Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6843

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
SBR 07-0744
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om voorlopige voorziening. Lichte bouwvergunning in afwijking van negatief welstandsadvies. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/0744

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2007 op het verzoek om voorlopige voorziening,

inzake

[verzoekster],

Gevestigd te [plaats],

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 30 januari 2007, waarbij verweerder het bezwaar van [[adres]s] te [plaats] (hierna: vergunninghouder) tegen het besluit van 28 februari 2006 gegrond heeft verklaard en daarbij tevens:

a. vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO),

b. een lichte bouwvergunning, en

c. ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.18 van de “Bouwverordening De Bilt” heeft verleend voor het plaatsen van een perceelafscheiding op het per[adres]s] te [plaats].

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft verweerder de door vergunninghouder aangevraagde lichte bouwvergunning voor het onderhavige bouwwerk geweigerd.

1.2 Het verzoek is op 11 mei 2007 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen [gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van Raaij, werkzaam bij de gemeente De Bilt. Vergunninghouder is eveneens ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. D. Schilstra, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb, worden ten aanzien van rechtspersonen mede als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Verzoekster stelt zich volgens haar statuten (artikel 2, eerste lid), voor zover hier van belang, ten doel het behouden van natuur- en cultuurhistorische waarden in het gebied tussen Utrecht en het Gooi, met name die in het Noorderpark en het aandacht vestigen op en het verdedigen van de natuur- en cultuurhistorische waarden in dit gebied. Naar voorlopig oordeel is er, anders dan verweerder heeft betoogd, onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verzoekster niet kan worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen reden waarom verzoekster niet in haar verzoek kan worden ontvangen.

2.4 Het bouwplan voorziet in het realiseren van een hekwerk van circa 64 m lang, met een toegangspoort, dat wordt geplaatst tussen gemetselde kolommen van steen. De hoogte van het hekwerk is twee meter en ter plaatse van de vijver bij de woning van vergunninghouder is de hoogte ervan teruggebracht tot een hoogte van 1,65 m. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat er vanuit, dat voor het hekwerk op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) een lichte bouwvergunning is vereist omdat het hekwerk hoger is dan 1 m en is gelegen voor de voorgevelrooilijn.

2.5 Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, in samenhang bezien met het derde lid van dit artikel en voor zover hier van belang, mag slechts en moet de lichte bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, in samenhang bezien met het derde lid van dit artikel, mag slechts en moet de lichte bouwvergunning worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij het college van oordeel is dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Woningwet, leggen burgemeester en wethouders een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor advies voor aan de welstandscommissie. Een aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen zij voor advies aan die commissie voorleggen.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) komt, onder voorwaarden, voor toepassing van artikel 19, derde lid, in aanmerking een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

2.6 Partijen verschillen niet van mening over het antwoord op de vraag of het bouwplan past binnen het geldende bestemmingsplan “[plaats] 1977”. Voor zover het hekwerk is gelegen binnen de bestemming “tuinen en erven ongearceerd”, past het bouwplan binnen die bestemming. Het deel van het hekwerk dat is gelegen binnen de bestemming “wegen” is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om deze strijdigheid op te heffen, heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO verleend.

2.6 De welstandscommissie heeft op 17 oktober 2006 verweerder negatief geadviseerd over het bouwplan. Daarbij heeft de commissie gesteld dat het hekwerk door zijn hoogte en afschrikwekkende werking het straatbeeld ter plaatse ernstig aantast. De welstandscommissie heeft daarbij aangetekend dat haar afkeuring sterker is ter plaatse van de waterloop, waar de [adres] zijn naam aan dankt. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de welstandscommissie het bouwplan ook na aanpassing negatief zal beoordelen, omdat de welstandscommissie (enkel) kan instemmen met een hekwerk dat ter plaatse van de vijver een hoogte heeft van 1,40 m.

2.7 Verweerder heeft in weerwil van het negatieve advies van de welstandscommissie de bouwvergunning verleend omdat in dit geval de terreinafscheiding als een adequate door vergunninghouder gewenste veiligheidsvoorziening kan dienen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen de informatie die is gebleken uit inzage die vergunninghouder verweerder heeft gegeven in bepaalde stukken die om privacy- en veiligheidsredenen van vergunninghouder en zijn gezin niet openbaar worden gemaakt. Voorts heeft verweerder in aanmerking genomen dat vergunninghouder het hekwerk voor de vijverpartij heeft verlaagd van 1,80 m naar 1,65 m, alsmede dat een verdere verlaging teveel afbreuk zal doen aan de functie van een adequate veiligheidsvoorziening.

Verzoekster heeft gesteld dat verweerder niet heeft mogen afwijken van het negatieve welstandsadvies. Verzoekster heeft betwist dat het hekwerk uit oogpunt van beveiliging voldoende adequaat is. Zij heeft verder aangevoerd dat het hekwerk is bedoeld als statussymbool en dat realisering van het hekwerk tot gevolg heeft dat het zicht op de vijver die van grote cultuurhistorische betekenis is, verloren gaat en dat het karakteristieke en parkachtige straatbeeld wordt aangetast.

2.8 Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval in weerwil van het negatieve welstandsadvies medewerking is verleend aan het onderhavige bouwplan. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond om aan te nemen dat verweerder geen reële inschatting heeft gemaakt van de gerechtvaardigdheid van de bij vergunninghouder levende wens om wegens veiligheidsredenen dit hekwerk te realiseren. In hetgeen verzoekster heeft gesteld over verschillende vormen van beveiliging en de effectiviteit daarvan, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat verweerder in dit geval er niet vanuit mocht gaan dat het hekwerk, dat door vergunninghouder als adequaat wordt aangemerkt, een bijdrage aan de veiligheid kan bieden. Bij zijn afweging heeft verweerder voorts gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat vergunninghouder het bouwplan in de bezwaarfase heeft aangepast in die zin dat de hoogte van het hekwerk ter plaatse van de vijver is verlaagd naar 1,65 m, waarmee gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan de kritiek van de welstandscommissie. Dit laatste is van betekenis omdat het hekwerk ter hoogte van de vijver in de ogen van de commissie te zwaar was aangezet. Hieraan kan niet afdoen de stelling van verzoekster dat het hekwerk het zicht op de vijver in zijn geheel ontneemt nu met verweerder moet worden geoordeeld dat de vormgeving van het hekwerk niet van dien aard is dat het totale zicht op de vijver wordt ontnomen. Gelet hierop en op het belang van vergunninghouder bij het onderhavige hekwerk heeft verweerder mogen afwijken van het negatieve welstandsadvies.

2.9 Naar voorlopig oordeel zijn er voorts onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om van het bestemmingsplan vrijstelling te verlenen.

2.10 Hetgeen door verzoekster is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot toewijzing van het verzoek. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op: