Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6279

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
200210/?HA ZA 05-1781
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sprintplan tussenvonnis, geen dwaling, wel schending zorgplicht, uitlaten m.b.t. eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 200210 / HA ZA 05-1781

Vonnis van 30 mei 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. L.J.P. Duijs,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 oktober 2005

- het proces-verbaal van comparitie van 20 december 2005

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan.

2.2. [eiseres] heeft voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een ingevuld inschrijfformulier voor het SprintPlan aan Spaarbeleg verzonden, dat door Spaarbeleg is ontvangen. Spaarbeleg heeft aan [eiseres] een welkomstpakket gestuurd achtereenvolgens bestaande uit een namens Spaarbeleg ondertekend Certificaat (hierna: “het Certificaat”), een exemplaar van de door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden (hierna: “de Algemene Voorwaarden), de Specifieke Bepalingen van het Spaarbeleg GarantieFonds en een brochure over het SprintPlan (hierna: “de Brochure”).

2.3. Maandelijks dient een bedrag van EUR 158,82 (ƒ 350,00) te worden betaald. Aan het einde van de looptijd van het SprintPlan dient het door Spaarbeleg geleende bedrag te worden terugbetaald. Aan het SprintPlan is een Garantiewaarde verbonden. Deze Garantiewaarde garandeert dat de verkoopopbrengst van iedere participatie op de einddatum minimaal gelijk is aan een percentage van de koopprijs die daarvoor bij aanvang is betaald.

2.4. De tekst van de Algemene Voorwaarden luidt voor zover relevant als volgt:

(…) 5.1 Op de aanvangsdatum van een Spaarbeleg SprintPlan-contract worden voor rekening en risico van de Cliënt een aantal (…) Participaties van de desbetreffende serie aangekocht. De Aankoopsom wordt gefinancierd door AEGON Bank, die ervoor zorgt dat de Aankoopsom tijdig aan het AEGON GarantieFonds wordt betaald. De desbetreffende (…) Participaties worden op naam van Stichting AEGON BeleggingsGiro gesteld, die deze voor rekening en risico van de Cliënt gaat houden. Vanaf het moment waarop deze transactie is verricht, is de Cliënt Deelnemer in de desbetreffende Portefeuille.

5.2 Het door de Deelnemer op zijn inschrijfformulier vermelde maandbedrag is rente over de Aankoopsom van de voor hem aangekochte (…) Participaties. (...)

7.1 Bij afloop van het Spaarbeleg SprintPlan-contract van een Deelnemer op een einddatum van de desbetreffende Portefeuille, maken AEGON Bank en Stichting AEGON BeleggingsGiro voor die Deelnemer een eindafrekening op, die binnen twee weken na de einddatum aan de Deelnemer wordt toegezonden. Op de eindafrekening wordt vermeld:

(a) het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de (…) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor Deelnemer houdt, (b) de voor het desbetreffende Spaarbeleg SprintPlan-contract geldende (restant-) Aankoopsom en (c) al hetgeen de Deelnemer alsdan verder nog uit hoofde van zijn Spaarbeleg SprintPlan-contract aan AEGON Bank verschuldigd mocht zijn. Het saldo van de eindafrekening is het bedrag van de onder (a) bedoelde post, verminderd met het gezamenlijke bedrag van de onder (b) en (c) bedoelde posten. (...)

7.3 Indien het in artikel 7.1 bedoelde saldo van de eindafrekening negatief mocht zijn, is de Deelnemer verplicht tot bijbetaling van dit saldo aan AEGON Bank. (...)

9.3 Alle voor- en nadelen verbonden aan Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro voor een Deelnemer houdt, zijn voor rekening en risico van de desbetreffende Deelnemer. (…)

2.5. De tekst van het Certificaat luidt voor zover relevant als volgt:

“ (...)

ingangsdatum : 03-07-2000

einddatum : 30-06-2005

Maandbedrag : f 350,00

Belegd bedrag : f 52.500,00

Belegd in : Spaarbeleg GarantieFonds juli 00/05

Rente : 8,00% (...)

