Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6445

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
202784 / HA ZA 05-2186
Formele relaties
Verzetvonnis: ECLI:NL:RBUTR:2008:BD9233, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deelnemers (verenigd in een stichting) stellen dat Spaarleg ten onrechte een overlijdensrisicopremie in mindering heeft gebracht op het inleggeld van de Koersplan. Verder stellen eisers dat in het informatiemateriaal over Koersplan (brochures, inschrijfformulieren, certificaten en algemene voorwaarden) foutieve en misleidende berekeningen zijn opgenomen over de rendementen van Koersplan. Gevorderd wordt een herberekening en schadevergoeding. De rechtbank wil (op een aantal punten) nader geïnformeerd worden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 217
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 109
JE 2007, 366
JOR 2007/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 202784 / HA ZA 05-2186

Vonnis van 6 juni 2007

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING KOERSPLANDEWEGKWIJT,

gevestigd te Eindhoven

2. [naam eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [naam eiser sub 3],

wonende te [woonplaat],

4. [naam eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J. Croonen,

tegen

de naamloze vennootschap

SPAARBELEG KAS N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Eiseres sub 1 zal hierna de Stichting, eiser sub 2 [naam], eiser sub 3 [naam] en eiseres

sub 4 [naam] genoemd worden. Eisers 1 t/m 4 gezamenlijk zullen worden aangeduid als “eisers”. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als Spaarbeleg.

Samenvatting

De rechtbank heeft in het collectieve karakter van deze procedure aanleiding gezien om in het onderstaande een aantal overwegingen en beslissingen uit het vonnis kort en zakelijk weer te geven. De rechtbank wijst er met nadruk op dat deze samenvatting niet volledig is en dat aan de inhoud van deze samenvatting geen rechten kunnen worden ontleend. Bij onduidelijkheden of tegenstrijdigheden is de inhoud van de overwegingen en beslissingen zoals weergegeven in de paragrafen 1. (de procedure) tot en met 6. (de beslissing) van het vonnis bepalend.

Ten aanzien van de vraag of de rechtbank de vorderingen van de Stichting in behandeling mag nemen.

1. Spaarbeleg stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de Stichting niet in behandeling kunnen worden genomen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is voldoende duidelijk voor wiens belangen de Stichting opkomt. Verder gaat om voldoende gelijksoortige belangen. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen van de Stichting in behandeling kan nemen.

2. De Stichting heeft een aantal vorderingen ingesteld. De Stichting heeft deze vorderingen onderbouwd met verwijzingen naar de periode 1989 tot en met 1998. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de Stichting haar vorderingen tot die periode wil beperken.

Ten aanzien van vordering 1: het in mindering brengen van premie voor een overlijdensrisicoverzekering

1989 en 1990

3. De rechtbank is vooralsnog van oordeel dat Spaarbeleg ten onrechte een overlijdensrisicopremie heeft ingehouden bij KoersPlanovereenkomsten waarop de Algemene Voorwaarden 1989 en 1990 van toepassing zijn. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat haar niet gebleken is van een contractuele grondslag voor het inhouden van een premie. De rechtbank kan op dit moment echter niet uitsluiten dat voor (een deel van) deze periode of voor een deel van de deelnemers wel een contractuele grondslag aanwezig is voor het inhouden van een premie. In het dossier bevindt zich namelijk één inschrijfformulier uit 1990 waaruit blijkt dat niet de gehele inleg zou worden belegd maar slechts een deel daarvan. De rechtbank wil op dit punt nader door partijen worden geïnformeerd.

1991 tot en met 1998

4. Vanaf 1991 zijn de Algemene Voorwaarden aangepast. Vanaf dat moment blijkt uit de Algemene Voorwaarden:

- dat een overlijdensrisicoverzekering onderdeel uitmaakt van de KoerspPlanovereenkomst;

- dat de deelnemer voor deze verzekering een premie verschuldigd is;

- dat die premie wordt ingehouden op de door de deelnemer te betalen inleg.

Daarmee bestaat er een contractuele grondslag voor het inhouden van een premie. Het is de rechtbank echter vooralsnog niet gebleken dat Spaarbeleg met de deelnemers overeenstemming heeft bereikt over de hoogte van de in te houden premie. Op dat punt vertonen de overeenkomsten dus een leemte.

5. De Stichting stelt zich op het standpunt dat een KoersPlanovereenkomst is op te splitsen in twee afzonderlijke, van elkaar onafhankelijke overeenkomsten, waarvan de overlijdensrisicoverzekering er één is. Omdat er geen overeenstemming bestaat over de hoogte van de premie, is de overlijdensrisicoverzekering volgens de Stichting niet tot stand gekomen. In de visie van de Stichting betekent dit dat de premie ten onrechte is ingehouden en alsnog (op basis van de andere overeenkomst) belegd moet worden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De Koersplanovereenkomst moet worden beschouwd als één overeenkomst.

6. Wel is het zo dat de hoogte van de premie één van de wezenlijke onderdelen van de overeenkomst is. Dit kan verschillende consequenties hebben. Als over één van de wezenlijke onderdelen van de overeenkomst geen overeenstemming bestaat, kan dit leiden tot het oordeel dat de KoersPlanovereenkomsten achteraf gezien in het geheel niet tot stand zijn gekomen. Dat zou kunnen betekenen dat alle handelingen die op grond van die overeenkomst zijn verricht ongedaan moeten worden gemaakt. Een andere mogelijkheid is echter dat de rechtbank de leemte opvult door de hoogte van de premie achteraf alsnog vast te stellen. De rechtbank wil hierover eerst het standpunt van partijen horen voordat zij zich hierover een definitief oordeel vormt.

[eiseres sub 4]

7. Vordering 1. van [eiseres sub 4] zal worden afgewezen. Uit het inschrijfformulier van [eiseres sub 4] blijkt dat slechts een gedeelte van haar maandelijkse inleg zou worden belegd. Uit haar inschrijfformulier blijkt ook de hoogte van het ingehouden bedrag. Zij kan dus geen beroep doen op het ontbreken van wilsovereenstemming over het inhouden van de premie en de hoogte van de premie.

Ten aanzien van vordering 2. misleidende berekeningen

8. De rechtbank komt tot het oordeel dat de wijze waarop van de in het verleden behaalde rendementen vermeld zijn, misleidend is. Spaarbeleg heeft met de presentatie van de voorbeeldrendementen in haar informatiemateriaal ten onrechte de indruk gewekt dat het te verwachtten nettorendement voor alle deelnemers gelijk was en dat dus ook de kosten voor alle deelnemers even hoog waren. Dit was echter niet het geval. De hoogte van de in te houden premie was immers afhankelijk van de leeftijd en het geslacht van de deelnemer.

9. Er is echter alleen sprake van misleiding ten aanzien van die personen die een hogere overlijdensrisicopremie moesten betalen dan de maatman van wie de behaalde rendementen in de brochures werden gepresenteerd. Mensen die een gelijke of lagere premie moesten betalen zijn niet misleid. Dit betekent ook dat de vorderingen van [eiser sub 3], [eiser sub 2] en [eiseres sub 4] op dit punt moeten worden afgewezen.

10. Spaarbeleg heeft de overlijdensrisicopremie met terugwerkende kracht verlaagd. Mogelijk heeft dit tot gevolg gehad dat de huidige overlijdensrisicopremie, ook in het ongunstigste geval, niet hoger is dan de premie die Spaarbeleg destijds voor de maatman hanteerde. In dat geval hebben de deelnemers (uiteindelijk) geen nadeel geleden door de misleiding. Ditzelfde geldt indien de rechtbank de premie alsnog zou vaststellen op een bedrag lager of gelijk aan de destijds gehanteerde premie voor de maatman. De rechtbank wil op dit punt nader geïnformeerd worden.

11. De Stichting heeft aangevoerd dat er ook op een aantal andere punten sprake is van misleiding. Dat betoog wordt echter verworpen.

12. De rechtbank houdt alle overige beslissingen aan totdat zij nadere inlichtingen van partijen heeft ontvangen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 oktober 2005

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken

1.2. Het door eisers ingediende verzoek tot vermeerdering van eis is ter gelegenheid van de pleidooien, nadat Spaarbeleg hiertegen bezwaar had gemaakt, door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzoek tot vermeerdering van eis eerst enkele uren voor de aanvang van de pleidooien ter kennis van de rechtbank en van Spaarbeleg is gebracht. Gelet op het feit dat de conclusie van dupliek door Spaarbeleg is genomen op 30 augustus 2006 en op 19 september 2006 door eisers pleidooi is aangevraagd, dat op 30 januari 2007 heeft plaatsgevonden, had het op de weg van eisers gelegen om gemotiveerd uiteen te zetten waarom de eisvermeerdering pas in een dermate laat stadium van de procedure wordt verzocht. Nu eisers dit hebben nagelaten en de rechtbank voorts heeft geconstateerd dat de verzochte eisvermeerdering niet van eenvoudige aard is en de wederpartij daarom onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich hiertegen te verweren, heeft de rechtbank het verzoek van eisers in strijd met de goede procesorde geacht en derhalve afgewezen.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Stichting is opgericht op 21 februari 2005 en heeft blijkens haar statuten als doel:

a. door minnelijk overleg met Spaarbeleg (thans een honderd procent (100%) dochter van Aegon) danwel een voor haar in de plaats komende rechtspersoon of instelling of desnoods door een juridische procedure compensatie te verkrijgen voor geleden schade;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk zijn.

2.2. Spaarbeleg is een naamloze vennootschap die onder meer haar bedrijf maakt van het aanbieden van zogenoemde KoersPlanovereenkomsten (door Spaarbeleg ook wel aangeduid met Spaarbelegovereenkomsten, maar in dit vonnis verder te noemen: “KoersPlanovereenkomsten”, of “het KoersPlan”).

2.3. In de periode 1989 tot en met 1998 werden KoersPlanovereenkomsten gesloten door middel van rechtstreekse verkoop en via bemiddeling door tussenpersonen. Het KoersPlanproduct werd onder de aandacht van het publiek gebracht door middel van een brochure met informatie over het KoersPlan (hierna: de Brochure). Na inzending van een inschrijfformulier (hierna: het Inschrijfformulier) door een potentiële deelnemer en acceptatie daarvan door Spaarbeleg, werd door Spaarbeleg een bevestigingsbrief (hierna: de Bevestigingsbrief) aan de potentiële deelnemer gezonden met als bijlage een namens Spaarbeleg ondertekend KoersPlan Certificaat (hierna: het Certificaat), een exemplaar van de toepasselijke Algemene Voorwaarden (hierna: De Algemene Voorwaarden) en, vanaf 1996, de Productvoorwaarden KoersPlan (hierna: De Productvoorwaarden). Op het Certificaat was een ingangsdatum vermeld, doch de deelnemer had de gelegenheid om binnen drie maanden na deze datum alsnog kosteloos van de overeenkomst af te zien. In dat geval werd de reeds betaalde inleg door Spaarbeleg terugbetaald. De inhoud van de Brochure, de Bevestigingsbrief, het Certificaat, de Algemene Voorwaarden en de Productvoorwaarden is jaarlijks door Spaarbeleg aangepast. In dit vonnis zijn in rechtsoverweging 3.1. tot en met 3.47. de voor de beoordeling van het geschil relevante passages uit dit informatiemateriaal opgenomen.

2.4. Eiser sub 2, [naam], geboren op 4 maart 1960, heeft in 1994 met Spaarbeleg een KoersPlanovereenkomst gesloten, ingaande op 1 maart 1994 en eindigend op 1 maart 2015, met een maandelijkse inleg van NLG 300,-- (EUR 136,13).

2.5. Eiser sub 3, [naam], geboren op 12 februari 1961, heeft in 1992 een KoersPlanovereenkomst gesloten, ingaande op 1 april 1992 en eindigend op 1 april 2017, met een maandelijkse inleg van NLG 100,-- (EUR 45,38). [eiser sub 3] heeft zijn KoersPlanovereenkomst met ingang van 1 februari 2005 inlegvrij gemaakt.

2.6. Eiseres sub 4, [naam], geboren op 11 februari 1957, heeft in 1990 een KoersPlanovereenkomst gesloten, ingaande op 1 juni 1990 en eindigend op 31 december 2002, met een inleg van NLG 626,22 (EUR 284,17) per kwartaal.

2.7. In 1998 zijn in de media berichten verschenen naar aanleiding van een advies van de Ombudsman Spaarkasbedrijf over een klacht van de heer [naam] tegen Spaarbeleg over – onder meer – het feit dat Spaarbeleg onvoldoende informatie had verstrekt met betrekking tot het in rekening brengen van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering en de hoogte van die premie.

2.8. Op 31 maart 1999 is de Stichting Spaardersbelangen opgericht, die collectief de belangen van houders van met Spaarbeleg gesloten KoersPlanovereenkomsten behartigde. De Stichting Spaardersbelangen heeft samen met de Consumentenbond met Spaarbeleg overleg gevoerd over de overlijdensrisicopremie die Spaarbeleg in mindering bracht op de inleg van de deelnemers aan de KoersPlanovereenkomsten. Dit overleg heeft er onder meer in geresulteerd dat Spaarbeleg de informatievoorziening aan de deelnemers van het KoersPlanproduct heeft uitgebreid, een mogelijkheid heeft ingebouwd om na het verstrijken van 80% van de looptijd van de overeenkomst over te stappen naar een defensiever beleggingsfonds, de afkoopwaarde van de overeenkomst heeft verbeterd en de premie van de overlijdensrisicopremie heeft verlaagd met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1996.

