Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA7870

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
SBR 07-995 en 07-1359
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening en uitspraak in bodemzaak.

Betekenis eerdere rechterlijke uitspraak in vrijwel hetzelfde bouwplan. Zelfde strekking?

Aangebouwd bijgebouw of uitbouw. Strijd met planvoorschriften. Aanhoudingsplicht.

Kostenveroordeling deskundige.

Vernietigen besluit op bezwaar, herroepen primair besluit en alsnog weigeren bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 07/995 en 07/1359

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juni 2007 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de [naam]

inzake

[eisers],

wonende te Soest,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 29 mei 2007, waarbij verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 2 maart 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan [vergunninghouder], [adres] te Soest (hierna: vergunninghouder) een lichte bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning [adres] te Soest met een berging.

1.2 Het verzoek is op 7 juni 2007 ter zitting behandeld, waar eiser [naam] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. Drolsbach, advocaat te Amsterdam. Tevens is verschenen ir. F. Bokelman, deskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.C.P. Haagen, werkzaam bij de gemeente Soest. Vergunninghouder is eveneens ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. drs. T. van Kooten, advocaat te Utrecht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 07/1359):

2.3 De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 22 maart 2006 met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak gedaan op het beroep van eisers met betrekking tot het besluit van 22 november 2005, waarbij verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning had verleend voor een uitbouw aan de achterzijde van de woning en een aansluitende aangebouwde berging aan de zijde van eisers. Deze uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN BA 7009. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

2.4 In de uitspraak van 22 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, geoordeeld dat verweerder het bouwplan vanwege de bouwkundige en functionele verbondenheid met het hoofdgebouw ten onrechte als een aangebouwd bijgebouw had aangemerkt. De uitbreiding van de woning aan de zijde van eisers was door haar indeling en inrichting kennelijk niet overeenkomstig de planvoorschriften uitsluitend bestemd om te worden gebruikt voor huishoudelijke berg- en werkruimte, garage of tuinhuisje. De voorzieningenrechter was van oordeel dat de uitbreiding moest worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw en niet als een aangebouwd bijgebouw. De voorzieningenrechter heeft bij de uitspraak van 22 maart 2006 bovendien geoordeeld dat de verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO voor het gebruik van de ruimte de strijdigheid van het bouwplan met de planvoorschriften niet kon opheffen.

2.5 Naar aanleiding van de uitspraak van 22 maart 2006 heeft vergunninghouder op 10 april 2006 twee afzonderlijke bouwaanvragen ingediend voor een uitbreiding van zijn woning aan de achterzijde met een verblijfsruimte van 24,8 m² (hierna: tuinkamer) en een aansluitende aangebouwde berging aan de zijde van eisers. Bij besluit van 21 april 2006 heeft verweerder een bouwvergunning verleend voor de berging, terwijl de aanvraag om bouwvergunning voor de tuinkamer ter inzage is gelegd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij zijn uitspraak van 24 mei 2006 de bouwvergunning voor de berging geschorst onder de overweging dat de beide bouwaanvragen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en er nog geen besluit was genomen met betrekking tot de tuinkamer.

2.6 Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft verweerder naar aanleiding van de bouwaanvraag van 10 april 2006 vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO en een bouwvergunning verleend voor de tuinkamer. Tegen deze bouwvergunning zijn geen bezwaren ingediend, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. De tuinkamer is vervolgens gerealiseerd. Vergunninghouder heeft de bouwaanvraag van 10 april 2006 voor een berging ingetrokken.

2.7 Op 2 januari 2007 heeft vergunninghouder vervolgens een lichte bouwvergunning aangevraagd voor een aangebouwde berging met een oppervlakte van 16,9 m² aan de zijde van eisers. De berging heeft dezelfde oppervlakte, situering en uitwendige kenmerken als waarvoor eerder vergunning is verzocht. Ook thans is de berging verdeeld in twee gedeelten en is, in tegenstelling tot het eerdere bouwplan uit 2005, uitsluitend vanaf de buitenzijde aan de voorkant van het huis toegankelijk. De berging is niet meer rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar. De achtergevel van de berging ligt in dezelfde lijn als de achtergevel van de tuinkamer. De vormgeving van de berging aan de achterzijde vormt een geheel met de tuinkamer.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij besluit van 7 maart 2007 verleende lichte bouwvergunning voor de berging in stand gelaten.