Garantiewaarde: f 52.500,00

(...)”

2.6. In de Brochure is onder andere de volgende tekst opgenomen:

(...) Op basis van het gekozen maandbedrag, schiet Spaarbeleg direct een groot bedrag voor. (...) Makkelijk en aantrekkelijk is bovendien, dat u geen kennis van beleggen hoeft te hebben. De beleggingsexperts van AEGON beheren het AEGON GarantieFonds. (...)

Het werkt heel eenvoudig. Uw maandbedrag is een vergoeding (rente) voor het bedrag dat Spaarbeleg u voorschiet. Hoe lager die rente is, hoe groter het bedrag dat we u kunnen voorschieten. Door de lage rente van dit moment (8%) gaat er direct een groot bedrag voor u aan de slag! En daar profiteert u optimaal van omdat het rendement op dit voorgeschoten bedrag volledig voor u is. Het bedrag wordt belegd in het AEGON GarantieFonds. Na 5 jaar wordt de waarde van deze belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag.(...)

Maar misschien nog interessanter: het GarantieFonds biedt u de garantie dat het voorgeschoten bedrag na 5 jaar nooit in waarde kan dalen. U loopt dus alleen risico over uw rentebetalingen. (…)

Stel u doet mee voor f 250,- per maand. Op basis van een rente van 8 % wordt direct f 37.500,- voor u belegd in het AEGON GarantieFonds. Het bedrag gaat vanaf dag één volledig voor u renderen. Als de Samengestelde Index 12% per jaar stijgt, is de waarde van de belegging na 5 jaar f 66.088-. Na aftrek van het voorgeschoten bedrag ontvangt u f 28.588,-. (...)

De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. (...) Als de beurs onverwacht tegenvalt, loopt u risico over uw rentebetalingen. (...)

Eerder stoppen kan ook. U krijgt dan de waarde van uw SprintPlan, na aftrek van het voorgeschoten bedrag en 5% boeterente, uitgekeerd. Bij tussentijdse beëindiging komt de garantie op het voorgeschoten bedrag te vervallen.(…)

2.7. [eiseres] heeft gedurende de looptijd van de overeenkomst 57 maandtermijnen aan Spaarbeleg betaald, in totaal EUR 9.052,74. Aan het einde van de looptijd is geen restschuld voor [eiseres] ontstaan.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I : primair:

de overeenkomst vernietigt en Spaarbeleg veroordeelt tot terugbetaling van EUR 9.052,74

subsidiair:

de overeenkomst ontbindt en Spaarbeleg veroordeelt tot terugbetaling van EUR 9.052,74

meer subsidiair:

Spaarbeleg veroordeelt tot betaling van EUR 9.052,47 als schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad

II: te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2004 tot de voldoening

III: te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten van EUR 768,00

IV: met veroordeling van Spaarbeleg in de proceskosten.

3.2. [eiseres] heeft - kort samengevat - aan haar primaire vordering ten grondslag gelegd dat zij heeft gedwaald ten aanzien van de aard van het product SprintPlan. [eiseres] dacht dat de overeenkomst een spaarproduct betrof. Aan de subsidiaire en meer subsidiaire vordering legt zij ten grondslag dat Spaarbeleg haar zorgplicht ten opzichte van [eiseres] heeft geschonden door na te laten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst inlichtingen in te winnen bij [eiseres] omtrent haar financiële positie, beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Dit resulteert in een toerekenbare tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad. Voorts lag het op de weg van Spaarbeleg om [eiseres] te informeren over de risico’s van het product, hetgeen zij heeft nagelaten.