2.9. Naar aanleiding van intensief overleg tussen Spaarbeleg en de Ombudsman verzekeringen in 2004 en 2005, heeft Spaarbeleg in mei 2005 wederom het KoersPlanproduct aangepast. Deze aanpassing hield in dat de premie van de overlijdensrisicoverzekering met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de overeenkomsten is gemaximeerd tot 17% van de inleg en dat het bedrag dat hierboven was betaald, alsnog werd belegd, als ware het gemaximeerde tarief al vanaf de aanvang van de overeenkomst van toepassing. Daarnaast is per 1 januari 2006 de premie van de overlijdensrisicoverzekering van alle lopende overeenkomsten verlaagd met 10%, zodat de maximale premie vanaf die datum maximaal 15,3% van de inleg bedraagt.

2.10. De Stichting heeft aan personen die een KoersPlanovereenkomst hebben gesloten met Spaarbeleg de mogelijkheid geboden zich bij haar in te schrijven als geregistreerd belanghebbende tegen betaling van EUR 75,00. De Stichting heeft ter griffie van deze rechtbank een cd-rom gedeponeerd met een overzicht van alle bij haar geregistreerde personen.

2.11. De Stichting heeft aan Capital Consult & Coaching B.V. (hierna: Capital Consult) opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de door Spaarbeleg in de brochures over het KoersPlan genoemde voorbeeldrendementen over de jaren 1989 tot 1999. De resultaten van dit onderzoek zijn door Capital Consult vastgelegd in een rapport, dat onderwerp is geweest van besprekingen tussen de Stichting en Spaarbeleg, voor het eerst op 2 maart 2005.

2.12. De eerste bespreking heeft geresulteerd in een aanpassing van het rapport van Capital Consult (hierna: aanvullend rapport). Tussen Spaarbeleg en de Stichting hebben vervolgens diverse besprekingen plaatsgevonden, die niet hebben geleid tot een minnelijke regeling.

3. De inhoud van het informatiemateriaal

3.1. In het onderstaande zijn de voor de beoordeling van het geschil relevante passages uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal opgenomen.

Informatie 1989

3.2. Brochure

In de in 1989 door Spaarbeleg verspreide brochure is - onder meer en voor zover van belang – vermeld:

“Komt u te overlijden, dan garandeert Spaarbeleg uw nabestaanden een directe, belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente. Kortom: naast extra rendement ook ingebouwde zekerheid.”

3.3. Algemene voorwaarden

In de door Spaarbeleg in 1989 gehanteerde Algemene Voorwaarden is – onder meer en voor zover van belang – vermeld:

“1. In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

(…)

b. spaarbelegovereenkomst:

de overeenkomst waaruit voor Spaarbeleg de verplichting ontstaat om:

enerzijds de aan de jaarkas ten goede komende spaarstortingen van de inschrijvers in jaarkasverband te beheren en na afloop van de jaarkas bij in leven zijn van de verzekerde het aandeel in de jaarkas uit te keren en

anderzijds om in geval van overlijden van de verzekerde vóór een in de polis bepaalde datum, te haren laste één of meer uitkeringen te doen van één of meer vooraf vastgestelde of tijdens de duur der verzekering nader vastgestelde bedragen op grond van de gelijktijdig afgesloten verzekering (de verzekering);

(…)

e. verzekerde:

de persoon op wiens leven de spaarbelegovereenkomst is gesloten;

f. begunstigde:

(…)

1.2 de persoon die volgens de Spaarbelegovereenkomst gerechtigd is om de uitkering krachtens de verzekering te ontvangen (begunstigde bij overlijden).

2. Spaarbeleg neemt zich voor elk jaar op 1 januari een aantal jaarkassen open te stellen. Toetreding tot de jaarkassen is mogelijk gedurende het jaar van openstelling. De jaarkassen hebben een looptijd van een van tevoren door Spaarbeleg te bepalen aantal jaren, het jaar van openstelling niet meegerekend. Na afloop van de jaarkas wordt deze verdeeld onder de begunstigden bij leven.

3. Toetreding tot een jaarkas geschiedt door het aangaan van een Spaarbelegovereenkomst voor een aantal eenheden. Een eenheid in een jaarkas is nominaal groot zoveel éénhonderd gulden als het aantal jaren bedraagt dat de betreffende jaarkas loopt met inachtneming van het in artikel 2 bepaalde. Dit nominale bedrag wordt door de inschrijver voldaan in jaarlijkse termijnen.

Het nominale bedrag kan door de inschrijver eveneens worden voldaan in halfjaarlijkse, driemaandelijkse of maandelijkse termijnen; in dat geval wordt het bedrag der termijnen afgeleid van de jaarlijkse termijn aan de hand van een door Spaarbeleg vastgestelde herleidingstabel.

(…)

6. Spaarstortingen en premies vervallen op de eerste van de maand en zijn bij vooruitbetaling in gelijke termijnen verschuldigd.

(…).

17. Ter voorziening in de kosten, verbonden aan de werkzaamheden van Spaarbeleg, wordt door Spaarbeleg aan de inschrijver in rekening gebracht:

a. een eenmalig bedrag aan administratieloon ter grootte van 4,5% van het nominale bedrag per eenheid (eenheid: als bedoeld in artikel 3), te voldoen uit de eerste spaarstortingen;

b. een jaarlijkse vergoeding voor beheerskosten groot 0,8% van het aan de inschrijver op 31 december van het jaar toekomende deel van de jaarkas, te verrekenen aan het eind van elk kalenderjaar; voor het eerst in het jaar volgende op het jaar van inschrijving.

18. Krachtens de verzekering is Spaarbeleg gehouden tegen betaling van de overeengekomen premie om te haren laste bij overlijden van de verzekerde vóór afloop van de jaarkas aan begunstigde bij overlijden de overeengekomen uitkering(en) te doen.

(…)

19. Het in de verzekering begrepen risico is gedekt, zodra de eerste premie is voldaan, doch niet eerder dan op de vervaldag van deze premie.

20. Het recht op uitkering krachtens de verzekering vervalt van rechtswege indien de verzekerde overlijdt:

a. als militair (…)

b. als gevolg van een luchtvaartongeluk (…)

c. door zelfmoord (…)

d. (…)

21. Het recht op uitkering krachtens de verzekering vervalt door verjaring, indien de uitkering niet binnen vijf jaren na het overlijden van de verzekerde is opgevorderd.

22. Het in de verzekering begrepen risico is niet gedekt, indien de inschrijver en/of verzekerde onjuiste verklaringen heeft afgelegd en/of te vermelden feiten heeft verzwegen, (…). De door de inschrijver betaalde premies krachtens de verzekering (artikel 18) kunnen dan niet worden teruggevorderd.

(…)”

3.4. Inschrijfformulier

Partijen hebben over en weer diverse exemplaren van door Spaarbeleg gebruikte Inschrijfformulieren overgelegd, waaruit de rechtbank opmaakt dat niet jaarlijks één soort formulier werd gebruikt, maar dat er verschillende versies in omloop zijn geweest.

Als productie 23 bij conclusie van dupliek is door Spaarbeleg een Inschrijfformulier overgelegd dat werd gebruikt in 1989. Op dit Inschrijfformulier is ruimte voor het invullen van de volgende gegevens: de maandelijkse inleg, naam en geboortedatum van de inschrijver, betalingswijze en naam van de begunstigde bij overlijden, indien afwijkend van de wettelijke erfgenamen.

3.5. Certificaat en Bevestigingsbrief

Het is de rechtbank niet duidelijk of ook de Certificaten en Bevestigingsbrieven onderling verschillen. In de (eveneens als productie 23 bij dupliek) overgelegde voorbeelden door Spaarbeleg uit 1989 is onder meer en voor zover van belang vermeld:

Bevestigingsbrief:

“In dank ontvingen wij uw ondertekende aanvraag voor KoersPlan. De gegevens van uw aanvraag hebben wij verwerkt in een overeenkomst, welke wij u bijgaand doen toekomen.

BELANGRIJKE PUNTEN VAN DE OVEREENKOMST

1) Ingangsdatum : (…)

Einddatum : (…)

2) Uw maandelijkse betaling ad f. (…) voor het eerst te voldoen op (…) en voor het laatst op (…).

3) Uitkering bij overlijden van de verzekerde bestaat uit de gedane inleg vermeerderd met 4% samengestelde interest.

4) Tussentijdse opname of beëindiging vindt plaats conform de artikelen 8, 9, 10 en 11 van de Algemene Voorwaarden 89.01.03.

(…)

Gaarne maken wij u attent op het volgende:

De in de brochure “Koersplan” vermelde eindbedragen zijn netto bedragen: deze bedragen zijn berekend na aftrek van alle kosten.

Het op de overeenkomst onder punt 6 vermelde aantal eenheden geeft weer het aandeel in de beleggingspool. Hierdoor kan aan het eind van de looptijd de verdeling van de jaarkas onder de deelnemers plaatsvinden.

De overeenkomst is van kracht vanaf de ingangsdatum. Tot 3 maanden na dagtekening van deze overeenkomst heeft u het recht deze nietig te verklaren. Spaarbeleg stort dan direkt uw ingelegde bedrag retour.”

Certificaat:

“N.V. Maatschappij voor sparen, beleggen en verzekeren ‘Spaarbeleg” verklaart:

dat zij op grond van de ontvangen aanvraag en overeenkomstig de Algemene Voorwaarden 89.01.03 een Spaarbelegovereenkomst is aangegaan met een looptijd van (…) jaar, met

1. Inschrijver: (…)

geboren: (…)

2. Inschrijvingsnummer: (…)

3. Verzekerde: (…)

geboren (…)

4. Begunstigde bij afloop: (…)

5. Begunstigde bij overlijden verzekerde: (…)

6. Aantal eenheden: (…)

7. Uitkering bij overlijden: alle gedane stortingen, vermeerderd met samengestelde interest á 4% per jaar, berekend tot de datum van overlijden.

8. Datum van ingang: (…)

Datum van afloop: (…)

9. Te betalen per maand: (…)

Voor het eerste te voldoen op: (…)

10. Deze overeenkomst is geen bewijs van betaling.”

Informatie 1990

3.6. Brochure

In de Brochure die in 1990 door Spaarbeleg werd verstrekt staat – onder meer en voor zover van belang – vermeld:

“Door de ingebouwde overlijdensrisicodekking garandeert Spaarbeleg in geval van overlijden een belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente op rente.”

3.7. de Algemene voorwaarden

De in 1990 door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden verschillen slechts in onderdelen van de hierboven geciteerde tekst uit de Algemene Voorwaarden 1989. Zo is in artikel 1 onder b het woord “polis” vervangen door “certificaat” en zijn de volgende definities toegevoegd:

“g. inleg:

de som van de spaarstortingen en premies van de hoofdverzekering

h. certificaat:

het schriftelijk bewijs van inschrijving;

i. waar in de correspondentie wordt gesproken over polis wordt bedoeld certificaat”.

3.8. Artikel 2 van de Algemene Voorwaarden 1990 is gelijk aan artikel 2 in de voorwaarden van 1989.

3.9. In afwijking van de voorwaarden 1989, is in artikel 3 van de Algemene Voorwaarden 1990 bepaald:

“Toetreding tot een jaarkas geschiedt door het aangaan van een Spaarbelegovereenkomst voor een aantal eenheden. Eén eenheid in een jaarkas bedraagt bij 12-, 15-, 20-, of 25-jarige looptijd respectievelijk f 1200,

f 1500, f 2000 of f 2500 aan spaarstortingen. De inleg wordt door de inschrijver voldaan in jaarlijkse termijnen.

Het nominale bedrag kan door de inschrijver eveneens worden voldaan in halfjaarlijkse, driemaandelijkse of maandelijkse termijnen; in dat geval wordt het bedrag der termijnen afgeleid van de jaarlijkse termijn aan de hand van een door Spaarbeleg vastgestelde herleidingstabel (…)”

3.10. De artikelen 6, 17, 18, 19, 20, 21 en 22 zijn gelijkluidend aan die in de Algemene Voorwaarden van 1989.

3.11. Inschrijfformulier

Het enige voorbeeld van een in 1990 gebruikt Inschrijfformulier is het door Spaarbeleg overgelegde Inschrijfformulier van [eiseres sub 4], tevens eiseres in deze procedure (productie G-21 bij conclusie van antwoord). Op dit formulier, dat met de hand is ingevuld, is in de kop de hoogte van het inlegbedrag vermeld (de rechtbank begrijpt fl. 626,22 per kwartaal), de looptijd van 12 jaar en is onder de omschrijving “einduitkering bij een gemiddeld rendement op de inleg” een aantal bedragen opgeschreven. Tevens is op dit formulier geschreven:

“inleg: fl. 626,22

waarvan spaarstorting: fl. 554,58

de definitieve premievaststelling geschiedt door het hoofdkantoor”

3.12. Certificaat en bevestigingsbrief

De rechtbank heeft geen voorbeeld van een in 1990 verzonden Bevestigingbrief in de stukken aangetroffen. Spaarbeleg heeft wel een voorbeeld overgelegd van een in 1990 verstuurd Certificaat, dat gelijk is aan het Certificaat uit 1989, met dien verstande dat een element is toegevoegd, te weten:

“uit te keren bij in leven Indicatie bij een gemiddeld rendement

zijn van de verzekerde op de inleg: 10% f. 42.500,00

na afloop: 12% f. 51.000,00

14% f. 61.200,00”

Informatie 1991

3.13. De Brochure

Met betrekking tot de uitkering bij overlijden verschilt de Brochure uit 1991 niet van die uit 1990, zodat daarnaar verwezen wordt.