2.8 Eisers voeren aan dat de bouwvergunning voor de berging, gelet op de voorgeschiedenis, niet los van de bouwvergunning voor de tuinkamer kan worden beoordeeld. Er is sprake van één bouwplan en verweerder heeft de berging ten onrechte aangemerkt als een bijgebouw. Er is volgens eisers sprake van een vergroting van het hoofdgebouw omdat de berging bouwkundig, optisch en architectonisch één geheel vormt met het hoofdgebouw (inclusief de tuinkamer). Met de onderhavige bouwvergunning wordt feitelijk hetzelfde bouwwerk gerealiseerd als het bouwwerk waarvoor verweerder op 22 november 2005 bouwvergunning had verleend, maar waarvan de voorzieningenrechter bij uitspraak van 22 maart 2006 heeft geoordeeld dat sprake was van een met het bestemmingsplan strijdige uitbreiding van het hoofdgebouw. Volgens eisers kan uit het aanzicht van de woning aan de achterzijde worden afgeleid dat de berging bouwkundig en functioneel één geheel vormt met de woning en met de inmiddels gebouwde tuinkamer. De berging zal door vergunninghouder niet uitsluitend als bijgebouw worden gebruikt. Vergunninghouder heeft de keuken nu op een andere plaats in de woning gesitueerd, maar daardoor is zijn behoefte om de woning aan de zijde van eisers verder uit te breiden eerder toe- dan afgenomen. Ook valt niet uit te sluiten dat de keuken alsnog wordt verplaatst. De aanwezige fundering van de berging en de tuinkamer is één geheel en daarin zijn waterleidingen, cv-leidingen en een riolering aanwezig. Dergelijke voorzieningen zijn volgens eisers normaliter in een berging niet aanwezig. Eisers merken op dat in de eerste versie van de bouwtekening bij de onderhavige vergunningaanvraag nog wel een deur tussen de tuinkamer en de berging was getekend en dat de wand tussen deze twee ruimten bij de bouwvergunning voor de tuinkamer als buitenmuur is aangegeven maar dat deze wand op de bouwtekening van de onderhavige berging als een dunne, eenvoudig te verwijderen of aan te passen, wand is aangegeven. Een deur vanuit de berging naar de achtertuin ontbreekt bovendien. Eisers voeren verder aan dat het bouwplan ook in strijd is met de voorschriften van het toekomstige bestemmingsplan “Soestdijk 2006”. Verweerder heeft voorts ten onrechte nagelaten om de (privaatrechtelijke) belangen van eisers bij het besluit te betrekken en mogelijke alternatieven onvoldoende onderzocht. Eisers betwisten voorts, onder verwijzing naar een advies van Bokelman, dat het welstandsadvies zorgvuldig tot stand is gekomen omdat het bouwplan niet is beoordeeld in verband met de omgeving.

2.9 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is en dat de aanhoudingsplicht op grond van artikel 50, eerste lid, van de Woningwet kan worden doorbroken omdat het bouwplan betrekking heeft op een bijgebouw als bedoeld in de voorschriften van het nieuwe bestemmingsplan “Soestdijk 2006”.

2.10 Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ww, voorzover thans van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien:

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Ww, is op de lichte bouwvergunning het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, voor zover van belang, de bouwverordening slechts van toepassing is voor zover de voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Besluit) wordt behoudens gevallen als bedoeld in artikel 4, onder meer als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat strekt tot vergroting van het woongenot, mits onder andere bij een bruto-oppervlakte van het bijgebouw van meer dan 10 m² sprake is van een afstand tot het naburige erf van 1 m.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit is, voor zover hier van belang, een lichte bouwvergunning vereist voor het bouwen van een in de aanhef van een geletterd onderdeel van artikel 2 bedoeld bouwwerk dat niet voldoet aan de in dat onderdeel gegeven kenmerken indien de bruto-oppervlakte minder bedraagt dan 50 m².

2.11 Het perceel [adres] te Soest heeft in het geldende bestemmingsplan “Soestdijk 1997” de bestemming “woondoeleinden I”.

Ingevolge artikel 7.1 van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen en zijn toegelaten woningen, bijgebouwen, tuinen en erven ten dienste van en in verband met deze bestemming.