3.3. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

dwaling

4.1. [eiseres] beroept zich primair op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling. Zij heeft gesteld dat Spaarbeleg haar niet op adequate wijze heeft ingelicht om mogelijke dwaling te voorkomen. [eiseres] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Spaarbeleg niet althans onvoldoende heeft voldaan aan haar informatieplicht, welke is neergelegd in artikel 24 Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 (hierna: BTE), artikel 33 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 en bijlagen (hierna: NR 1999) en in artikel 7.5 van bijlage 7 bij de NR 1999. Zij heeft aangevoerd dat de ontvangen informatie er niet op duidde dat de overeenkomst iets anders behelsde dan een spaarproduct. Omtrent de aard van het product had Spaarbeleg duidelijker moeten zijn. De daarmee gepaard gaande risico’s zijn niet objectief weergegeven. Uit de Brochure heeft [eiseres] niet anders begrepen dan dat het SprintPlan een spaarproduct betrof waarop zij in het slechtste geval geen rendement zou maken. Zij heeft niet met geleend geld willen beleggen of rente willen betalen. [eiseres] heeft slechts willen sparen. [eiseres] dacht dat het SprintPlan een vorm van sparen betrof, waarmee eventueel rendement kon worden behaald namelijk indien de waarde van de aandelen uitstijgt boven het ingelegde bedrag aan spaargeld. Zij veronderstelde dat het risico van beleggen door de garantiewaarde werd afgedekt. Spaarbeleg heeft de risico’s te optimistisch voorgesteld. Logischerwijs heeft [eiseres] zich gebaseerd op de informatie uit de brochure en niet zozeer op de inhoud van de overeenkomst. Zij heeft dan ook geen aanleiding gezien de overeenkomst te lezen. Nu [eiseres] is afgegaan op de onjuiste of onvolledige informatie van Spaarbeleg, komt de dwaling niet voor haar rekening.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] uit de door Spaarbeleg verstrekte informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de Brochure in combinatie met de Algemene Voorwaarden had [eiseres] kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van haar participaties zou kopen in het Aegon GarantieFonds. In de Algemene Voorwaarden staat immers met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor haar gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn (zie overweging 2.4). In de Brochure is bovendien onder meer opgenomen dat het maandbedrag een vergoeding (rente) is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts is in de Brochure expliciet vermeld dat risico wordt gelopen over de rentebetalingen.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat voor zover [eiseres] in die zin heeft gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst dat zij dacht dat het een spaarproduct was, zij deze dwaling aan zichzelf heeft te wijten en niet aan de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie. Op grond van de verstrekte informatie had [eiseres] kunnen begrijpen dat de kans bestond dat zij de maandelijkse rentebetalingen (door haar aangeduid als “inleg”) zou verliezen. De risico’s zijn daarmee voldoende aangeduid. Dat Spaarbeleg in het informatiemateriaal in plaats van “rente” ook termen bezigt als “maandbedrag” en “inleg” en in plaats van “lening” spreekt van het “voorgeschoten bedrag”, doet daaraan niet af. Indien [eiseres] na oplettende bestudering twijfel had over de precieze inhoud van het SprintPlan of indien door de gehanteerde termen verwarring was ontstaan, had het op haar weg gelegen zich hierover nader te informeren.

4.4. De omstandigheid dat [eiseres] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst slechts een folder en de brochure heeft gelezen is een omstandigheid die zij niet aan Spaarbeleg kan tegenwerpen. Het is immers de keuze van [eiseres] geweest niet alle aan haar verstrekte informatie te lezen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom Spaarbeleg verantwoordelijk zou zijn voor de keuze van [eiseres] de door haar ondertekende overeenkomst en de bijbehorende Algemene Voorwaarden niet te lezen.

Uit het bovenstaande volgt dat de primaire vordering van [eiseres] strekkende tot vernietiging van het SprintPlan wegens dwaling wordt afgewezen.

zorgplicht

4.5. Ten aanzien van het beroep van [eiseres] op schending van de zorgplicht door Spaarbeleg, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2003, JOR 2003, 199, heeft overwogen dat op een bank een bijzondere zorgplicht rust om niet-professionele beleggers te informeren over de risico's van het product, en in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285 heeft overwogen “dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Deze zorgplicht – die naar zijn aard strekt tot bescherming van de (potentiële) cliënt tegen het gevaar van zijn eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht – vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de contractuele verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen.

4.6. De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 december 2004 (NJ 2005, 60), onder meer herhaald in haar vonnis van 4 januari 2006 (NJ 2006, 152) aangegeven dat de omvang van de zorgplicht wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten, het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer.