3.14. De Algemene Voorwaarden

In de Algemene Voorwaarden is – onder meer en voor zover van belang – vermeld:

“1. Definities

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

(…)

c. verzekerde:

degene(n) op wiens leven(s) de spaarbelegovereenkomst is gesloten

d. begunstigde:

a.(…) (begunstigde bij leven)

b. degene die volgens de Spaarbelegovereenkomst gerechtigd is om de uitkering krachtens de verzekering te ontvangen (begunstigde bij overlijden).

e. spaarbelegovereenkomst:

de overeenkomst waaruit voor Spaarbeleg de verplichting ontstaat om:

enerzijds de aan de beleggingskas ten goede komende spaarstortingen van de inschrijvers te beheren en op de einddatum van de overeenkomst bij in leven zijn van de verzekerde het aandeel in de beleggingskas uit te keren

en

anderzijds in geval van overlijden van de verzekerde vóór een in het certificaat bepaalde datum, één of meer uitkeringen te doen van één of meer vooraf vastgestelde of tijdens de duur der verzekering nader vastgestelde bedragen op grond van de gelijktijdig afgesloten verzekering (de verzekering);

f. certificaat:

het schriftelijk bewijs van de inschrijving

g. beleggingseenheid:

toetreding tot een beleggingskas geschiedt door het aangaan van een Spaarbelegovereenkomst voor een aantal beleggingseenheden; één beleggingseenheid is f 100,- per jaar aan spaarstorting;

h. spaarstorting:

het deel van het door de inschrijver betaalde bedrag waarmee wordt deelgenomen in de beleggingskas en dat recht geeft op de uitkering bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum;

i. beleggingskas:

het onderlinge fonds dat wordt gevormd uit de spaarstortingen welke door de inschrijvers zijn gedaan tijdens de duur van de Spaarbelegovereenkomst; het onderlinge fonds wordt door Spaarbeleg beheerd en belegd;

j. verzekeringspremie:

de premie voor de overlijdensrisicodekking;

k. inleg:

de som van de spaarstortingen en verzekeringspremies voor de overlijdensrisicodekking tot de einddatum van de Spaarbelegovereenkomst.

(…)

3. Aard van de Spaarbelegovereenkomst

De aanvraag tot het sluiten van een Spaarbelegovereenkomst geschiedt door indiening bij Spaarbeleg van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. Na acceptatie van deze aanvraag door Spaarbeleg neemt de inschrijver deel in een door Spaarbeleg geopende beleggingskas. De deelname eindigt bij het bereiken van de in het certificaat vermelde einddatum of bij overlijden van de verzekerde voor die einddatum.

De verbintenissen uit de Spaarbelegovereenkomst treden pas in werking als het certificaat aan de inschrijver is uitgereikt en de eerste spaarstorting en de eerste verzekeringspremie zijn voldaan.

4. Betaling

De spaarstorting en de verzekeringspremie vervallen op de eerste van de maand en zijn bij vooruitbetaling in gelijke termijnen verschuldigd. De spaarstorting en de verzekeringspremie kunnen door de inschrijver worden voldaan in jaarlijkse, halfjaarlijkse, driemaandelijkse of maandelijkse termijnen; het termijn bedrag wordt afgeleid van de jaarlijkse termijn aan de hand van een door Spaarbeleg vastgestelde herleidingstabel.

(…)

7. kosten en belastingen

Ter voorziening in de kosten, verbonden aan de werkzaamheden van Spaarbeleg, wordt door haar aan de inschrijver in rekening gebracht:

1. een eenmalig bedrag aan administratieloon ter grootte van 4% van de inleg (inleg: als bedoeld in artikel 1 sub k), te voldoen uit de eerste spaarstortingen;

2. een jaarlijkse vergoeding voor beheerskosten groot 0,8% van het aan de inschrijver op 31 december van het betreffende jaar toekomende deel van de beleggingskas, te verrekenen aan het eind van elk kalenderjaar; voor het eerst in het jaar volgende op het jaar van inschrijving.

10. Uitkering bij overlijden

Wanneer de verzekerde overlijdt voor de einddatum van de Spaarbelegovereenkomst – en dit overlijden niet het gevolg is van één van de oorzaken genoemd in artikel 13 en 14 – zal Spaarbeleg aan de begunstigde(n) een uitkering doen zoals is het certificaat staat beschreven.(…)

3.15. Inschrijfformulier

Door Spaarbeleg zijn twee voorbeelden overgelegd van Inschrijfformulieren die in 1991 werden gebruikt. Eén is gelijk aan het in 1989 gebruikte formulier. Het tweede formulier biedt ruimte voor dezelfde informatie en vermeldt tevens drie, door of namens de aanvrager in te vullen, voorbeeldrendementen bij een rendement van 10, 12 en 14%. Over de overlijdensrisicoverzekering en/of -premie wordt op dit formulier niets vermeld.

3.16. Certificaten en bevestigingsbrieven

De rechtbank heeft in de overgelegde producties geen voorbeelden aangetroffen van overgelegde Certificaten of Bevestigingsbrieven die in 1991 door Spaarbeleg zijn gebruikt.

Informatie 1992

3.17. Brochure

Met betrekking tot de informatie over de overlijdensrisicodekking verschilt deze brochure niet van de brochures die in 1989, 1990 en 1991 in omloop waren.

3.18. De Algemene Voorwaarden

De in 1992 door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden zijn niet door partijen in deze procedure overgelegd.

3.19. Certificaat en Bevestigingsbrief

De rechtbank heeft drie Certificaten in het geding gebracht die in 1992 aan deelnemers aan het KoersPlan door Spaarbeleg zijn verstrekt. In deze Certificaten is steeds het volgende vermeld:

“Spaarbeleg Kas N.V. verklaart dat zij op grond van de ontvangen aanvraag en overeenkomstig de Algemene Voorwaarden KoersPlan 91.01 een Spaarbelegovereenkomst is aangegaan met een looptijd van (…) jaar, met

1. Inschrijver: (…)

geboortedatum: (…)

2. Certificaatsnummer: (…)

3. Verzekerde: (…)

geboortedatum: (…)

4. Begunstigde bij afloop: (…)

5. Begunstigde bij overlijden verzekerde: (…)

6. Aantal eenheden: (…)

7. Uit te keren bij in leven zijn Indicatie bij een gemiddeld rendement op de inleg:

van de verzekerde na afloop: 10 % f. (…)

12 % f. (…)

14 % f. (…)

8. Uitkering bij overlijden: Betaalde inleg, vermeerderd met samengestelde interest á 4% per jaar, berekend tot de datum van overlijden.

9. Ingangsdatum: (…)

Einddatum: (…)

10. Inleg per maand: (…)

Voor het eerste te voldoen op: (…)

11. Deze overeenkomst is geen bewijs van betaling.”

3.20. De rechtbank constateert dat op deze drie Certificaten achter punt 6 (aantal beleggingseenheden) steeds een ander getal staat vermeld. Op het Certificaat van [eiser sub 3] [geboortedatum], tevens eiser in deze procedure, is een aantal van 9,0116 beleggingseenheden vermeld, op het Certificaat van [naam persoon 2], geboren op [geboortedatum] is een aantal van 10,2214 vermeld en op het Certificaat van [naam persoon 3], geboren op [geboortedatum], van 8,1778. De maandelijkse inleg van deze drie personen bedraagt blijkens de Certificaten fl. 100,-- per maand. De berekende voorbeeldrendementen achter punt 7 van het Certificaat zijn bij [persoon 2] en [persoon 3], die beiden blijkens het Certificaat een KoersPlan met een looptijd van 15 jaar hebben gekozen, zijn wel even hoog.

3.21. Tevens is de aan [eiser sub 3] met het Certificaat meegezonden Bevestigingbrief overgelegd. Hierin is onder meer en voor zover van belang het volgende vermeld:

“(…)

Op het bijgaande certificaat hebben wij de gegevens van uw overeenkomst verwerkt.

Zoudt u willen controleren of alle gegevens juist zijn vermeld?

(…)

BELANGRIJKE PUNTEN VAN DE OVEREENKOMST

Ingangsdatum: 1 april 1992

Einddatum: 1 april 2017

Uw maandbedrag ad. f. 100,00 voor het eerst te voldoen per 1 april 1992 en voor het laatst per 1 maart 2017.

(…)

De uitkering bij overlijden van de verzekerde bestaat uit de gedane inleg vermeerde met 4% samengestelde interest.

Tussentijdse opname of beëindiging vindt plaats conform de artikelen 8 en 11 van de Algemene Voorwaarden KoersPlan 91.01

(…)

BELEGGINGSASPECTEN

De beleggingen vinden hoofdzakelijk plaats in aandelen.

De op het certificaat onder punt 7 vermelde bedragen zijn berekend na aftrek van alle kosten en vormen geen garantie voor de definitieve einduitkering.

Het onder 6 vermelde aantal beleggingseenheden geeft uw aandeel in de beleggingspool weer.

Hierdoor kan aan het eind van de looptijd de verdeling van de beleggingskas onder deelnemers plaatsvinden.

(…)”

Informatie 1993

3.22. Brochure

Met betrekking tot de informatie over de overlijdensrisicodekking verschilt deze brochure niet van de brochures uit voorafgaande jaren.

3.23. De Algemene Voorwaarden

De Algemene Voorwaarden die in 1993 door Spaarbeleg werden gehanteerd verschillen op kleine onderdelen van de Algemene Voorwaarden uit 1991. Zo wordt in artikel 1 sub j. bij de omschrijving van de definitie “verzekeringspremie” in 1993 vermeld: “de door de inschrijver te betalen premie voor de overlijdensrisicodekking” in plaats van “de premie voor de overlijdensrisicodekking”.

In artikel 3 is vermeld:

“Aard van de Spaarbelegovereenkomst

De aanvraag tot het sluiten van een Spaarbelegovereenkomst geschiedt door indiening bij Spaarbeleg van een volledig ingevuld en ondertekend inschrijfformulier. De overeenkomst komt tot stand indien Spaarbeleg de aanvraag heeft geaccepteerd, het certificaat aan de inschrijver is uitgereikt en de eerste inleg aan Spaarbeleg is voldaan. De deelname eindigt bij het bereiken van de in het certificaat vermelde einddatum of bij overlijden van de verzekerde voor die einddatum, dan wel bij afkoop.

3.24. In artikel 4 onder het kopje “Betaling” wordt in afwijking van de voorwaarden uit 1991 gesproken over “de inleg” in plaats van “de spaarstorting en verzekeringspremie”.

Voor het overige zijn deze artikelen gelijkluidend.

3.25. De artikelen 7 en 10 van de Algemene Voorwaarden 1993 zijn (voor zover relevant) gelijkluidend aan die uit 1991.

3.26. Inschrijfformulieren

De rechtbank heeft verschillende Inschrijfformulieren aangetroffen die in 1993 werden gebruikt. Op deze formulieren is ruimte voor het invullen van de persoonlijke gegevens van de inschrijver, het gewenste inlegbedrag en looptijd en de gegevens van de begunstigde. Op twee overgelegde formulieren is ook ruimte voor het invullen van een “indicatie einduitkering”. Op deze twee formulieren staat bij het verzamelkopje “inleg”vermeld: “De definitieve premievaststelling geschiedt door het hoofdkantoor.”

3.27. Certificaat en Bevestigingsbrief

Door partijen zijn geen voorbeelden overgelegd van in 1993 gehanteerde Certificaten of Bevestigingsbrieven.

Informatie 1994

3.28. Brochure

Met betrekking tot de informatie over de overlijdensrisicodekking verschilt deze brochure niet van de brochures uit voorafgaande jaren.

3.29. De Algemene Voorwaarden

De in 1994 door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden zijn niet overgelegd.

3.30. Inschrijfformulieren

Door Spaarbeleg is een voorbeeld van een in 1994 ingevuld Inschrijfformulier overgelegd. Ten aanzien van de overlijdensricopremie is op dit formulier niets vermeld. Als productie 15 bij dagvaarding zijn het Inschrijfformulier, het Certificaat van en de Bevestigingsbrief aan [eiser sub 2], eiser in deze procedure, overgelegd. Op het Inschrijfformulier is onder het in te vullen bedrag voor de inleg, voorgedrukt vermeld: “de definitieve premievaststelling geschiedt door het hoofdkantoor”.

3.31. Certificaat en de Bevestigingsbrief

De tekst van de aan [eiser sub 2] verzonden Bevestigingsbrief van 17 februari 1994 verschilt op niet relevante onderdelen van de reeds geciteerde Bevestigingsbrieven uit voorafgaande jaren. Datzelfde geldt voor het aan [eiser sub 2] verzonden Certificaat.

Informatie 1995

3.32. Brochure

Met betrekking tot de informatie over de overlijdensrisicodekking verschilt deze Brochure niet van de Brochures uit voorafgaande jaren.

3.33. De Algemene voorwaarden

In de Algemene Voorwaarden 1995 is onder artikel 1 onder e, laatste zin (de verplichtingen van Spaarbeleg) vermeld:

“(…) en anderzijds in geval van overlijden van de verzekerde vóór een in het certificaat bepaalde datum, één of meer uitkeringen te doen van één of meer vooraf vastgestelde of tijdens de duur der verzekering nader vastgestelde bedragen gebaseerd op de verzekering; [onderstreping rechtbank]

Het onderstreepte onderdeel van deze zin wijkt af van de algemene voorwaarden in 1989, 1990, 1991, 1992 en 1993, waar was vermeld: “op grond van de gelijktijdig afgesloten verzekering (de verzekering)” In de Algemene Voorwaarden van 1995 is “de verzekering” overigens niet gedefinieerd.

3.34. De overige bepalingen in deze Algemene Voorwaarden verschillen slechts op niet relevante onderdelen van die uit voorafgaande jaren.