Ingevolge artikel 7, lid 7.3, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, mag de totale oppervlakte van bijgebouwen en overkapte andere bouwwerken niet meer bedragen dan 10% van de oppervlakte van het betreffende perceel, zulks met een maximum van 40 m²; bij percelen groter dan 1000 m² is maximaal 64 m² toegestaan.

Ingevolge artikel 7, lid 7.3, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, mag de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan de afstand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan, danwel niet minder dan 3 m.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, aanhef en onder i, van de planvoorschriften, wordt onder bijgebouw verstaan een ruimte, die door haar indeling en inrichting kennelijk is bestemd uitsluitend te worden gebruikt voor huishoudelijke berg- en werkruimte, garage of tuinhuisje.

2.12 De gemeenteraad van Soest heeft in zijn vergadering van 19 oktober 2006 het bestemmingsplan “Soestdijk 2006” vastgesteld. Het perceel [adres] heeft in dit bestemmingsplan de bestemming “Woondoeleinden W”.

Ingevolge artikel 3 lid 3.3, aanhef en onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften, mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd woningen, uitbouwen en bijgebouwen.

Ingevolge artikel 3 lid 3.4, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, mag tussen twee niet aaneen gebouwde woningen de afstand van elk van de woningen en de bijbehorende uitbouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedragen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1., aanhef en onder g, van de planvoorschriften wordt onder een hoofdgebouw verstaan een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw op een bouwperceel valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1., aanhef en onder j, van de planvoorschriften wordt onder een bijgebouw verstaan een op zichzelf staand, niet voor bewoning bestemd, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, zoals een garage, hobbyruimte, kas of huisdierenverblijf.

2.13 De voorzieningenrechter dient allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de berging als een bijgebouw moet worden aangemerkt. Bij de beantwoording van deze vraag kan niet worden voorbijgegaan aan de uitspraak van 22 maart 2006, waartegen geen hoger beroep is ingesteld. Met deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat de uitbreiding aan de zijkant van eisers woning vanwege de bouwkundige en functionele verbondenheid niet kon worden aangemerkt als een bijgebouw maar als een uitbreiding van het hoofdgebouw. Hoewel het onderhavige bouwplan op onderdelen verschilt van het bouwplan dat in dat geding aan de orde was, betekent dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de inmiddels rechtens onaantastbare uitspraak van 22 maart 2006 geen enkele betekenis heeft voor de onderhavige procedure. Hiertoe wordt overwogen dat de verschillen met het oorspronkelijke bouwplan beperkt zijn. Zo ontbreekt er nu een deur(-opening) in de wand tussen de tuinkamer en de berging. Ook staat de berging op de bouwtekening niet meer als verblijfsruimte vermeld en is de keuken ingetekend in de bestaande woning. Tenslotte is een scheidingswand met deur in de berging ongeveer een meter verschoven naar de voorzijde van de woning.

Ter zitting heeft de vergunninghouder bevestigd dat de oppervlakte, vormgeving en het uiterlijk aanzien van de berging identiek zijn aan die in de eerdere versies van het bouwplan. Niet gebleken is dat het bouwplan in bouwkundig en constructief opzicht verschilt ten opzichte van de eerdere versies. De onderhavige bouwaanvraag heeft dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter dezelfde strekking als de aanvraag die ten grondslag heeft gelegen aan de bouwvergunning van 22 november 2005, namelijk het realiseren van een uitbreiding van het hoofdgebouw. De omstandigheid dat vergunninghouder twee afzonderlijke bouwaanvragen, die gezamenlijk resulteren in nagenoeg hetzelfde bouwwerk, heeft ingediend, kan, daargelaten of een splitsing van een bouwwerk in verschillende onderdelen rechtens aanvaardbaar is, hieraan niet afdoen.

2.14 Voor zover het niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van 22 maart 2006 vergunninghouder niet kan worden tegengeworpen, oordeelt de voorzieningenrechter dat het thans vergunde bouwplan niet ziet op een bijgebouw in de betekenis van het bestemmingsplan Soestdijk 1997.