De rechtbank heeft in het laatstgenoemde vonnis in dit verband onder meer overwogen:

“(…) dat de rechtbank van oordeel is dat mede gelet op de risico's van het SprintPlan Spaarbeleg niet kon volstaan met het alleen verstrekken van informatie. Door Spaarbeleg is naar aanleiding hiervan betoogd dat het SprintPlan een veilig product is met zeer beperkte risico's. Tot deze stelling komt Spaarbeleg onder meer omdat, anders dan bij andere aandelenlease-producten, de deelnemer aan het SprintPlan niet met een restschuld kan worden geconfronteerd. Zelfs bij tussentijdse verlaging of beëindiging van een SprintPlan blijft, volgens Spaarbeleg, de omvang van de risico's beperkt.

Naar het oordeel van de rechtbank lijkt Spaarbeleg hiermee te miskennen, dat een en ander onverlet laat dat het SprintPlan ook in het geval er geen tussentijdse verlaging of beëindiging plaatsvindt, het verlies van de betaalde rente ook als risico valt aan te merken. Hierbij geldt dat tussentijdse verlaging of beëindiging als zodanig het risico niet beperkt, nu de mogelijkheid blijft bestaan dat niettemin de rente over de oorspronkelijk resterende looptijd verschuldigd blijft.

De noodzaak om informatie in te winnen wordt, volgens de rechtbank, nog onderstreept doordat Spaarbeleg zich niet heeft gericht op een gesegmenteerd publiek. Door het product aan te bieden aan een niet gesegmenteerd publiek kan moeilijk worden volgehouden dat het voor Spaarbeleg op voorhand duidelijk kon zijn dat de aan het product verbonden risico's voor alle potentiële deelnemers beperkt waren en het product beantwoordde aan de beleggingsdoelstellingen van alle individuele deelnemers.”

En voorts:

“(…) dat om de aan het product verbonden risico's geheel te kunnen doorgronden de potentiële deelnemer wel de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden dient te combineren en enkele denkstappen dient te maken. Dit betekent dat de professionele aanbieder van het product, die als geen ander de risico's en de omvang daarvan kent, dient te verifiëren of de potentiële deelnemer inderdaad deze denkstappen heeft gemaakt mede in het licht van zijn beleggingsdoelstelling.”

4.7. De rechtbank heeft het zojuist weergegeven oordeel recent nog herhaald in onder meer haar vonnissen van 20 december 2006 (LJN AZ5241) en 10 januari 2007 (LJN AZ6188).

4.8. [eiseres] heeft aangevoerd dat Spaarbeleg haar onvoldoende heeft gewezen op de risico’s van voorts dat Spaarbeleg verzuimd heeft na te gaan wat haar beleggingservaring, financiële positie en beleggingsdoelstelling waren. Indien Spaarbeleg dat wel had gedaan had zij begrepen dat [eiseres] wilde sparen en had zij het aangaan van het SprintPlan moeten ontraden. Ten aanzien van haar omstandigheden ten tijde van het aangaan van de overeenkomst heeft [eiseres] het volgende gesteld.

4.9. Sinds 1995 spaarde [eiseres] bij Spaarbeleg, omdat Spaarbeleg haar de hoogste rente bood. Vanwege het overlijden van haar ouders in respectievelijk 1991 en 1995 kreeg [eiseres] een aanzienlijk geldbedrag tot haar beschikking. In eerste instantie heeft zij dit ondergebracht bij Spaarbeleg. Vervolgens is [eiseres] zich gaan oriënteren op beleggen. Zij heeft daartoe gesprekken gevoerd met een adviseur van de Rabobank en met een adviseur van Van Lanschot Bankiers. [eiseres] heeft gekozen voor een beleggingsportefeuille bij de Rabobank waarin zij de keuze heeft gemaakt voor een risicoloze portefeuille. Haar spaargeld liet [eiseres] bij Spaarbeleg.

