worden geacht zich te hebben gerealiseerd.

De rechtbank acht dit gedrag van verdachte verwerpelijk en is van oordeel dat daarbij een aanzienlijke gevangenisstraf past. Verdachte heeft evenwel zowel in de verhoren bij de politie als ter zitting spijt betuigd van zijn handelen.

Hij heeft letterlijk verklaard zich rot te schamen voor zijn gedrag en niet meer te zullen drinken. De rechtbank heeft, mede gezien het ontbreken van enige geweldsdelicten op de door de rechtbank ontvangen strafrechtelijke documentatie (d.d. 14 maart 2007) en gezien het advies van de reclassering, geen reden aan de oprechtheid van verdachte te twijfelen. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk wordt opgelegd. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte aanleiding hiervan in die zin af te wijken, dat een groter deel van de ook haars inziens passende gevangenisstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd.

De raadsvrouwe heeft betoogd dat bij de aanhouding van verdachte disproportioneel geweld is gebruikt, hetgeen dient te worden meegewogen bij de strafoplegging.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de politie, ook bij aanhoudingen als de onderhavige, bevoegd is slechts gepast geweld te gebruiken. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten echter begaan onder zeer gespannen omstandigheden. De dag ervoor hadden in de wijk waarin verdachte zich bevond grootschalige rellen plaatsgevonden. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten dreigde de situatie opnieuw uit de hand te lopen en verdachte heeft hier door zijn handelen aan bijgedragen. Nadat verdachte met zijn auto tot stilstand was gekomen, was het gevaar voor de aanwezige politiemensen niet onmiddellijk geweken. Verdachte bevond zich immers nog in zijn auto, waarvan de motor nog steeds hoge toeren maakte. Verdachte is weliswaar hardhandig aangepakt, maar onder deze omstandigheden acht de rechtbank het toegepaste geweld niet disproportioneel. De rechtbank zal hiermee bij de straftoemeting dus geen rekening houden.

De rechtbank acht het passend en geboden de door de officier van justitie geëiste ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, nu verdachte de feiten met zijn auto heeft gepleegd, terwijl hij bovendien onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde.

De vordering van de benadeelde partij [verbalisant B]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 500,-- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 500,--.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 285, 287 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 176, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 15 MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 7 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder 3 bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant B], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 500,-- (zegge vijfhonderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 500,-- (zegge vijfhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs D.C.P.M. Straver, P. Bender, en G. Sluiter, bijgestaan door D.G.W. van de Haar-Kleijer als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2007.

Mr Sluiter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.