Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA7384

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
210841/HA ZA 06-957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Krediet overeenkomst, belegging, nietigheid, misbruik van omstandigheden, schending zorgplicht.

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 210841 / HA ZA 06-957

Vonnis van 13 juni 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDM FINANCIERINGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.D. van Vlastuin,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. G.J.J.M. Pubben,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. H.K. Jap-A-Joe.

Partijen zullen hierna IDM en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- het tussenvonnis van 28 juni 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 17 oktober 2006, ter gelegenheid waarvan IDM een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagden] zijn ex-echtgenoten van elkaar.

2.2. Op 1 oktober 1997 hebben [gedaagden] een formulier ondertekend voor deelname voor een achtste hectare in het Groengroeiplan van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groen Invest Nederland (GIN) B.V. te Eindhoven, hierna tevens aan te duiden als: de belegging.

2.3. In de brochure van Groen Invest Nederland met betrekking tot het Groengroeiplan is - voor zover relevant - onder meer het volgende opgenomen:

"(...) Groen Invest Nederland heeft een unieke methode ontwikkeld die beleggen in Nederlands hardhout nog interessanter maakt door optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die de Nederlandse belastingwetgeving ons biedt. Met een bescheiden betaling per maand heeft u op die manier de mogelijkheid om een hoog renderende investering te doen. (...)

Het speciaal ontwikkelde KREDIET GROENGROEIPLAN maakt het mogelijk financiering van uw investering te laten verzorgen door een gerenommeerde Nederlandse bankinstelling, zodat U middels gemakkelijke maandelijkse betalingen aan dit plan deel kunt nemen, zonder dat uw liquiditeit belangrijk wordt aangetast.

De maandelijkse betalingen zijn zo vastgesteld dat, door gebruikmaking van de fiscale aftrekbaarheid van de rente, per saldo slechts sprake is van de minimale of zelfs geen netto maandelijkse betaling. De combinatie van investeren en lenen maakt een eigen bosopstand voor vrijwel iedereen haalbaar. Al met een betaling van f 98,= per maand kunt u deelnemen.

(…)

Groen Invest Nederland geeft u een EindWaardeGarantie van f 9.375,=. Deze ontvangt u wanneer de opbrengst niet minimaal het bedrag van de EindWaardeGarantie bereikt. (…)

Maar ook als iets misgaat met Groen Invest Nederland of haar dochters zijn uw rechten beschermd. (…) Op deze wijze kan zij bij onvermogen van Groen Invest Nederland alle verplichtingen overnemen en uw opbrengsten veiligstellen.

(…)

De financieringsmaatschappij ontvangt direct uw inschrijving en zal de […] van uw krediet ten behoeve van het GROENGROEIPLAN toetsen bij […] Krediet Registratie. Na goedkeuring ontvangt u een contract.

(…)

De financieringsmaatschappij boekt vervolgens uw betalingen maandelijks […] af van uw rekening. Aan het begin van ieder jaar stuurt de financieringsmaatschappij u een rente-opgave over het afgelopen jaar. Een deel van de rent […] betaald en een deel wordt bij de hoofdsom opgeteld, maar u kunt het hele […]drag aftrekken van uw belastbaar inkomen. De terugbetalingstermijnen […] en 15 jaar, tegelijk met de eerste en tweede “oogst”.

Na 15 jaar is uw contract met de financier ten einde en wacht u na circa 5 […] de opbrengst van de eindkap. (…)”

2.4. Op of omstreeks 15 oktober 1997 hebben [gedaagden] - na bemiddeling door Groen Invest Nederland - met IDM een kredietovereenkomst gesloten, verder te noemen: de kredietovereenkomst, waarbij IDM een kredietsom verstrekt van

fl. 21.108,-- tegen betaling van een kredietvergoeding van in totaal fl. 36.382,42. Ten aanzien van de aflossing is in artikel 4 het volgende bepaald:

“Cliënt verplicht zich het totaalbedrag ad fl. 57.490,42

af te lossen in 180 gelijke achtereenvolgende maandelijkse termijnen van fl. 98,00 (…)

alsmede een extra termijn van fl. 4000,00 welke vervalt op 15 oktober 2005 en een extra termijn van fl. 35.850,42 welke vervalt op 15 oktober 2012

In artikel 5 hebben [gedaagden] zich verbonden bij separate akte aan IDM een recht van pand te verschaffen op alle vorderingen c.q. rechten uit de deelname van [gedaagden] in het Groengroeiplan van Groen Invest Nederland.

2.5. Op 4 november 1997 heeft Groen Invest Nederland bij notariële akte aan [gedaagden] overgedragen de netto-opbrengst van de aanplant van bomen van de soort Robinia Pseudo-acacia op een perceel van 1/8e ha in Elsloo voor de duur van 20 jaar en tegen de betaling van een geldsom van fl. 21.108,--.