In de zomer van 2000 ontving [eiseres] bij haar rekeningafschriften van Spaarbeleg een folder van SprintPlan. Uit de folder begreep [eiseres] dat zij spaargeld zou inleggen dat zij weer terug zou krijgen met een rendement dat in het slechtste geval nihil zou kunnen zijn. [eiseres] heeft daarop het inschrijfformulier ingevuld en opgestuurd en ontving daarop de brochure. Na lezing van de brochure heeft zij aangegeven welk bedrag zij per maand wilde inleggen. Het daarna ontvangen pakket heeft [eiseres] niet meer gelezen.

[eiseres] wilde het geld gebruiken voor wonen, haar gezin en andere duurzame zaken als kunst en antiek. [eiseres] heeft geen lening willen afsluiten waarover rente is verschuldigd. Het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag had zij ook uit haar eigen middelen kunnen betrekken, als zij dat had gewild.

4.10. Vaststaat dat Spaarbeleg de beleggingsdoelstelling, beleggingservaring en financiële positie van [eiseres] niet heeft onderzocht, noch heeft geverifieerd of [eiseres] alle denkstappen had gemaakt om het SprintPlanproduct op haar merites te kunnen beoordelen. Voorts heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat rentebetalingen verloren waren. Aldus heeft Spaarbeleg niet voldaan aan haar zorgplicht.

Zoals de rechtbank in eerdere vonnissen (waaronder voornoemd vonnis van 4 januari 2006) heeft overwogen kon de aanbieder pas na het inwinnen van informatie bij de deelnemer tot de afweging kan komen of zij de deelnemer behoort te weerhouden van het sluiten van de overeenkomst. Door deze informatie niet volledig in te winnen, maar slechts aandacht te schenken aan de vraag of [eiseres] aan haar maandelijkse verplichtingen kon voldoen, heeft Spaarbeleg haar zorgplicht geschonden. Het verweer van Spaarbeleg gaat derhalve niet op.

Schending zorgplicht kwalificeert niet als toerekenbare tekortkoming

4.11. [eiseres] heeft betoogd dat de schending van de zorgplicht door Spaarbeleg gekwalificeerd dient te worden als een toerekenbare tekortkoming en haar subsidiaire vordering strekt tot ontbinding van de overeenkomst. Deze vordering wordt afgewezen. De rechtbank is in haar vonnis van 18 oktober 2006 (LJN: AZ0660) teruggekomen op haar oordeel dat het onrechtmatig handelen kwalificeert als een tekortkoming. De rechtbank heeft in dit verband onder meer overwogen:

“Spaarbeleg heeft in deze zaak uitdrukkelijk verwezen naar de uitspraak van Hof Den Bosch d.d. 5 april 2005 (LJN AT 2375) die specifiek handelt over schending van de zorgplicht door een bank/beleggingsinstelling bij het in de markt zetten van een aandelenleaseproduct. In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat het schenden van de zorgplicht in de precontractuele fase niet kwalificeert als een tekortkoming, maar (enkel) als onrechtmatig handelen. Hoewel de zaak niet handelde over het SprintPlanproduct van Spaarbeleg ziet de rechtbank in deze uitspraak, gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding terug te komen op haar hiervoor weergegeven eerder oordeel dat het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg kwalificeert als een tekortkoming. (…)”

4.12. De rechtbank heeft dit oordeel herhaald in onder meer haar vonnissen van 29 december 2006 ( LJN AZ5241) en 24 januari 2007 (LJN AZ7231). Ook in deze procedure blijft de rechtbank bij het oordeel dat de schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet heeft te gelden als een tekortkoming en zij wijst de vordering tot ontbinding mitsdien af.

Causaal verband, schade en eigen schuld

4.13. De meer subsidiaire vordering van [eiseres] strekt tot het vergoeden van de door haar geleden schade wegens de schending van de zorgplicht. [eiseres] voert aan dat de schade bestaat uit de door haar ingelegde gelden van EUR 9.052,74.

Beoordeeld dient te worden of het causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg voldoende aannemelijk is of de gestelde schade daadwerkelijk is geleden en of er aanleiding is - zoals Spaarbeleg betoogt - een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van [eiseres] te laten.