3.35. Inschrijfformulieren, Certificaat en Bevestigingsbrief

Spaarbeleg heeft een voorbeeld overgelegd van een in 1995 door haar gehanteerd Inschrijfformulier, waarop overigens ten aanzien van de overlijdensrisicodekking geen bijzonderheden zijn vermeld. Voorbeelden van in 1995 gebruikte Certificaten en/of Bevestigingsbrieven zijn niet door partijen overgelegd.

Informatie 1996

3.36. Brochure

Met betrekking tot de informatie over de overlijdensrisicodekking verschilt de brochure uit 1996 niet van de brochures uit voorafgaande jaren.

3.37. Algemene Voorwaarden en Productvoorwaarden

De in 1996 door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden verschillen niet alleen wat betreft de lay-out, maar ook wat betreft de gekozen formulering van de Algemene Voorwaarden uit voorafgaande jaren. In de kop van de Algemene Voorwaarden 1996 is vermeld:

“Aansluitend op deze Algemene Voorwaarden zijn de productvoorwaarden van het product dat u heeft afgesloten van toepassing. Bij onduidelijkheid gaan de productvoorwaarden voor de algemene voorwaarden.”

3.38. In artikel 1 van de Algemene Voorwaarden is – indien afwijkend van de reeds geciteerde artikelen uit voorafgaande jaren en voor zover van belang – vermeld:

“1. Definities

Op het certificaat en in deze voorwaarden wordt verstaan onder:

(…)

c. overeenkomst: de Spaarbelegovereenkomst waaruit voor Spaarbeleg de verplichting ontstaat om:

- de aan het fonds toekomende spaarstortingen te beheren en te beleggen;

- de te verrekenen overlijdensrisicopremie te beheren;

- op de einddatum van de overeenkomst het aandeel in het fonds uit te keren;

- bij overlijden van de verzekerde gedurende de spaarperiode een overlijdensuitkering te doen;

d. verzekerde: degene op het leven van wie de overeenkomst is afgesloten;

e. spaarperiode: de periode in gehele jaren die ligt tussen de ingangsdatum en de einddatum van de overeenkomst;

(…)

h. begunstigde bij overlijden: degene die volgens de overeenkomst bij overlijden van de verzekerde de overlijdensuitkering ontvangt;

i. certificaat: het schriftelijk bewijs van de overeenkomst

j. fonds: het beleggingsfonds waarin de spaarstortingen worden belegd en beheerd;

k. spaarstorting: dat deel van de inleg waarmee wordt deelgenomen in het fonds en dat zorgt voor de opbouw van het eindkapitaal;

l. beleggingseenheid: een beleggingseenheid vertegenwoordigt f 100,- aan spaarstorting op jaarbasis. Bij een eenmalig ingelegd bedrag wordt de beleggingseenheid omgerekend op basis van jaarlijkse betalingen.

m. verzekeringspremie: de door de inschrijver betaalde bruto premie voor de overlijdensrisicodekking;

n. totale inleg: de som van de spaarstortingen en de verzekeringspremies die tot de einddatum van de overeenkomst zijn betaald.

o. eindkapitaal: de waarde van het aandeel van de inschrijver in het fonds op de einddatum van de overeenkomst.”

3.39. In de artikelen 2, 3, 7 van de Algemene Voorwaarden 1996 is bepaald:

“2. De overeenkomst

De basis van de overeenkomst komt tot stand door het bij Spaarbeleg indienen van een door de inschrijver ondertekend inschrijfformulier. De verzekerde mag op de einddatum niet ouder zijn dan 71 jaar. Na acceptatie door Spaarbeleg wordt aan de inschrijver een certificaat uitgereikt. De overeenkomst is van kracht vanaf het moment dat de eerste inleg aan Spaarbeleg is voldaan. (…)

3. Betaling

De inleg is bij vooruitbetaling verschuldigd. (…)

7. Uitkering bij overlijden

Wanneer de verzekerde overlijdt voor de einddatum van de overeenkomst doet Spaarbeleg een uitkering aan de begunstigde(n) bij overlijden (…).”

3.40. In de Productvoorwaarden KoersPlan 1996 zijn onder meer de volgende onderwerpen geregeld:

- de duur van de spaarperiode en het verlengen daarvan;

- de betaaltermijnen van de inleg en de minimuminleg;

- het verhogen, verlagen en extra storten van het inlegbedrag, alsmede de “inlegvakantie”;

- de wijze van beleggen;

- de drie maanden bedenktijd;

- de kosten die in rekening worden gebracht;

- de mogelijkheid een aanvullende verzekering af te sluiten;

- het opnemen van een voorschot uit het fonds en verpanding van recht op uitkering.

3.41. Inschrijfformulieren, Certificaat en Bevestigingsbrief

Spaarbeleg heeft een voorbeeld overgelegd van een in 1996 door haar gehanteerd Inschrijfformulier, waarop ten aanzien van de overlijdensrisicodekking geen bijzonderheden zijn vermeld. Voorbeelden van in 1996 gebruikte Certificaten en/of Bevestigingsbrieven zijn niet door partijen overgelegd.

Informatie 1997

3.42. Brochure

Met betrekking tot de informatie over de overlijdensrisicodekking verschilt de Brochure uit 1997 niet van de Brochures uit voorafgaande jaren.

3.43. De Algemene Voorwaarden en Productvoorwaarden

De Algemene Voorwaarden 1997 verschillen op ondergeschikte onderdelen van de voorwaarden uit 1996. Zo zijn aan artikel 1 twee definities toegevoegd, te weten van de begrippen “participaties” en “koers”. In artikel 2 is niet langer vermeld dat de basis van de overeenkomst tot stand komt door het indienen van het inschrijfformulier, maar dat de basis van de overeenkomst gegrond is op het ingediende inschrijfformulier. De productvoorwaarden 1997 verschillen niet van die uit 1996.

3.44. Inschrijfformulieren, Certificaat en Bevestigingsbrief

Voorbeelden van in 1997 gebruikte Inschrijfformulieren, Certificaten en/of Bevestigingsbrieven zijn niet door partijen overgelegd.

Informatie 1998

3.45. Brochure

Met betrekking tot de informatie over de overlijdensrisicodekking verschilt de brochure uit 1998 niet van de brochures uit voorafgaande jaren.

3.46. De Algemene Voorwaarden en productvoorwaarden

De Algemene Voorwaarden 1998 verschillen op ondergeschikte onderdelen van de voorwaarden uit 1997. Zo is aan artikel 1 wederom een aantal definities toegevoegd, te weten van de begrippen “overlevingswinst” en “afkoopwaarde”. De Productvoorwaarden 1998 verschillen materieel niet van die uit 1997.

3.47. Inschrijfformulieren, Certificaat en Bevestigingsbrief

Voorbeelden van in 1998 gebruikte Inschrijfformulieren, Certificaten en/of Bevestigingsbrieven zijn niet door partijen overgelegd.

4. Het geschil

4.1. Eisers vorderen, na vermindering van eis bij repliek,

1. een verklaring voor recht dat Spaarbeleg heeft verzuimd correcte uitvoering te hebben gegeven en te geven aan de gesloten KoersPlanovereenkomsten met [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiseres sub 4], alsmede met de belanghebbenden die zich hebben verenigd in de Stichting, omdat Spaarbeleg zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestaat ten onrechte een overlijdensrisicopremie in mindering heeft gebracht op de door hen betaalde inlegbedragen, waardoor zij schade lijden,

2. een verklaring voor recht dat Spaarbeleg in de verstrekte Brochures, Inschrijfformulieren, Certificaten, Algemene voorwaarden alsmede in alle overige verstrekte informatie in de periode 1989 tot en met 1994 misleidende c.q. foutieve berekeningen heeft opgenomen en in de periode na 1995 misleidende berekeningen heeft opgenomen ter zake de (eind)rendementen te behalen bij de KoersPlanovereenkomsten van Spaarbeleg.

3. veroordeling van Spaarbeleg om binnen één week na betekening van dit vonnis de situatie van de KoersPlanovereenkomsten met terugwerkende kracht – vanaf de aanvang van de overeenkomst tot en met het einde daarvan – te herberekenen voor [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiseres sub 4], alsmede voor de belanghebbenden waarvan de belangen door de Stichting worden behartigd, en om de door hen geleden schade vast te stellen, met veroordeling van Spaarbeleg om het uit de herberekening voortkomende verschil binnen één week na betekening van dit vonnis uit te keren aan de belanghebbenden waarvan de belangen worden behartigd door de Stichting, alsmede aan [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiseres sub 4], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel veroordeling van Spaarbeleg om binnen één week na betekening van dit vonnis het uit de herberekening voortkomende verschil toe te voegen aan het huidige saldo van de KoersPlanovereenkomst van de belanghebbenden waarvan de belangen door de Stichting worden behartigd, alsmede van [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiseres sub 4], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, onder veroordeling van Spaarbeleg om ten bewijze van de juiste naleving van de KoersPlanovereenkomsten aan [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiseres sub 4] een verklaring af te geven van een onafhankelijke accountant, waaruit blijkt dat de KoersPlanovereenkomsten met terugwerkende kracht door Spaarbeleg op juiste wijze is herberekend en is nagekomen.

4. veroordeling van Spaarbeleg in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van EUR 12.163,98, vermeerderd met de wettelijke rente,

5. veroordeling van Spaarbeleg in de kosten van deze procedure.

4.2. Spaarbeleg heeft uitgebreid verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De ontvankelijkheid van de Stichting

5.1. De Stichting stelt dat zij ontvankelijk is op grond van artikel 3:305a BW. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.

5.2. Spaarbeleg heeft zich op het standpunt gesteld dat de Stichting niet ontvankelijk is en heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat uit de statuten van de Stichting niet blijkt wiens belangen door de Stichting worden behartigd en dat, indien de Stichting slechts opkomt voor de belangen van de bij haar aangesloten leden, deze belangen onvoldoende gelijksoortig zijn.

5.3. Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank in de eerste plaats voorop dat het kenmerk van een collectieve actie, ingesteld door een belangenorganisatie, is dat de procedure op eigen naam wordt gevoerd. De Stichting treedt daarbij niet op als procesvertegenwoordiger van of namens de deelnemers aan het KoersPlan, maar behartigt slechts hun belangen. Dat brengt met zich mee dat een vonnis op grond van een collectieve actie ook slechts gezag van gewijsde heeft tussen de in die procedure betrokken partijen. De door de Stichting gevorderde verklaringen voor recht zijn niet bindend ten opzichte van de groep van personen voor wie wordt opgekomen, zij hebben alleen precedentwerking.

5.4. Uit de (onder rechtsoverweging 2.1. vermelde) statutaire doelstelling van de Stichting begrijpt de rechtbank – ook al is dit niet expliciet vermeld – dat de Stichting opkomt voor die personen die (stellen) schade (te) hebben geleden door de handelwijze van Spaarbeleg bij het aanbieden en uitvoeren van de KoersPlanovereenkomsten.

5.5. Nu uit deze statutaire doelstelling niet volgt dat de Stichting slechts wenst op te komen voor bij haar geregistreerde belanghebbenden, is de identiteit van deze geregistreerde belanghebbenden voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de Stichting niet van belang. Evenmin behoeft de Stichting aan te tonen dat deze geregistreerde belanghebbenden allen een (gelijksoortig) belang hebben bij de door de Stichting ingestelde vorderingen. Uit het bovenstaande volgt dat de formulering door de Stichting van haar vorderingen onder 1. en 3. dan ook niet juist en in ieder geval verwarrend is. Deze formulering lijkt er immers op te duiden dat de Stichting de bij haar aangesloten leden in deze procedure vertegenwoordigt en dat de vordering bezien moet worden als zijnde ingesteld namens deze leden. Uit de overige stellingen van de Stichting blijkt echter dat dit niet haar bedoeling is, zodat de rechtbank haar vordering ook niet op die wijze zal interpreteren. De rechtbank zal in plaats van de zinsnede “de belanghebbenden die zich hebben verenigd de Stichting” dan ook lezen “de personen voor wiens belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt”.

5.6. De rechtbank zal thans aan de hand van de stellingen die de Stichting aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, beoordelen of de Stichting, met inachtneming van deze doelstelling, in haar vorderingen jegens Spaarbeleg ontvangen kan worden. De rechtbank zal bij de beoordeling van de ontvankelijkheid nog niet overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van deze stellingen.

5.7. Aan de onder 1. gevorderde verklaring voor recht heeft de Stichting – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat Spaarbeleg een overlijdensrisicopremie heeft ingehouden op het inlegbedrag, terwijl dit niet was overeengekomen. De Stichting heeft deze stelling onderbouwd door middel van een analyse van de door Spaarbeleg aan de deelnemers van het KoersPlan verstrekte informatie over de jaren 1989 tot en met 1998, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat Spaarbeleg haar vordering tot deze jaren beperkt. Indien de rechtbank bij de inhoudelijke beoordeling van deze stelling van de Stichting tot het oordeel zou komen dat voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie door Spaarbeleg in de jaren 1989 tot en met 1998 in geen enkele KoersPlanovereenkomst een contractuele grondslag heeft bestaan, dan heeft dit gevolgen voor alle deelnemers aan het KoersPlan in die jaren. Dit brengt met zich mee dat de personen van wie de Stichting in deze procedure de belangen behartigt, in beginsel een voldoende gelijksoortig belang hebben bij het onder 1. gevorderde.