2.6. Bij brieven van 23 juni 2004 en 5 augustus 2004 heeft IDM [gedaagden] gesommeerd het openstaande saldo van de kredietovereenkomst, bestaande uit de contante waarde van het krediet (EUR 12.493,25) vermeerderd met de vertragingsvergoeding vanaf 17 juni 2004 aan IDM te voldoen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. IDM vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van EUR 12.493,25, vermeerderd met (boete-) rente en kosten.

3.2. [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde sub 1] vordert -samengevat -in reconventie:

primair: dat de rechtbank de kredietovereenkomst nietig verklaart, dan wel vernietigt en IDM veroordeelt om de door [gedaagde sub 1] voldane termijnbetalingen vermeerderd met rente aan hem terug te betalen,

subsidiair: dat de rechtbank de kredietovereenkomst ontbindt met ingang van 15 oktober 1997 en IDM veroordeelt om de door [gedaagde sub 1] voldane termijnbetalingen vermeerderd met rente aan hem terug te betalen,

meer subsidiair: dat de rechtbank de kredietovereenkomst ontbindt vanaf het moment dat [gedaagde sub 1] gestopt is met het doen van termijnbetalingen.

3.4. [gedaagde sub 2] vordert samengevat - in reconventie:

a. dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde sub 2] niets aan IDM verschuldigd is,

b. dat de rechtbank IDM veroordeelt om aan [gedaagde sub 2] te betalen de som van de bedragen die volgens de boeken aan haar zijn betaald.

3.5. IDM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. IDM heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagden] toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van de kredietovereenkomst door verschuldigde termijnbedragen niet te betalen. [gedaagden] zijn dientengevolge het openstaande saldo vermeerderd met vertragingsvergoeding verschuldigd, alsmede een boeterente bij vervroegde aflossing, aldus IDM.

4.2. [gedaagden] voeren in overwegende mate hetzelfde verweer tegen de vorderingen, zodat deze zich lenen voor gezamenlijke bespreking.

Nietigheid kredietovereenkomst

4.3. [gedaagden] hebben onder meer als verweer aangevoerd tegen de vordering dat de kredietovereenkomst nietig is op grond van artikel 33 sub b onder 1 Wet op het Consumentenkrediet (WCK), omdat [gedaagden] daarin zijn verplicht tot het aangaan van een tweede overeenkomst zonder dat hen het recht werd toegekend om te bepalen met welke wederpartij deze tweede overeenkomst werd aangegaan.

4.4. Ingevolge artikel 33 WCK is een kredietovereenkomst onder meer nietig voor zover daarbij de kredietnemer zich verplicht tot het aangaan van een andere overeenkomst, anders dan ingeval uitdrukkelijk aan de kredietnemer het recht wordt toegekend te bepalen met welke wederpartij die overeenkomst zal worden aangegaan.

Uit de inhoud van de onderhavige kredietovereenkomst vloeit echter niet voort dat deze overeenkomst alleen met [gedaagden] zou worden gesloten, indien zij tevens de overeenkomst tot deelname in het Groengroeiplan zou sluiten met Groen Invest Nederland. Vaststaat dat IDM pas is benaderd voor het verstrekken van een financiering, nadat [gedaagden] de overeenkomst met Groen Invest Nederland hadden ondertekend. Vervolgens hebben zij de kredietovereenkomst gesloten met IDM, waarbij zij IDM opdracht hebben gegeven om de kredietsom uit te betalen aan Groen Invest Nederland. Daarmee is er weliswaar een verband tussen de kredietovereenkomst en de met de Groen Invest Nederland gesloten overeenkomst, maar dit rechtvaardigt niet de conclusie dat de overeenkomst met de Groen Invest Nederland als een onvrije nevenverplichting van de kredietovereenkomst moet worden aangemerkt. Het beroep op nietigheid van de kredietovereenkomst wordt dan ook gepasseerd.

Vernietigbaarheid kredietovereenkomst

4.5. Vervolgens heeft [gedaagde sub 1] een beroep gedaan op vernietigbaarheid van de kredietovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 3: 44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden). Volgens hem had IDM moeten weten of begrijpen dat [gedaagde sub 1] (evenals [gedaagde sub 2]) onervaren was in beleggingsconstructies en werd bewogen tot het sluiten van een kredietovereenkomst die hij niet gesloten zou hebben, indien hij geweten had wat de constructie inhield en wat de gevolgen daarvan waren.