4.14. Spaarbeleg heeft haar beroep op het ontbreken van enig causaal verband toegelicht met de stelling dat niet is gebleken dat [eiseres] de overeenkomst daadwerkelijk niet zou hebben gesloten als Spaarbeleg meer specifieke informatie had verstrekt en onderzoek had gedaan naar haar de persoonlijke omstandigheden. Volgens Spaarbeleg is immers niet gebleken dat [eiseres] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in een zodanige financiële positie was dat Spaarbeleg haar van het sluiten van de SprintPlanovereenkomst had moeten weerhouden, dat de risico’s beperkt bleven tot de som van de rentebetalingen, dat [eiseres] immer in staat is gebleken deze rentetermijnen te voldoen en dat zij geen restschuld heeft. Volgens Spaarbeleg had [eiseres], ook als Spaarbeleg wel een onderzoek had gedaan naar haar persoonlijke omstandigheden, de overeenkomst ook afgesloten, temeer omdat [eiseres] op grond van het aan haar verstrekte informatiemateriaal in ieder geval bekend mocht worden verondersteld met de kenmerken en risico’s van het SprintPlan.

4.15. Uit hetgeen terzake het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg is overwogen volgt dat Spaarbeleg juist niet uit mocht gaan van de veronderstelling dat de risico’s van het SprintPlan [eiseres] voldoende duidelijk waren, noch zonder meer ervan uit mocht gaan dat het SprintPlan aansloot bij de beleggingsdoelstellingen van [eiseres]. Het enkele feit dat [eiseres] op zichzelf bereid en in staat was de maandelijkse rentebetalingen te doen is derhalve voor de beoordeling van het causaal verband niet van doorslaggevend belang.

Beoordeeld dient te worden of (aannemelijk is dat) de overeenkomst ook zou zijn gesloten indien [eiseres] afdoende bekend was geweest met de aard en omvang van het risico dat de maandelijks door haar te betalen termijnen verloren zouden gaan en/of Spaarbeleg had geïnformeerd naar haar beleggingsdoelstelling.

4.16. [eiseres] heeft gemotiveerd (zie overweging 4.9) aangevoerd dat zij beoogde met de overeenkomst te gaan sparen en aan het einde van de looptijd in ieder geval over het totaal van de maandelijks te betalen bedragen wenste te beschikken. Spaarbeleg heeft deze spaardoelstelling bij gebrek aan wetenschap betwist. Gelet op de inkomens- en vermogenspositie van [eiseres] was geen sprake van een situatie waarin deelname aan het SprintPlan niet moeten worden ontraden, aldus Spaarbeleg.

4.17. Op basis van hetgeen [eiseres] ter onderbouwing van het causaal verband heeft aangevoerd en gezien het gegeven dat aan de onderhavige overeenkomst inherent is dat niet kan worden gegarandeerd dat de deelnemer aan het einde van de looptijd zal beschikken over in ieder geval het totaal van de maandelijks verrichte betalingen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten. De rechtbank passeert derhalve het verweer van Spaarbeleg op dit punt.

4.18. Ten aanzien van de geleden schade overweegt de rechtbank als volgt. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, nu de maandelijkse betalingen contractueel zijn verschuldigd en volgens haar geen gevolg zijn van schending van de zorgplicht. Uit het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende aannemelijk is dat de onderhavige overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten, vloeit echter voort dat de door [eiseres] maandelijks aan Spaarbeleg betaalde bedragen, anders dan Spaarbeleg meent, kunnen worden aangemerkt als schade geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg. Het verweer van Spaarbeleg gaat dan ook niet op.