5.8. De Stichting heeft de door haar onder 2. gevorderde verklaring voor recht dat Spaarbeleg misleidende, dan wel foutieve berekeningen heeft opgenomen in het door haar verstrekte informatiemateriaal, op meerdere stellingen doen steunen. Zo heeft de Stichting onder meer gesteld dat Spaarbeleg ten onrechte heeft nagelaten te vermelden dat de voorgerekende rendementen afhankelijk zijn van het geslacht en de leeftijd van de deelnemer aan het KoersPlan, terwijl de hoogte van de overlijdensrisicopremie, en dus het te behalen rendement wel van deze factoren afhankelijk is. Spaarbeleg heeft ten aanzien van deze stelling aangevoerd dat de in het informatiemateriaal genoemde voorbeeldrendementen zijn berekend aan de hand van een maatman (een 30 of 35-jarige man) en dat de deelnemers die qua geslacht en leeftijd overeenkwamen met deze maatman, in ieder geval niet misleid zijn door deze voorbeeldrendementen. Nu de verklaring voor recht gevorderd wordt ten behoeve van alle deelnemers aan het KoersPlan, zijn de belangen waarvoor de Stichting opkomt onvoldoende gelijksoortig, zo stelt Spaarbeleg.

5.9. De rechtbank volgt Spaarbeleg niet in haar redenering. Zoals in het voorgaande reeds is overwogen, gaat de rechtbank er bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de Stichting vanuit dat zij opkomt voor de belangen van diegenen die schade (stellen te) hebben geleden door de handelwijze van Spaarbeleg bij het aangaan en de uitvoering van de KoersPlanovereenkomsten. Dat brengt met zich mee dat de Stichting dus niet opkomt voor diegenen die géén schade hebben geleden. De mogelijkheid dat bij de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van de stellingen van de Stichting geoordeeld wordt dat de door Spaarbeleg verstrekte informatie voor een bepaalde groep personen wél, en voor een andere groep niet misleidend is geweest, staat aan de ontvankelijkheid van de Stichting niet in de weg, nu de Stichting immers alleen opkomt voor de belangen van die groep ten aanzien van wie de informatie wél misleidend is geweest en die daardoor schade hebben geleden.

5.10. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat de vordering onder 3. een vordering is die strekt tot betaling van schadevergoeding, hetgeen ingevolge artikel 3:305a lid 3 BW aan de ontvankelijkheid van de Stichting in de weg staat. Nu de raadsman van de Stichting ter gelegenheid van het pleidooi desgevraagd heeft toegelicht dat deze vordering, naast een vordering tot schadevergoeding, tevens als een vordering tot nakoming beschouwd dient te worden, en een vordering tot nakoming van een overeenkomst in artikel 3:305 BW niet is uitgesloten, kan de Stichting in dit onderdeel van haar vordering ontvangen worden.

Conclusie Ontvankelijkheid

5.11. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank vooralsnog – te weten zonder inhoudelijke beoordeling van de stellingen die de Stichting aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd – tot de conclusie dat de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen op grond van artikel 3:305a BW. De rechtbank zal hierna deze vorderingen beoordelen en daarbij de volgorde van het petitum aanhouden.

Vordering 1: inhoud KoersPlanovereenkomst

5.12. De kern van het geschil waar de vordering onder 1. betrekking op heeft, betreft de vraag of er voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de door de deelnemers betaalde inleg voor het KoersPlan een contractuele grondslag aanwezig was.

5.13. Nu de Stichting ter onderbouwing van deze vordering zich slechts heeft uitgelaten over de periode 1989 tot en met 1998, gaat de rechtbank, zoals hiervoor aangegeven, ervan uit dat de Stichting de gevorderde verklaring voor recht tot deze periode bedoelt te beperken.

Stukken die deel uitmaken van de KoersPlanovereenkomst

5.14. Voor de beoordeling van dit geschilpunt is in de eerste plaats van belang of de Algemene Voorwaarden, waarop door Spaarbeleg een beroep is gedaan, deel uitmaken van de KoersPlanovereenkomst. Door eisers is betoogd dat dit niet het geval is, nu de Algemene Voorwaarden niet vóór of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld.

5.15. In rechtsoverweging 2.3. is reeds uiteengezet op welke wijze een KoersPlanovereenkomst tot stand kwam. Het opsturen door een potentiële deelnemer van het Inschrijfformulier dient opgevat te worden als een uitnodiging tot het doen van een aanbod door Spaarbeleg. Pas nadat Spaarbeleg op basis van de informatie op het Inschrijfformulier deze uitnodiging accepteerde, hetgeen zij tot uitdrukking bracht tot het verzenden van de Bevestigingbrief, het Certificaat, de Algemene Voorwaarden en (vanaf 1996) de Productvoorwaarden, kwam een overeenkomst tot stand onder de opschortende voorwaarde dat de deelnemer niet binnen een termijn van drie maanden aan Spaarbeleg liet weten alsnog van de overeenkomst af te zien. Hieruit volgt dat de Algemene Voorwaarden (en het Certificaat, de Bevestigingbrief en de Productvoorwaarden) wel deel uitmaken van de KoersPlanovereenkomst, omdat deze vóór het tot stand komen aan de deelnemer ter hand zijn gesteld. Het beroep van eisers op de vernietigbaarheid van de Algemene Voorwaarden op grond van de artikelen 6:233 b, juncto 6:234 lid onder a BW, wordt daarom verworpen.

5.16. Van de KoersPlanovereenkomst maken dan ook in ieder geval de volgende stukken deel uit: Het Inschrijfformulier, de Bevestigingsbrief, het Certificaat en de Algemene Voorwaarden. Daarnaast geldt dat de meeste deelnemers ook de beschikking hebben gehad over de Brochure. Partijen twisten voorts over de vraag of de “Prospectus Spaarkasinschrijvingen” of “de Brochure Spaarkassparen” onderdeel uitmaken van de KoersPlanovereenkomst. Gelet op hetgeen partijen hierover naar voren hebben gebracht, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Spaarbeleg heeft immers niet gesteld dat de Prospectus en/of de Brochure standaard werden toegezonden aan iedere (potentiële) deelnemer van het KoersPlan. Zij heeft weliswaar gesteld dat de rechtbank ervan uit moet gaan dat de Prospectus wel deel uitmaakt van de overeenkomst, omdat de Stichting dit zelf onder paragraaf 80 van de dagvaarding gesteld heeft, maar nu dit klaarblijkelijk niet zou overeenstemmen met de werkelijke gang van zaken, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daar komt bij dat zowel de bedoelde Prospectus als de Brochure slechts informatie verschaffen over jaarkassparen in het algemeen en niet specifiek over de KoersPlanovereenkomst. Nu in de overige stukken die van de KoersPlanovereenkomst deel uitmaakten niet verwezen wordt naar de Prospectus Spaarkasinschrijvingen of de Brochure Spaarkassparen, of de inhoud daarvan van toepassing wordt verklaard op het KoersPlan, gaat de rechtbank ervan uit dat deze stukken geen deel uitmaken van de KoersPlanovereenkomst.

Geen wilsovereenstemming over de hoogte van de premie

5.17. Voor de beoordeling van de vraag of voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie door Spaarbeleg in de jaren 1989 tot en met 1998 een contractuele grondslag heeft bestaan, is dan ook van belang wat hierover in het Inschrijfformulier, de Bevestigingsbrief, het Certificaat en de Algemene Voorwaarden is vermeld, waarbij de rechtbank verwijst naar de passages uit deze stukken zoals geciteerd in de rechtsoverwegingen 3.2. tot en met 3.47.

5.18. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de hoogte van een eventueel in te houden overlijdensrisicopremie door Spaarbeleg niet is vermeld in de bij haar bekende voorbeelden van Inschrijfformulieren, Bevestigingsbrieven, Certificaten en Algemene Voorwaarden en dat wilsovereenstemming over de hoogte van de premie op basis van de informatie in deze stukken dus niet kan worden aangenomen. Dit lijdt overigens uitzondering in het geval van het overgelegde Inschrijfformulier van [eiseres sub 4], waarop bij de individuele beoordeling van haar vordering wordt teruggekomen.

5.19. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat zij de hoogte van de overlijdensrisicopremie weliswaar niet expliciet heeft vermeld, maar dat deze voor de wederpartij wel op eenvoudige wijze te berekenen was door het aantal beleggingseenheden op het Certificaat te vermenigvuldigen met het in de Algemene Voorwaarden bij de definitie van “beleggingseenheden” vermelde bedrag en dit af te zetten tegen de daadwerkelijk betaalde maandelijkse inleg. Het aldus verkregen verschil betreft de premie die werd ingehouden voor de overlijdensrisicoverzekering, zo stelt Spaarbeleg.

5.20. De rechtbank volgt Spaarbeleg niet in dit betoog. In de eerste plaats omdat Spaarbeleg in de door haar verstrekte informatie nergens deze berekeningswijze van de premie aan haar wederpartij heeft geopenbaard en niet verwacht kan worden dat deze uit zichzelf begrijpt dat de hoogte van een eventueel in te houden premie op die wijze te achterhalen zou zijn. In de tweede plaats heeft Spaarbeleg zelf erkend dat deze berekening alleen was uit te voeren met toepassing van een herleidingstabel, die alleen bij haar bekend was en waarover haar wederpartijen geen beschikking hadden.

Consequentie van het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie

5.21. Nu vaststaat dat tussen partijen bij de KoersPlanovereenkomsten die in de jaren 1989-1998 zijn afgesloten geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van een eventueel door Spaarbeleg in te houden overlijdensrisicopremie, dient te rechtbank te beoordelen wat de consequentie van het ontbreken van deze wilsovereenstemming dient te zijn.

5.22. Eisers hebben betoogd dat de consequentie dient te zijn dat de ten onrechte ingehouden (want niet overeengekomen) overlijdensrisicopremie alsnog (met terugwerkende kracht) belegd dient te worden. Zij hebben daarbij als uitgangspunt genomen dat het KoersPlanproduct is op te splitsen in twee afzonderlijke, van elkaar onafhankelijke overeenkomsten, waarvan de overlijdensrisicoverzekering er één is. Nu over één van de essentialia van de overlijdensrisicoverzekering, te weten de hoogte van de premie, geen wilsovereenstemming bestaat, moet deze overeenkomst geacht worden niet tot stand te zijn gekomen en is de premie-inhouding zonder enige contractuele grondslag geschied, zo betogen eisers.

5.23. De rechtbank volgt eisers niet in dit betoog, omdat het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt dat de KoersPlanovereenkomst bestaat uit twee afzonderlijke, van elkaar onafhankelijke overeenkomsten, geen steun vindt in de tekst van de overeenkomst. Uit de definitie van de KoersPlanovereenkomst in de door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden in de in het geding zijnde periode volgt immers dat deze beschouwd moet worden als één overeenkomst, die meerdere verbintenissen doet ontstaan, waaronder het doen van een uitkering door Spaarbeleg in geval van overlijden van de deelnemer. Gelet op deze definitie was het in ieder geval de bedoeling van Spaarbeleg om één – ondeelbare – overeenkomst aan te gaan. De deelnemers, voor wie deze definitie kenbaar was, hadden dit ook niet anders kunnen begrijpen.

5.24. Spaarbeleg heeft betoogd dat, ook al is de hoogte van de premie niet expliciet genoemd in de stukken die deel uitmaken van de KoersPlanovereenkomst, er wel een contractuele grondslag voor het inhouden van een premie bestond, nu uit deze stukken duidelijk blijkt dat een overlijdensrisicodekking deel uitmaakt van het KoersPlan en uit de Algemene Voorwaarden volgt dat een overlijdensrisicopremie zou worden ingehouden. Nu de inhoud van de overeenkomsten per jaar verschilt, zal de rechtbank dit verweer van Spaarbeleg per in geding zijnd jaar beoordelen.

Contractuele grondslag voor het inhouden van een premie?

1989

5.25. Op basis van de tekst van de Algemene Voorwaarden die in 1989 door Spaarbeleg zijn gehanteerd, is de rechtbank van oordeel dat voornoemd verweer van Spaarbeleg (voor KoersPlanovereenkomsten die op basis van deze Algemene Voorwaarden zijn gesloten) in ieder geval niet opgaat. De rechtbank overweegt daartoe in de eerste plaats dat in de Brochures weliswaar melding wordt gemaakt van een uitkering bij overlijden, maar niet dat deze uitkering wordt gedaan op grond van een overlijdensrisicoverzekering waarvoor een premie verschuldigd is. Uit de term “ingebouwde overlijdensrisicodekking” kan dit niet zonder meer worden afgeleid. Niet ondenkbaar is immers dat een uitkering bij overlijden wordt gedaan, zonder dat daar een overlijdensrisicoverzekering met premiebetalingsverplichting aan ten grondslag ligt.

5.26. Uit de tekst van de Algemene Voorwaarden kan evenmin worden afgeleid dat de deelnemer aan het KoersPlan een premie diende te betalen voor een van het KoersPlan deel uitmakende overlijdensrisicoverzekering en dat Spaarbeleg deze premie mocht inhouden op de door de deelnemer te betalen inleg. Onder artikel 1 sub b van deze Algemene Voorwaarden staat weliswaar dat uit de overeenkomst voor Spaarbeleg (mede) de verplichting bestaat om in geval van overlijden van de verzekerde vóór een in de polis bepaalde datum te haren laste één of meer uitkeringen te doen, maar de term “polis” wordt nergens in de voorwaarden gedefinieerd, terwijl niet gesteld of gebleken is dat in 1989 door Spaarbeleg een polis is verstrekt. De premiebetalingsverplichting kan evenmin worden afgeleid uit de zinsnede in dit artikel “op grond van de gelijktijdig afgesloten verzekering (de verzekering)”, nu de daarin gebruikte term “verzekering” niet nader is gedefinieerd, terwijl “verzekerde” is gedefinieerd als “de persoon op wiens leven de Spaarbelegovereenkomst is gesloten”.