4.6. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Beoordeeld dient te worden of er ten aanzien van het sluiten van de overeenkomst waarvan [gedaagden] in deze de vernietiging vorderen, de kredietovereenkomst, sprake is geweest van onervarenheid aan de zijde van [gedaagden] waardoor zij werden bewogen tot het aangaan van een overeenkomst die zij anders niet zouden hebben gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank wijkt de onderhavige kredietovereenkomst niet in bijzondere mate af van kredietovereenkomsten die bij banken in Nederland worden afgesloten voor het verkrijgen van een geldlening. De bijzonderheid van de onderhavige kredietovereenkomst zit met name in de omstandigheid dat naast de standaardaflossing van fl. 98,-- per maand op twee data hoge aflossingen dienen plaats te vinden, alsmede in de omstandigheid dat zekerheidstelling in de vorm van verpanding van rechten uit een belegging wordt geëist. Deze bijzonderheden rechtvaardigen echter niet de conclusie dat voor het aangaan van deze kredietovereenkomst ervaring vereist was. Deze bijzonderheden zijn voldoende duidelijk in de kredietovereenkomst vermeld, zodat [gedaagden] in staat moeten worden geacht om te beoordelen of zij onder deze voorwaarden de overeenkomst wilden sluiten. Niet van belang is of [gedaagden] onervaren waren in beleggen, nu de kredietovereenkomst niet ziet op het verstrekken van een belegging, maar op het verstrekken van een geldlening. Het beroep op vernietigbaarheid van de kredietovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden wordt dan ook afgewezen.

4.7. [gedaagde sub 2] heeft nog naar voren gebracht dat de overeenkomst met Groen Invest Nederland totstandgekomen is door colportage, alsmede dat zij door mededelingen van de colporteur in de veronderstelling verkeerde dat het Groengroeiplan een vorm van sparen was en niet een belegging.

Deze stellingen zien echter op de overeenkomst die [gedaagden] met Groen Invest Nederland hebben gesloten, zodat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt niet valt in te zien welke relevantie deze hebben voor de onderhavige kredietovereenkomst. Overigens hebben [gedaagden] aan deze stellingen ook geen rechtsgevolgen voor de kredietovereenkomst verbonden.

Schending zorgplicht

4.8. Ten slotte hebben [gedaagden] als verweer aangevoerd dat IDM de op haar rustende zorgplicht niet heeft nageleefd en mitsdien onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Deze zorgplicht bestaat er volgens [gedaagden] uit dat IDM:

- [gedaagden] had moeten wijzen op de aard van de beleggingsconstructie, namelijk dat werd belegd in een riskant product met geleend geld,

- [gedaagden] had moeten wijzen op het feit dat de verplichting tot terugbetaling van de lening door [gedaagden] niet afhankelijk was van de opbrengst van de belegging,

- een risicoprofiel had moeten maken,

- [gedaagden] had moeten wijzen op de risico's van de belegging,

- zich op de hoogte had moeten stellen van de ervaring en kennis van [gedaagden] met beleggen.

4.9. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2003, JOR 2003, 199, heeft overwogen dat op een bank een bijzondere zorgplicht rust om niet-professionele beleggers te informeren over de risico's van het product, en in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285 heeft overwogen “dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Deze zorgplicht - die naar zijn aard strekt tot bescherming van de (potentiële) cliënt tegen het gevaar van zijn eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht - vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de contractuele verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen.

4.10. De omvang van de zorgplicht van de financiële instelling hangt af van de aard van de door de financiële instelling verleende dienst. Ingeval van het openen van een bankrekening zal deze beperkt kunnen blijven tot toetsing van de kredietwaardigheid van de cliënt, terwijl bij een aandelenlease-overeenkomst tevens onder meer zal moeten worden onderzocht in hoeverre de betreffende belegging overeenstemt met de beleggingsdoelstellingen van de betreffende cliënt en moet worden gewezen op de aan de belegging klevende risico’s.

4.11. In het onderhavige geval is sprake van een kredietovereenkomst die - zoals hiervoor reeds is vermeld - op twee punten afwijkt van een standaard kredietovereenkomst:

- aan de financiële instelling worden de rechten van de cliënt uit een belegging verpand;

- naast de standaard aflossing van een gering maandelijks bedrag (fl. 98,00) moet de cliënt op twee data een extra aflossing doen van aanzienlijke bedragen (fl. 4.000,-- en fl. 35.850,42).

Deze afwijkingen rechtvaardigen echter naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat de zorgplicht van IDM in casu meer zou moeten omvatten dan een onderzoek naar de kredietwaardigheid van [gedaagden], en wel op grond van het volgende.

4.12. Vestiging van een pandrecht in het kader van een kredietovereenkomst komt in de praktijk regelmatig voor, bijvoorbeeld ingeval een geldlening worden gesloten voor de aankoop van een auto. Een dergelijk pandrecht levert geen extra risico’s op voor de cliënt, maar strekt slechts tot zekerheid voor de terugbetaling van het geleende geld. Door de verpanding van de rechten uit de belegging lopen [gedaagden] dan ook niet meer risico’s dan met een ‘standaard krediet’ en is er geen grond voor een zwaardere zorgplicht.