4.19. Spaarbeleg stelt zich op het standpunt dat [eiseres] zich voldoende rekenschap had moeten geven van de risico’s van het product, door zich te verdiepen in het informatiemateriaal dat Spaarbeleg ter beschikking heeft gesteld. Zij had bij onduidelijkheden nadere informatie moeten inwinnen. Door een en ander niet te doen dient naar de mening van Spaarbeleg de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van [eiseres] te komen. Daar bij komt dat [eiseres] een gunstige vermogenspositie heeft en dat zij slechts een deel van haar vermogen bij Spaarbeleg heeft ondergebracht. Voorts blijkt uit hetgeen [eiseres] heeft verklaard dat zij in verband met te nemen beleggingsbeslissingen eerder al eens bij derden advies heeft ingewonnen. Zij heeft er vervolgens bewust voor gekozen haar geld op verschillende manieren te investeren en in ieder geval een deel van haar vermogen te beleggen. Daaruit mag worden afgeleid dat [eiseres] zich bewust was van het verschil in risicoprofiel tussen sparen en beleggen en bovendien dat zij bereid was om beleggingsrisico’s te nemen, aldus Spaarbeleg.

4.20. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat de deelnemer bij oplettende bestudering van de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie had kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat de deelnemer maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van de deelnemer participaties zou kopen in het AEGON Garantiefonds. Dit geldt evenzeer voor [eiseres]. Het lag dan ook op haar weg zich nader te informeren over de risico’s van het product en de vraag of het product wel aansloot bij haar wensen. Nu zij dit heeft nagelaten en zelfs niet het volledige aan haar ter beschikking gestelde informatiemateriaal heeft bekeken, ziet de rechtbank aanleiding een deel van de schade voor haar rekening te laten.

4.21. Zoals door de rechtbank reeds is overwogen in haar vonnis van 18 oktober 2006 (LJN AZ0660) wordt bij de beoordeling van de eigen schuld vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige – die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten – beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de als gevolg van een schending van de zorgplicht geleden schade in beginsel voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, zodat de deelnemer in beginsel alleen risico loopt ter zake de maandelijkse betalingen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit gegeven er niet toe leidt dat Spaarbeleg er, anders dan bij andere aandelenleaseproducten, op mocht vertrouwen dat de cliënt bereid zou zijn de risico’s van het SprintPlan-product te nemen, juist omdat de informatie met betrekking tot wat dit product nu in de kern inhoudt zo verspreid over de verschillende contractstukken is opgenomen, dat de doorgronding van het product en de risico’s, zoals de rechtbank al meermalen heeft overwogen, de nodige denkstappen vergt, terwijl de stapsgewijze aanbieding van de informatie het gevaar in zich draagt dat relevante informatie niet (meer) zorgvuldig wordt bestudeerd.

4.22. In ieder individueel geval zullen evenwel de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld die van belang zijn voor de verdeling van de vergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW. Voor de verdeling van de vergoedingsplicht kunnen, zoals onder meer in eerdergenoemd vonnis overwogen, de volgende omstandigheden van belang zijn:

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

4.23. Uit de stukken en ter comparitie blijkt dat [eiseres] ten tijde van het sluiten van het SprintPlan minimaal beschikte over een vermogen dat even groot was als het van Spaarbeleg geleende bedrag. [eiseres] geeft immers aan dat zij dit geld uit eigen middelen had kunnen betrekken, als zij dat had gewild (conclusie van repliek, punt 6.). Voorts is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] zich bewust was van het verschil in risico tussen sparen en beleggen. Zij heeft weliswaar gesteld geen beleggingservaring te hebben, maar zij heeft wel op een eerder moment - zij het niet in verband met het SprintPlan - meerdere malen financieel advies ingewonnen naar aanleiding waarvan zij heeft gekozen voor een beleggingsportefeuille.

De omstandigheden weergegeven onder 4.22 zijn niet ter comparitie aan de orde gesteld. Evenmin blijken deze volledig uit het dossier. De rechtbank ziet daarin aanleiding [eiseres] in de gelegenheid te stellen zich daarover alsnog bij akte uit te laten. De inhoud van de akte dient tot die informatie beperkt te zijn. Vervolgens zal Spaarbeleg met in achtneming van eenzelfde termijn de gelegenheid krijgen om uitsluitend daarop bij antwoordakte te reageren.

4.24. Iedere beslissing wordt aangehouden.

4.25. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juni 2007 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 4.22 en 4.23,

5.2. Spaarbeleg zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2007.

w.g. griffier w.g. rechter