5.27. Voorts wordt in artikel 6 van de Algemene Voorwaarden 1989 wel bepaald dat spaarstortingen én premies verschuldigd zijn, maar ook hiervoor geldt dat de term “premie”, noch “spaarstorting” wordt gedefinieerd en dat uit de overige tekst van de Algemene Voorwaarden op geen enkele wijze blijkt waarvoor die premies dan verschuldigd zouden zijn, laat staan dat die premie door Spaarbeleg op de door de deelnemer te betalen inleg zou worden ingehouden. Datzelfde geldt voor het bepaalde in artikel 18 van de Algemene Voorwaarden waarin staat dat Spaarbeleg is gehouden krachtens de verzekering tegen betaling van de overeengekomen premie bij overlijden van de verzekerde de overeengekomen uitkering te doen. Nu ook hier geldt dat de termen “premie” en “verzekering” niet zijn gedefinieerd en de premie op grond van de andere bepalingen in de Algemene Voorwaarden niet geacht kan worden te zijn overeengekomen, is de rechtbank van oordeel dat ook deze zinsnede in de Algemene Voorwaarden onvoldoende is om bij de wederpartij een verplichting in het leven te roepen om een premie te betalen, die vervolgens door Spaarbeleg ingehouden mocht worden op de inleg van de deelnemer. Dat uit de Algemene Voorwaarden wel is af te leiden dat bij overlijden van de deelnemer door Spaarbeleg een uitkering wordt gedaan, brengt evenmin met zich mee dat hierdoor ook automatisch een premiebetalingsverplichting voor de deelnemer ontstaat.

5.28. Ook op het Certificaat wordt niets vermeld over de verschuldigdheid van een overlijdensrisicopremie, laat staan over de hoogte daarvan. In de Bevestigingsbrief, die gelijktijdig met het Certificaat is verstuurd, is met betrekking tot de verschuldigdheid van een premie of de hoogte daarvan evenmin iets vermeld, terwijl dat, gelet op het kopje: “Belangrijke punten van de overeenkomst” wel in de rede had gelegen.

5.29. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank dan ook (vooralsnog) tot de conclusie dat in de KoersPlanovereenkomsten waarop de Algemene Voorwaarden van 1989 van toepassing zijn, geen contractuele grondslag aanwezig is voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op het maandelijks door de deelnemers te betalen bedrag en dat Spaarbeleg deze premie aldus ten onrechte heeft ingehouden.

5.30. Voor zover Spaarbeleg heeft willen betogen dat haar wil erop was gericht om een overlijdensrisicoverzekering deel uit te laten maken van de KoersPlanovereenkomst en zij, bij gebreke aan wilsovereenstemming hierover, de KoersPlanovereenkomst niet zou zijn aangegaan, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de wijze van totstandkoming van de KoersPlanovereenkomsten doet Spaarbeleg een aanbod tot het aangaan van een KoersPlanovereenkomst door toezending van de reeds genoemde stukken, waaronder de Algemene Voorwaarden. Een dergelijk aanbod is te kwalificeren als een rechtshandeling, die ingevolge artikel 3:33 BW een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard, vereist. Indien de wil van Spaarbeleg er al op gericht is geweest om een overlijdensrisicopremie in te houden op de inleg van de deelnemers aan het KoersPlan, dan heeft deze wil, zoals in het voorgaande is overwogen, zich niet door een verklaring geopenbaard. Deze discrepantie tussen wil en verklaring dient echter, gelet op de omstandigheden van het geval, voor rekening van Spaarbeleg e blijven en kan door haar niet tegengeworpen worden aan de deelnemers van het KoersPlan. Spaarbeleg is immers een professionele partij, die zelf het KoersPlan heeft ontwikkeld en in de markt gezet en daarom ook alle zeggenschap heeft gehad over de wijze waarop zij dit product en de daaruit voortvloeiende verplichtingen presenteerde. Spaarbeleg heeft er om haar moverende redenen voor gekozen om de verplichting tot het betalen van een overlijdensrisicopremie in zeer bedekte termen en alleen in haar algemene voorwaarden op te nemen, terwijl zij ook voor een andere vorm had kunnen kiezen, die niet voor misverstanden vatbaar was. Nu de wijze waarop Spaarbeleg dit in haar Algemene Voorwaarden 1989 heeft gedaan, door de rechtbank onvoldoende wordt geacht om een premiebetalingsverplichting voor de wederpartij in het leven te roepen, dienen de gevolgen van dit oordeel voor rekening van Spaarbeleg te blijven, in die zin dat Spaarbeleg er niet op had mogen vertrouwen dat er bij haar wederpartij wilsovereenstemming bestond over het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de te betalen inleg.

1990

5.31. Met betrekking tot de Algemene Voorwaarden 1990, is de rechtbank van oordeel dat hieruit evenmin kan worden afgeleid dat de deelnemer een premie verschuldigd is ten behoeve van een, van de KoersPlanovereenkomst deel uitmakende, overlijdensrisico-verzekering. In deze Algemene Voorwaarden is de definitie van “inleg” toegevoegd, en vermeld dat de inleg bestaat uit spaarstortingen en premies. Nu de termen “premie” en “spaarstorting” niet zijn gedefinieerd, is echter volstrekt onduidelijk waarvoor een premie verschuldigd is. Ook hier geldt dat Spaarbeleg, die er zelf voor gekozen heeft om het aanbod tot het sluiten van de KoersPlanovereenkomst op deze wijze te formuleren, er op basis van deze formulering niet op mocht vertrouwen dat haar wederpartij, bij het aanvaarden van het aanbod, de wil had om eveneens de ingebouwde overlijdensrisicoverzekering met bijbehorende premiebetalingsverplichting te aanvaarden.

Hoewel de Algemene Voorwaarden 1990 ten opzichte van die van 1989 enigszins verbeterd zijn, acht de rechtbank dit onvoldoende om op basis van deze Algemene Voorwaarden een contractuele grondslag voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie aan te nemen.

5.32. Het bovenstaande brengt met zich dat de vordering van de Stichting onder 1., voor zover betrekking hebbend op KoersPlanovereenkomsten waarop de Algemene Voorwaarden 1989 en 1990 van toepassing zijn, in beginsel voor toewijzing gereed ligt, nu uit het voorgaande blijkt dat in deze jaren inderdaad de Algemene Voorwaarden geen contractuele grondslag boden voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de inleg, terwijl Spaarbeleg deze premie wel heeft ingehouden. Spaarbeleg is in de nakoming van haar verplichtingen uit de KoersPlanovereenkomsten waarop de Algemene Voorwaarden 1989 en 1990 van toepassing waren dan ook toerekenbaar tekort geschoten, omdat zij bij de uitvoering van deze KoersPlanovereenkomsten een deel van de inleg niet heeft belegd, terwijl zij dat wel had moeten doen. Dit oordeel luidt slechts anders, indien zou komen vast te staan dat tussen Spaarbeleg en een individuele deelnemer wél wilsovereenstemming bestond over het inhouden van een premie en de hoogte daarvan. Op deze uitzondering wordt in het onderstaande, bij de beoordeling van de vordering van [eiseres sub 4], nader ingegaan.

5.33. Spaarbeleg heeft gesteld dat er wel een contractuele grondslag was voor het inhouden van de overlijdensrisicopremie bij de uitvoering van de KoersPlanovereenkomst van [eiseres sub 4], waarop de Algemene Voorwaarden 1990 van toepassing zijn. Spaarbeleg heeft daartoe verwezen naar het door [eiseres sub 4] in 1990 ondertekende Inschrijfformulier (rechtsoverweging 3.11.), waarop een tweetal bedragen staan geschreven, te weten een bedrag bij “inleg” en een (lager) bedrag bij “spaarstorting”, terwijl daaronder is vermeld “de definitieve premievaststelling geschiedt door het hoofdkantoor”. Spaarbeleg heeft betoogd dat [eiseres sub 4] op grond van dit Inschrijfformulier had kunnen en moeten begrijpen dat niet haar gehele inleg zou worden belegd, maar dat een deel van de inleg zou worden ingehouden als premie en dat [eiseres sub 4] daarmee, door ondertekening van het formulier heeft ingestemd.

5.34. Dit verweer slaagt. Uit het inschrijfformulier van [eiseres sub 4] volgt inderdaad dat niet de gehele inleg zou worden belegd, maar slechts een deel daarvan. [eiseres sub 4] moet geacht worden daarmee te hebben ingestemd, nu zij haar handtekening op dit formulier heeft gezet en geen gebruik heeft gemaakt van de drie maanden bedenktijd na ontvangst van de Algemene Voorwaarden. Hieruit volgt dat [eiseres sub 4] als individuele eiseres in deze procedure geen beroep kan doen op het ontbreken van een contractuele grondslag voor het inhouden (en dus niet beleggen) van de overlijdensrisicopremie. Evenmin kan zij een beroep doen op het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van deze premie, nu de hoogte blijkt uit het verschil tussen de inleg en de spaarstorting, in casu FL.71,64 per kwartaal.

5.35. Het bovenstaande brengt met zich mee dat de vordering onder 1., voor zover die door [eiseres sub 4] is ingesteld, niet kan worden toegewezen. De rechtbank vraagt zich daarnaast af welke gevolgen dit oordeel ten aanzien van [eiseres sub 4] dient te hebben voor de vordering van de Stichting in de collectieve actie. Immers, het thans vaststaande feit dat in ieder geval bij één deelnemer aan het KoersPlan in 1990 wél wilsovereenstemming bestond over het inhouden van een premie én de over de hoogte daarvan, staat aan toewijzing van de vordering van de Stichting onder 1., zoals die thans is geformuleerd, in de weg. De rechtbank kan geen verklaring voor recht geven dat er voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie door Spaarbeleg geen contractuele grondslag bestond, nu vast is komen te staan, dat die contractuele grondslag in ieder geval bij één deelnemer (en wellicht bij meer) wel degelijk aanwezig was. Nu partijen zich hierover nog niet hebben kunnen uitlaten, zal de rechtbank hen daartoe in de gelegenheid stellen. Spaarbeleg dient zich daarbij in ieder geval uit te laten over de periode waarin Inschrijfformulieren als het onderhavige werden gebruikt en een indicatie te geven hoeveel deelnemers op basis van een Inschrijfformulier als het onderhavige een KoersPlanovereenkomst hebben afgesloten.

1991-1998

5.36. Vanaf 1991 zijn de Algemene Voorwaarden door Spaarbeleg zodanig aangepast dat hieruit naar het oordeel van de rechtbank wel is af te leiden dat een overlijdensrisicoverzekering onderdeel uitmaakte van de KoersPlanovereenkomst en dat de deelnemer voor deze verzekering een premie verschuldigd was, die door Spaarbeleg zou worden ingehouden op de door hem te betalen inleg. Immers, in artikel 1 van de Algemene Voorwaarden wordt vanaf dit jaar de term “verzekeringspremie” gedefinieerd en wordt daarbij melding gemaakt van de overlijdensrisicodekking ten behoeve waarvan deze premie wordt ingehouden. Ook wordt vanaf 1991 in de Algemene Voorwaarden uit de definities van “inleg”, in combinatie met de definities van “spaarstorting”en “premie”, verduidelijkt dat de verzekeringspremie op de inleg in mindering wordt gebracht. Door toevoeging van de definities van spaarstorting en premie, had een potentiële deelnemer, bij lezing van de Algemene Voorwaarden kunnen begrijpen dat zijn inleg voor een deel zou worden aangewend als spaarstorting ten behoeve van de beleggingskas- of fonds en dat een deel zou worden aangewend als premie voor de overlijdensrisicodekking. Nu de inhoud van de KoersPlanovereenkomst mede wordt bepaald door de inhoud van de Algemene Voorwaarden, volgt hieruit in beginsel dat de overlijdensrisicoverzekering deel uitmaakt van de overeenkomst tussen Spaarbeleg en de deelnemer aan het KoersPlan en dat er voor het inhouden van een dergelijke premie wel een contractuele grondslag bestond.

Conclusie ten aanzien van de jaren 1991-1998

5.37. Uit het bovenstaande volgt dat in de KoersPlanovereenkomsten waarop de Algemene Voorwaarden 1991-1998 van toepassing zijn wel een contractuele grondslag bestond voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie, maar geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte daarvan.

Consequentie van het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie

5.38. Zoals reeds onder rechtsoverweging 5.23. is overwogen, volgt de rechtbank eisers niet in hun redenering dat de KoersPlanovereenkomst bestaat uit twee overeenkomsten. Zij volgt eisers evenmin in hun betoog dat de consequentie van het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie dient te zijn dat de als premie ingehouden bedragen alsnog door Spaarbeleg belegd dienen te worden, zeker niet nu de overeenkomst wel voorziet in het inhouden van een premie. De rechtbank is wel met eisers van oordeel dat de hoogte van de door de deelnemer te betalen overlijdensrisicopremie een van de essentialia is van de KoersPlanovereenkomst en dat het Spaarbeleg niet vrij stond om eenzijdig de hoogte van de premie vast te stellen.

5.39. De rechtbank is van oordeel dat indien het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie al het bestaansrecht van de overeenkomst aantast, zoals eisers betogen, dit niet alleen geldt voor de ingebouwde overlijdensrisicodekking, maar voor de gehele KoersPlanovereenkomst. De consequentie van die gedachtegang zou dan zijn dat de KoersPlanovereenkomsten, wegens het ontbreken van wilsovereenstemming over één van de essentialia hiervan, achteraf gezien niet tot stand zijn gekomen en dat alle handelingen van zowel Spaarbeleg als van de deelnemers ter uitvoering van deze overeenkomst, niet op grond van een geldige titel zijn verricht.