2.15 De voorzieningenrechter baseert dit oordeel op het navolgende. In het bestemmingsplan Soestdijk 1997 is een bijgebouw een ruimte, die door haar indeling en inrichting kennelijk is bestemd uitsluitend te worden gebruikt voor huishoudelijke berg- en werkruimte, garage of tuinhuisje. In het onderhavige bouwplan is de wand tussen de berging en de tuinkamer niet meer voorzien van een deur. De wand is echter in de bouwtekeningen bij de vergunning voor de tuinkamer als buitenmuur weergegeven, terwijl deze op de onderhavige bouwtekening weer wordt gewijzigd in een spouwloze binnenmuur/tussenwand. Het is een feit van algemene bekendheid dat in een dergelijke tussenwand op eenvoudige wijze een (deur)-opening is aan te brengen. Voorts bestaat de achtergevel ter hoogte van de berging uit dezelfde grote raampartij als bij de tuinkamer, hetgeen voor een huishoudelijke berg- en werkruimte, garage of tuinhuisje niet voor de hand ligt. Een deur naar de tuin is aan de achterzijde van het bouwplan bovendien niet voorzien.

Gelet op de hiervoor weergegeven bouwkundige aspecten en de voorgeschiedenis valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs aan te nemen dat het voorgenomen gebruik niet zal zijn dat van een huishoudelijke berg- en werkruimte, garage of tuinhuisje.

Aangezien een uitbreiding van het hoofdgebouw, anders dan in het voorliggende bouwplan, minimaal 3 m van de perceelsgrens verwijderd dient te blijven had verweerder in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling de bouwvergunning dienen te weigeren wegens strijdigheid van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan.

2.16 Met betrekking tot de grief van eisers dat verweerder het bouwplan ten onrechte niet in strijd met redelijke eisen van welstand heeft geacht, stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder het door de Commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland uitgebrachte tegenadvies heeft voorgelegd aan de gemeentelijke welstandscommissie. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het welstandsadvies van de gemeentelijke monumentencommissie van 19 januari 2007 niet aan verweerders standpunt met betrekking tot de redelijke eisen van welstand aan de bouwvergunning ten grondslag kan worden gelegd. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze commissie het bouwplan niet in relatie tot haar omgeving heeft beoordeeld. Deze grief kan derhalve niet slagen.

2.17 Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet. De voorzieningenrechter zal het beroep om die reden gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op de voorgeschiedenis van het onderhavige bouwplan en het daartoe strekkende verzoek van eisers zal de voorzieningenrechter doen hetgeen verweerder had behoren te doen en het primaire besluit van 2 maart 2007 herroepen en vervangen door een weigering van de gevraagde bouwvergunning.

2.18 De voorzieningenrechter is niet gebleken noch is aannemelijk geworden dat eisers schade hebben geleden. Eisers verzoek om vergoeding van schade dient daarom te worden afgewezen.

2.19 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt

€ 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Het is niet gebleken dat de gemachtigde in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase, zodat op grond van artikel 7:15 van de Awb verweerder niet kan worden veroordeeld in deze kosten.

2.20 Met betrekking tot de verzochte vergoeding van de kosten van deskundige Bokelman overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nadere regels gesteld over de kosten waarop de proceskostenveroordeling betrekking kan hebben.

Volgens artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, geldt voor de hoogte van het te vergoeden bedrag voor een deskundige de Wet tarieven in strafzaken. De hoogte van de vergoeding is via artikel 3, eerste lid, onderdeel a van die wet te vinden in artikel 6 van het Besluit tarieven strafzaken. Daarin is bepaald dat een tarief geldt van ten hoogste € 81,23 per uur.

2.21 De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het door Bokelman gedeclareerde factuurbedrag van € 1.627,92 voor 12 uur in dit geval bovenmatig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een veroordeling in de kosten in redelijkheid en billijkheid beperkt moet blijven tot 8 uur, zodat voor vergoeding van de kosten van Bokelman in aanmerking komt een bedrag van € 649,84.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 07/0995):

2.22 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

2.23 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing ten aanzien van het beroep:

De voorzieningenrechter

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 23 mei 2007;

3.3 herroept het primaire besluit van 2 maart 2007, en weigert een bouwvergunning te verlenen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten van de deskundige tot een bedrag van € 649,84;

3.6 bepaalt dat de gemeente Soest het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 143,- aan hen vergoedt;

3.7 wijst de gemeente Soest aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te vergoeden;

en ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.8 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.9 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,-;

3.10 bepaalt dat de gemeente Soest het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van 143,- aan hen vergoedt,;

3.11 wijst de gemeente Soest aan als de rechtspersoon die het onder 3.9 genoemde bedrag dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr.drs. R. in ’t Veld en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. drs. H. Maaijen mr.drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de voorzieningenrechter gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.