4.13. De afwijkende wijze van aflossing van de geldlening hangt samen met de aard van het met de geldlening aangeschafte product, namelijk een belegging in bospercelen die pas op twee momenten, waarop de bomen gerooid worden, leidt tot opbrengst aan de zijde van de belegger. Door het koppelen van de aflossing aan deze twee data heeft IDM weliswaar een verband aangebracht tussen de geldlening en de belegging, maar daarmee nog niet de zelfstandige verplichting gekregen om de cliënt te waarschuwen voor eventuele aan de belegging klevende risico’s. Deze verplichting rust op de instelling die de betreffende belegging aanbiedt, in casu Groen Invest Nederland.

4.14. Met hun stelling ten aanzien van de inhoud van de zorgplicht van IDM als vermeld onder 4.8 miskennen [gedaagden] dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een financiële instelling die een beleggingsproduct en tevens de financiering voor dat product aanbiedt, maar van een financiële instelling die alleen het laatste onderdeel (de financiering) voor [gedaagden] verzorgt. Dat is een wezenlijk verschil. In het eerste geval is de financiële instelling op een intensieve wijze betrokken bij de inhoud van het beleggingsproduct en de daaraan verbonden risico’s, en kan zij verantwoordelijk worden gehouden voor eventuele gebreken in de voorlichting van de cliënt over het product. In het tweede geval is van een dergelijke betrokkenheid geen sprake en richt de instelling hooguit zijn product (de financiering van het beleggingsproduct) zo in dat het optimaal aansluit op het beleggingsproduct. Daaruit vloeit nog echter geen verantwoordelijkheid voor het beleggingsproduct zelf voort.

4.15. Het voorgaande zou anders kunnen zijn, indien zou komen vast te staan dat IDM bij de totstandkoming van het beleggingsproduct van Groen Invest Nederland op een zodanige intensieve wijze is betrokken dat haar verantwoordelijkheid voor de inhoud daarvan vergelijkbaar is met die van Groen Invest Nederland. [gedaagden] hebben in dit kader gesteld dat IDM met de kredietverstrekking de verkoop van het beleggingsproduct faciliteerde, haar product heeft afgestemd op de belegging en met Groen Invest Nederland heeft meegedacht over de wijze waarop het product in de markt zou kunnen worden gezet. Deze omstandigheden zijn - zo deze al in rechte zouden komen vast te staan - echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van de hiervoor vermelde intensieve betrokkenheid van IDM bij de totstandkoming van het beleggingsproduct.

4.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de zorgplicht van IDM in het onderhavige geval zich beperkt tot een toetsing van de kredietwaardigheid van [gedaagden].

4.17. Ter comparitie heeft IDM verklaard dat zij deze toets heeft uitgevoerd aan de hand van de door of namens [gedaagden] verstrekte gegevens. Uit de kredietovereenkomst kan worden afgeleid dat IDM bij het besluit om het krediet te verstrekken onder meer gewicht heeft toegekend aan de verwachting dat op 15 oktober 2003 en 15 oktober 2012 een aanzienlijk bedrag uit de belegging aan [gedaagden] zou worden uitgekeerd en dat hun kredietwaardigheid in zoverre afhankelijk was van het rendement van de belegging. Een deugdelijk kredietwaardigheidsonderzoek van IDM zou dan ook mede hebben moeten omvatten de mogelijkheid dat het rendement zou tegenvallen. Omdat het debat terzake van het kredietwaardigheidsonderzoek tussen partijen nog niet in volle omvang is gevoerd, zal de rechtbank partijen alsnog in de gelegenheid stellen, IDM als eerste, om een voldoende onderbouwde akte te nemen over:

- de wijze waarop IDM haar kredietwaardigheidsonderzoek met betrekking tot de onderhavige kredietovereenkomst heeft uitgevoerd. Hierbij dient te worden aangegeven welke uitgangspunten IDM daarbij heeft gehanteerd en in welke mate rekening is gehouden met het rendement uit de betreffende belegging, en eventuele tegenvallers terzake;

- het antwoord op de vraag of IDM op basis van de destijds door [gedaagden] aangeleverde gegevens en door haar gehanteerde uitgangspunten voor kredietwaardigheid ook een geldlening tot het betreffende bedrag aan [gedaagden] zou hebben verstrekt, indien deze lening niet zou worden aangewend voor de betreffende belegging, en zo ja, welke voorwaarden zij alsdan zou hebben gesteld.

4.18. De beslissing zal voor het overige worden aangehouden.

4.19. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

in reconventie

4.20. Nu de beslissing in reconventie mede afhankelijk is van de beslissing in conventie, zal de beslissing in reconventie eveneens worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 juli 2007 voor het nemen van een akte door IDM over hetgeen is vermeld onder 4.17,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.3. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2007.

w.g. griffier w.g. rechter