5.40. Gelet op het feit dat partijen zich over deze mogelijke consequentie van het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie niet hebben uitgelaten en de vorderingen van eisers hier evenmin op zien, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om zich hierover bij akte nader uit te laten.

5.41. De rechtbank merkt op dat het ontbreken van overeenstemming over één van de essentialia van een overeenkomst blijkens de – schaarse – rechtspraak op dit terrein overigens niet zonder meer tot gevolg behoeft te hebben dat de overeenkomst (achteraf bezien) niet tot stand is gekomen, met alle gevolgen van dien. Zeker in een geval als het onderhavige, waarin wél wilsovereenstemming bestaat over het inhouden van een overlijdensrisicopremie, maar alleen níet over de hoogte daarvan, kan de rechter deze aldus ontstane leemte opvullen door de hoogte van de premie vast te stellen, uiteraard met inachtneming van de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen.

5.42. De rechtbank merkt op dat deze laatste mogelijkheid haar vooralsnog het meest gerede voorkomt. Zij zal partijen in staat stellen zich ook hierover nader uit te laten, waarbij zij eisers tevens opdraagt om – indien deze optie ook hen het meest gerede voorkomt – aan te geven wat dit naar hun mening voor consequentie dient te hebben voor de door hen ingestelde vorderingen onder 1. en 3. jegens Spaarbeleg. Tevens verzoekt de rechtbank partijen om hun standpunt naar voren te brengen over de wijze waarop de hoogte van de in te houden overlijdensrisicoverzekering in redelijkheid door de rechtbank vastgesteld dient te worden en welke uitgangspunten daarbij dienen te worden gehanteerd. Voorts wordt aan partijen uitdrukkelijk verzocht in te gaan op de omstandigheid dat Spaarbeleg, in overleg met de Ombudsman Verzekeringen, de hoogte van de overlijdensrisicopremie in 2005 met terugwerkende kracht heeft gemaximeerd op 17% van de inleg en met ingang van 1 januari 2006 op 15,3% van de inleg (zie rechtsoverweging 2.9.). Vooral de Stichting dient gemotiveerd te onderbouwen waarom naar haar mening de hoogte van de premie, ook na deze aanpassing daarvan, nog steeds onredelijk hoog is. De onderbouwing die zij reeds onder punt 79 van haar conclusie van repliek heeft gegeven, acht de rechtbank onvoldoende.

5.43. Ten aanzien van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] overweegt de rechtbank dat bij hen zich eveneens de situatie voordoet dat er wel een contractuele grondslag bestaat voor het inhouden van een premie, maar dat er over de hoogte daarvan geen wilsovereenstemming bestaat. Uit de stukken die van hun KoersPlanovereenkomst deel uitmaken blijkt de hoogte van deze premie immers niet, terwijl door Spaarbeleg niet is gesteld dat hierover op een andere wijze overeenstemming is bereikt. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] dienen zich aldus eveneens uit te laten over wat naar hun mening de consequentie van deze situatie dient te zijn voor hun KoersPlanovereenkomsten met Spaarbeleg. Indien zij opteren voor de tweede optie (aanvulling van deze leemte in de overeenkomst met toepassing van de eisen van redelijkheid en billijkheid) dienen zij tevens (gemotiveerd) hun standpunt kenbaar te maken over de wijze waarop de premievaststelling door de rechtbank dient te geschieden en over de vraag welke betekenis de rechtbank volgens hen mag toekennen aan de eerdere (onder 2.9. vermelde) premieaanpassingen door Spaarbeleg. Indien partijen van mening zijn dat bovenstaande beoordeling van de rechtbank andere gevolgen dan de twee reeds genoemde dienen te hebben, kunnen zij dit in de door hen te nemen aktes eveneens gemotiveerd naar voren brengen.

5.44. De vordering onder 1. met betrekking tot [eiseres sub 4] zal, zoals onder rechtsoverweging 5.35. reeds is overwogen, worden afgewezen, zodat zij zich niet nader behoeft uit te laten.

Overige stellingen en verweren met betrekking tot de vordering onder 1.

5.45. Partijen hebben met betrekking tot het onder 1. gevorderde nog enkele stellingen opgeworpen die in het bovenstaande nog niet in de beoordeling van de rechtbank zijn betrokken. De rechtbank overweegt ten aanzien van die stellingen als volgt.

5.46. Eisers hebben aangevoerd dat Spaarbeleg een polis had moeten verstrekken voor de overlijdensrisicoverzekering, waarin de hoogte van de premie was vermeld en dat Spaarbeleg, nu zij dit niet heeft gedaan, wanprestatie heeft gepleegd, waardoor de deelnemers schade hebben geleden omdat zij zich daardoor niet hebben georiënteerd op een ander product. Nu eisers echter hebben nagelaten te vermelden wat het rechtsgevolg van deze stelling volgens hen zou moeten zijn en in het petitum geen vordering ter zake hebben ingesteld, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij.

5.47. De stelling van eisers dat Spaarbeleg op grond van artikel 31 Derde Richtlijn levensverzekering 1993 voor het sluiten van de overeenkomst inlichtingen had dienen te verschaffen over de premies, maakt – indien al juist – het bovenstaande oordeel niet anders, zodat de rechtbank ook daar niet nader op in zal gaan.

5.48. Spaarbeleg heeft nog aangevoerd dat in de geding zijnde periode 1989-1998 nog niet dezelfde eisen werden gesteld ten aanzien van transparante informatieverschaffing door verzekeraars. Het is de rechtbank niet duidelijk of Spaarbeleg dit verweer ook wenst aan te voeren tegen de vordering van eisers onder 1, of slechts tegen de onder 2. ingestelde vordering. Gelet op het feit dat het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering onder 1. gegrond is op het algemene verbintenissenrecht en dan in het bijzonder op de regels ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van overeenkomsten, en deze regels – ook in de in het geding zijnde periode – van kracht waren, kan dit betoog van Spaarbeleg in ieder geval niet tot een ander oordeel leiden.

5.49. De rechtbank zal iedere overige beslissing over het onder 1. gevorderde aanhouden, in afwachting van hetgeen partijen in de door hen te nemen aktes nog wensen aan te voeren.

Vordering 2: misleidende berekeningen

5.50. In de onder 2. ingestelde vordering hebben eisers een verklaring voor recht gevorderd dat Spaarbeleg in de verstrekte Brochures, Inschrijfformulieren, Certificaten en Algemene Voorwaarden in de periode 1989 tot en met 1994 misleidende c.q. foutieve berekeningen heeft opgenomen en in de periode na 1995 (de rechtbank begrijpt tot en met 1998) misleidende berekeningen heeft opgenomen ter zake de (eind)rendementen bij de KoersPlanovereenkomsten.

5.51. Uit de stellingen die eisers aan deze vordering ten grondslag hebben gelegd begrijpt de rechtbank dat zij deze baseren op artikel 6:194 BW. Zij hebben ter onderbouwing van hun stelling dat Spaarbeleg in strijd met het bepaalde in dit artikel heeft gehandeld, meerdere verwijten aan het adres van Spaarbeleg gemaakt, die in het onderstaande beoordeeld zullen worden.

5.52. Eisers hebben in de eerste plaats aan Spaarbeleg verweten dat zij in het door haar verstrekte informatiemateriaal geen melding heeft gemaakt van het feit dat een overlijdensrisicopremie zou worden ingehouden op het inlegbedrag en dat dit op zichzelf reeds misleidend is. Echter, blijkens de bewoordingen in het petitum van de vordering onder 2, vorderen eisers alleen een verklaring voor recht ten aanzien van de misleidendheid en/of onjuistheid van de door Spaarbeleg opgenomen berekeningen terzake de te behalen (eind)rendementen in de Brochures, Inschrijfformulieren, Certificaten, Algemene Voorwaarden en in alle overige verstrekte informatie. De vordering ziet derhalve niet op eventuele misleidendheid of onjuistheid van mededelingen over het KoersPlan. De rechtbank dient zich in haar beoordeling dan ook te beperken tot de vraag of de berekeningen terzake de te behalen (eind)rendementen in het genoemde informatiemateriaal misleidend en/of onjuist zijn geweest. Op stellingen van eisers betreffende misleidende mededelingen in het informatiemateriaal, zal de rechtbank dan ook niet inhoudelijk ingaan.

5.53. Ter verduidelijking van de overige stellingen van partijen ten aanzien van dit geschilpunt, merkt de rechtbank op dat Spaarbeleg zich voornamelijk in de Brochures heeft uitgelaten over de te behalen rendementen met het KoersPlan. Het betrof in deze Brochures steeds zogenaamde “nettorendementen”, waaronder (volgens de uitleg in de Brochure) begrepen moet worden het rendement dat resteerde na aftrek van alle kosten. Dit geldt zowel voor de door Spaarbeleg gepresenteerde voorbeeldkapitalen na afloop van de KoersPlanovereenkomst (prognoses), als voor de door Spaarbeleg gepresenteerde in het verleden gerealiseerde rendementen.

Ten aanzien van de prognoserendementen is de rechtbank van oordeel dat de berekening en de resultaten daarvan, gelet op de gebruikte netto-methode, niet als misleidend kan worden aangemerkt. Indien gerekend wordt met een nettorendement van 10%, dan betreft dit immers een eenvoudige rekensom, waarin op een bepaalde inleg een jaarlijkse stijging van 10% wordt toegepast. Dat een dergelijke prognose in feite niets zegt over het benodigde brutorendement om een rendement van 10% te behalen, moge zo zijn, op zichzelf is dit niet misleidend. Door eisers is dat overigens ook niet betoogd.

5.54. Het vermelden van in het verleden behaalde rendementen als nettorendement kan onder omstandigheden wel misleidend zijn. Immers, om tot dit nettorendement te komen, dienen behaalde bruto-rendementen uit het verleden omgerekend te worden naar nettorendementen, aldus het rendement na aftrek van alle kosten. Indien Spaarbeleg bij de berekening van deze netto in het verleden behaalde rendementen ofwel van onjuiste bruto-rendementen is uitgegaan, ofwel niet of onvolledig de op dit brutorendement ingehouden kosten heeft meegenomen, kan dit tot de conclusie leiden dat deze gepresenteerde nettorendementen foutief of zelfs misleidend berekend zijn. Eisers hebben aan Spaarbeleg verweten dat zij in de door haar gepresenteerde berekeningen is uitgegaan van onjuiste gerealiseerde bruto-rendementen én dat zij de ingehouden kosten op deze bruto rendementen onjuist heeft berekend.

5.55. Ten aanzien van dit laatste verwijt aan Spaarbeleg, hebben eisers in eerste instantie betoogd dat Spaarbeleg ten onrechte bij de berekening van de nettorendementen geen rekening heeft gehouden met de ingehouden overlijdensrisicopremie. De rechtbank heeft echter geconstateerd dat in het aanvullend rapport van Capital Consult is vermeld dat Spaarbeleg met het inhouden van een overlijdensrisicopremie wél rekening heeft gehouden bij het berekenen van de rendementen. Nu eisers dit rapport zelf in het geding hebben gebracht en zich op de juistheid daarvan hebben beroepen, kan de rechtbank deze stelling van de Stichting niet plaatsen en gaat zij daaraan voorbij.

5.56. Eisers hebben voorts betoogd dat Spaarbeleg in de gepresenteerde in het verleden gerealiseerde rendementen is uitgegaan van verkeerd berekende bruto-rendementen. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers verwezen naar de twee rapporten van Capital Consult. Nu uit het tweede rapport van Capital Consult naar voren komt dat in het eerste rapport uitgangspunten zijn gehanteerd die – nadat Spaarbeleg op dit rapport commentaar had geleverd – niet bleken te kloppen, is dit eerste rapport voor de beoordeling van de geschilpunten door de rechtbank niet bruikbaar. De rechtbank zal dan ook enkel acht slaan op het tweede rapport, voor zover de inhoud hiervan niet door Spaarbeleg is betwist.

5.57. Voorts stelt de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misleidende mededelingen als bedoeld in artikel 6:194 BW voorop dat, gezien de uitspraak van Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 juli 1998, C-210/96 (NJ 2000, 374), moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument. De verwijten die eisers aan Spaarbeleg maken hebben betrekking op de berekening van rendementen die in het verleden behaald zijn. Hoewel het aannemelijk is dat een consument zijn besluit om al dan niet deel te nemen aan het KoersPlan mede op deze in het verleden behaalde rendementen heeft gebaseerd, wordt een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument ook geacht te weten dat in het verleden behaalde rendementen geen garantie bieden voor de toekomst.

5.58. Bij de beoordeling van de door eisers aan Spaarbeleg gemaakte verwijten houdt de rechtbank ook rekening met het (door Spaarbeleg ook aangevoerde) feit dat in de jaren 1989-1998 aan aanbieders van financiële producten ten aanzien van de wijze van berekening van voorbeeldrendementen geen of minder hoge eisen werden gesteld dan thans het geval is. Vaststaat dat de eisen waaraan gepresenteerde voorbeeldrendementen dienen te voldoen gedurende die periode, maar zeker nog daarna, zijn aangescherpt en de toetsing daarvan kan uiteraard niet plaatsvinden op basis van maatstaven die destijds niet golden.

5.59. Met inachtneming van bovengenoemde uitgangspunten zal de rechtbank in het onderstaande de verwijten van eisers aan het adres van Spaarbeleg met betrekking tot de door eisers gestelde misleidende berekeningen beoordelen.

Gehanteerde rekenmethode en uitgangspunten

5.60. Spaarbeleg heeft erkend dat in de Brochures van 1989 tot en met 1994 voorbeeldkapitalen zijn gepresenteerd die onjuist zijn, omdat deze berekend zijn over 15,5 jaar en niet over 15 jaar, zoals in de Brochure is vermeld. Volgens Spaarbeleg is deze afwijking echter zo minimaal, dat niet geoordeeld kan worden dat deze voorbeeldkapitalen een misleidend karakter hebben. De rechtbank is van oordeel dat de Stichting, die blijkens haar statuten slechts de belangen behartigt van die personen die stellen schade te hebben geleden door de handelwijze van Spaarbeleg bij het aanbieden of uitvoeren van de KoersPlanovereenkomsten, op zijn minst aannemelijk had dienen te maken dat de onjuist berekende voorbeeldkapitalen in de Brochures in de jaren 1989-1994 schade hebben veroorzaakt voor een af te bakenen groep personen, bijvoorbeeld door gemotiveerd te onderbouwen dat deze personen de KoersPlanovereenkomst niet waren aangegaan als de berekeningen wel juist waren geweest. Nu zij dat heeft nagelaten, ziet de rechtbank niet in welk belang de Stichting heeft bij een verklaring voor recht ten aanzien hiervan. Hetzelfde geldt voor [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiseres sub 4], die evenmin hebben onderbouwd welk belang zij hebben bij een verklaring voor recht dat om deze reden de Brochure van Spaarbeleg misleidend was.

5.61. Dit gebrek aan belang bij de vordering doet zich tevens gelden met betrekking tot de verwijten van eisers over de door Spaarbeleg gehanteerde berekeningswijze van de brutorendementen tot 1997. Wat er ook zij van de vraag of Spaarbeleg deze rendementen had moeten berekenen volgens de historische, de rekenkundige of de meetkundige methode, eisers maken niet duidelijk welk belang zij hebben bij een beoordeling van de rechter over dit geschilpunt. Niet gesteld of aannemelijk geworden is immers dat deelnemers aan het KoersPlan de overeenkomst niet zouden zijn aangegaan indien Spaarbeleg bij de berekening van de voorbeeldrendementen een andere berekeningswijze zou hebben gehanteerd.

5.62. Nu uit het rapport van Capital Consult is gebleken dat Spaarbeleg de door haar gepresenteerde eindrendementen heeft berekend volgens een bepaalde methodiek en dat zij deze methodiek over de grote lijn ook consequent heeft toegepast, voorts niet gesteld of gebleken is dat deze methodiek (ook al is er volgens eisers een betere) naar de destijds geldende maatstaven absoluut niet door de beugel kon, en voorts Spaarbeleg geen garantie heeft gegeven dat deze in het verleden gerealiseerde rendementen ook in de toekomst gehaald zouden worden, zal de rechtbank de verwijten ten aanzien van de gehanteerde methodiek niet inhoudelijk beoordelen.

5.63. De rechtbank gaat om dezelfde reden voorbij aan de stelling van eisers dat Spaarbeleg is uitgegaan van brutorendementen die zijn behaald in de jaren 1970 tot en met 1997, die opmerkelijk hoger zijn dan die van de MSCI Wereldindex. Nu Spaarbeleg in haar Brochures ook niet vermeldt dat zij laatstgenoemde index als uitgangspunt heeft genomen en eisers niet hebben onderbouwd waarom Spaarbeleg had moeten aansluiten bij deze index, kan dit verwijt niet als grond dienen voor het oordeel dat Spaarbeleg de deelnemers aan het KoersPlan heeft misleid.

Onduidelijkheid maatman

5.64. Eisers hebben voorts betoogd dat de door Spaarbeleg voorgerekende eindrendementen zogenaamde nettorendementen betroffen, te weten na aftrek van alle kosten, doch dat Spaarbeleg heeft verzuimd om te vermelden dat het brutorendement dat nodig was om het door Spaarbeleg voorgerekende nettorendement te kunnen realiseren, afhankelijk is van de looptijd van de overeenkomst en het geslacht en de leeftijd van de deelnemer. Volgens eisers had Spaarbeleg dit bij de door haar gepresenteerde berekeningen dienen te vermelden en had zij niet bij haar deelnemers de indruk mogen wekken dat de volgens de Brochures te behalen nettorendementen voor iedere deelnemer gelijk waren.

5.65. Spaarbeleg heeft erkend dat het te behalen nettorendement met het KoersPlan afhankelijk was van verschillende factoren, te weten de leeftijd en het geslacht van de deelnemer, alsmede de looptijd van het KoersPlan en dat hierin grote verschillen konden bestaan. Zij heeft tevens erkend dat zij bij de berekening van de gepresenteerde voorbeeldrendementen steeds is uitgegaan van een zogenaamde “maatman” en dat zij de uitkomst van de berekeningen (in ieder geval tot en met 1994) heeft gepresenteerd als geldend voor iedereen die deelnam aan het KoersPlan, terwijl voor bijvoorbeeld mannen die ouder waren dan de maatman ten tijde van het afsluiten van het KoersPlan, een veel hoger brutorendement nodig was om hetzelfde nettorendement te behalen. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat zij vanaf 1995 wel in haar Brochures vermeldde wat het uitgangspunt bij de berekening van het rendement was geweest. Zie bijvoorbeeld de Brochure van 1995 waar bij de voorbeeldrendementen staat vermeld: “Uitgangspunt hierbij is een gemiddeld KoersPlan (een 35-jarige man die gedurende 20 jaar f. 1.000,- per jaar inlegt)”.

5.66. De rechtbank is van oordeel dat Spaarbeleg in de wijze waarop zij de voorbeeldrendementen in haar informatiemateriaal heeft gepresenteerd, ten onrechte de indruk heeft gewekt dat het te verwachten nettorendement voor alle deelnemers gelijk was en dat dus ook de kosten voor alle deelnemers even hoog waren, terwijl juist de hoogte van de door Spaarbeleg in te houden overlijdensrisicopremie substantieel hoger kon zijn dan waarvan bij de maatman was uitgegaan. Dit oordeel geldt ook ten aanzien van de informatie die sinds 1995 (en tot en met 1998) is verstrekt, nu Spaarbeleg daar weliswaar bij de voorbeeldrendementen heeft vermeld dat zij bij de berekening daarvan is uitgegaan van een 35-, of 30-jarige man met een KoersPlanovereenkomst voor de duur van 20 jaar, maar daarbij er niet op heeft gewezen dat deze factoren van invloed waren op de hoogte van het te behalen rendement.

5.67. De rechtbank acht dit verzwijgen misleidend in de zin van artikel 6:194 BW, in ieder geval ten opzichte van die personen bij wie door Spaarbeleg een hogere overlijdensrisicopremie werd ingehouden dan bij de maatman het geval was. Gelet op de grote verschillen in de hoogte van de overlijdensrisicopremie die Spaarbeleg in rekening bracht, acht de rechtbank aannemelijk dat door deze misleidende berekeningen bij deze niet-maatmannen schade is ontstaan, nu zij wellicht niet voor het KoersPlan zouden hebben gekozen indien Spaarbeleg hen erop had gewezen dat zij een aanzienlijk hoger brutorendement moesten halen om hetzelfde nettorendement als de maatman te verwerven. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat voor deze groep personen de gevorderde verklaring voor recht in beginsel toewijsbaar is.

5.68. Het bovenstaande zou slechts anders zijn indien de negatieve gevolgen van de misleiding inmiddels zouden zijn weggenomen door de productaanpassingen door Spaarbeleg. Bij de berekening van de voorbeeldrendementen is Spaarbeleg, zoals reeds opgemerkt, uitgegaan van een maatman. Bij deze berekening heeft Spaarbeleg dus rekening gehouden met een overlijdensrisicopremie die zij destijds inhield op de inleg van een 35-jarige, en later (vanaf 1996) een 30-jarige man. Indien de onder 2.9 genoemde productaanpassingen en het met terugwerkende kracht verlagen van de overlijdensrisicopremie tot gevolg hebben gehad dat de huidige overlijdensrisicopremie, ook in het ongunstigste geval, niet hoger is dan de destijds door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie voor de maatman, dient de conclusie immers te luiden dat het nadeel dat ten gevolge van de misleiding is ontstaan, inmiddels is weggenomen. Datzelfde geldt in het geval waarin de rechtbank de hoogte van de overlijdensrisicopremie naar redelijkheid en billijkheid zou gaan vaststellen. Indien deze vaststelling tot gevolg heeft dat de premie die uiteindelijk wordt bepaald zelfs in het ongunstigste geval lager, of in ieder geval even hoog is dan de premie die destijds bij de maatman in rekening werd gebracht, is immers ook het door de misleiding ontstane nadeel weggenomen. In beide gevallen is niet aannemelijk dat de misleiding schade heeft veroorzaakt en dient de vordering van de Stichting, die alleen opkomt voor personen die schade hebben geleden, te worden afgewezen. Partijen wordt verzocht zich ook over dit punt nog nader uit te laten. De rechtbank zal iedere beslissing aanhouden.

5.69. Ten aanzien van [eiser sub 3], [eiser sub 2] en [eiseres sub 4] zal de rechtbank de vordering afwijzen. Spaarbeleg heeft gemotiveerd betoogd dat zij – gelet op hun leeftijd –niet afweken van de maatman ten tijde van het aangaan van de KoersPlanovereenkomst, zodat ten aanzien van hen de berekening van de voorbeeldrendementen niet misleidend kan worden geacht en zij hebben dit niet betwist.

De vordering onder 3.

5.70. Gelet op de onderlinge samenhang tussen hetgeen onder 1. en 3. is gevorderd, zal de rechtbank iedere beslissing op deze laatste vordering aanhouden in afwachting van hetgeen partijen in de door hen te nemen aktes naar voren wensen te brengen. Ook voor het overige houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

6. De beslissing

6.1. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 juli 2007 voor het nemen van een akte, door eisers als eerste, waarbij eisers zich dienen uit te laten over hetgeen in de rechtsoverwegingen 5.35., 5.39., 5.40., 5.41, 5.42., 5.43. en 5.68 is vermeld.

6.2. Meer concreet dient de Stichting zich uit te laten over haar standpunt ten aanzien van de vragen:

a. wat naar haar mening de consequentie dient te zijn van de overweging van de rechtbank onder rechtsoverweging 5.35. voor haar (ontvankelijkheid wat betreft haar) vorderingen in de collectieve actie onder 1.en 3.,

b. of het ontbreken van wilsovereenstemming ten aanzien van de hoogte van de overlijdensrisicopremie ofwel tot gevolg moet hebben dat de KoersPlanovereenkomsten achteraf bezien nooit tot stand zijn gekomen (rechtsoverweging 5.39. en 5.40.), ofwel dat de hoogte van de premie door de rechtbank met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid dient te worden vastgesteld (rechtsoverweging 5.41.en 5.42.), ofwel een ander, nog niet door de rechtbank overwogen, gevolg dient te hebben;

c. of de negatieve gevolgen van de misleiding inmiddels zijn weggenomen door de onder 2.9. vermelde productaanpassingen, of weggenomen kunnen worden als gevolg van een eventuele premievaststelling door de rechtbank, als overwogen in rechtsoverweging 5.68.

6.3. De Stichting dient bij de beantwoording van de vraag onder 6.2. sub b. tevens aan te geven welke gevolgen haar antwoord heeft voor haar vorderingen onder 1. en 2. (ook in het licht van haar ontvankelijkheid op grond van artikel 3:305a BW) en of zij aanleiding ziet haar eis te vermeerderen of te wijzigen.

6.4. Indien de Stichting zich op het standpunt stelt dat de rechtbank de hoogte van de premie dient vast te stellen, dient zij gemotiveerd aan te geven welke uitgangspunten de rechtbank dient te hanteren bij het vaststellen van de hoogte van een redelijke en billijke overlijdensrisicopremie en waarom zij van oordeel is dat de premie die thans door Spaarbeleg wordt berekend (na de productaanpassingen met terugwerkende kracht) nog steeds onredelijk hoog is (rechtsoverweging 5.42).

6.5. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] dienen eveneens aan te geven of zij zich op het standpunt stellen dat er tussen hen en Spaarbeleg in het geheel geen KoersPlanovereenkomst is overeengekomen, vanwege het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de overlijdensrisicopremie, of dat zij van mening zijn dat de hoogte van de premie door de rechtbank dient te worden vastgesteld, met inachtneming van de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid, of dat zij menen dat dit andere gevolgen dient te hebben. Indien [eiser sub 2] en [eiser sub 3] opteren voor een premievaststelling door de rechtbank dienen zij te vermelden welke uitgangspunten de rechtbank naar hun mening bij deze premievaststelling dient te hanteren, en waarom zij van mening zijn dat de thans door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie nog steeds onredelijk hoog is (rechtsoverweging 5.43).

6.6. Spaarbeleg zal in de door haar te nemen antwoordakte in staat gesteld worden haar standpunt ten aanzien van de overwegingen in 5.35., 5.39., 5.40., 5.41., 5.42., 5.43. en 5.68 te geven en te reageren op hetgeen eisers in hun akte ten aanzien van bovengenoemde onderdelen naar voren brengen. Ook dient Spaarbeleg te onderbouwen waarom zij van mening is dat de thans berekende premies als redelijk kunnen worden beschouwd.

6.7. Spaarbeleg dient tevens inzicht te verschaffen in de hoogte van de premie (als percentage van de inleg) die zij bij de berekening van haar voorbeeldrendementen heeft gehanteerd (de maatman-premie) en daarbij aan te geven of deze hoger of lager is dan de maximale premie die zij na de productaanpassingen met terugwerkende kracht is gaan berekenen (rechtsoverweging 5.68.).

6.8. De Stichting zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om uitsluitend ten aanzien van het onder 6.7. vermelde bij akte te reageren.

6.9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, mr. Ch.E. Bethlem en mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2007.?