Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA5269

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-04-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
SBR 07/404 + 07/922
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat eiseres eerst na afloop van de bezwaartermijn een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend. Ter beantwoording is of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank concludeert dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/404 en SBR 07/922

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2007 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

Hoogvliet B.V.,

gevestigd te Alphen aan de Rijn,

eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 10 april 2007 waarbij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 oktober 2006 niet-ontvankelijk is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan De Alliantie Ontwikkeling (hierna: de vergunninghouder) een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een complex met 56 huurappartementen op de begane grond bedrijfs-/winkelruimten en een ondergrondse stallingsgarage, locatie projectgebied Willem Barentzstraat e.o., gemeente Amersfoort, Kadastrale aanduiding AMF00, sectie G, de nummers 1505, 3887 en 3888 gedeeltelijk (hierna: het perceel). Daarbij is vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

1.2 Het verzoek is op 11 april 2007 ter zitting behandeld, waar namens eiseres zijn verschenen [naam1], projectontwikkelaar en mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Kevelam-Groen en mr. M.L. Plas, werkzaam bij verweerder. Namens de vergunninghouder zijn [naam2], projectmanager, en mr. P.A. Kok, advocaat te Best, ter zitting verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 07/922):

2.3 Ter beoordeling is de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Op 12 mei 2005 is de aanvraag bouwvergunning door verweerder ontvangen. Op 18 mei 2005 heeft verweerder hiervan melding gemaakt in De Stadsberichten. In De Stadsberichten van 24 mei 2005 heeft verweerder ten aanzien van dit bouwplan vermeld dat zij voornemens is vrijstelling te verlenen. Eiseres heeft vervolgens gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar zienswijze in te dienen.

2.5 Niet (meer) in geschil is dat op de onderhavige zaak afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2005. Op grond van het overgangsrecht, neergelegd in artikel IV, onder a, is het recht zoals het gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing ten aanzien van besluiten die zijn aangevraagd vóór dat tijdstip.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:43, tweede lid, van de Awb kan de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschieden op dezelfde wijze als waarop overeenkomstig artikel 3:12, eerste en tweede lid, is kennis gegeven van de aanvraag of van het ontwerp van het besluit.

Ingevolge artikel 3:43, derde lid, van de Awb wordt bij de mededeling van een besluit tevens vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

2.6 Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.7 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit van verweerder van 20 oktober 2006 gelet op de inhoud daarvan, zich uitsluitend richt tot de aanvrager (vergunninghouder), zodat op verweerder ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb alleen de verplichting rustte om het besluit aan de aanvrager bekend te maken. Dit betekent dat tegen het besluit van 20 oktober 2006 tot en met 1 december 2006 bezwaar kon worden gemaakt.

2.8 De stelling van eiseres dat verweerder haar het besluit op grond van artikel 3:43 en 3:44, eerste lid, sub b, van de Awb, zoals deze bepalingen luidde tot 1 juli 2005, had moeten toezenden, treft geen doel. Immers, in onderhavig situatie is artikel 3:43 van de Awb van toepassing en uit dat artikel volgt niet dat het besluit ook aan eiseres had moeten worden toegezonden. Artikel 3:44 van de Awb, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2005, is in onderhavige situatie niet van toepassing nu dit ziet op besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.5 van de Awb.

2.9 Niet in geschil is dat eiseres eerst na afloop van de bezwaartermijn - bij brief van 30 januari 2007 - een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend. Ter beantwoording is of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

2.10 Eiseres heeft aangevoerd dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De publicatie heeft volgens haar op incorrecte wijze plaatsgehad. Door slechts te vermelden dat een reguliere bouwvergunning is verleend, heeft verweerder niet op correcte wijze de zakelijke inhoud van het besluit gepubliceerd. Daarenboven is de bouwvergunning in de onjuiste rubriek geplaatst. De publicatie van de verleende vrijstelling had plaats moeten vinden in de rubriek “Wet op de Ruimtelijke Ordening” van de Stadsberichten. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WRO dienen de voorgeschreven eisen ter zake van de ter inzage legging en kennisgeving daarvan als minimale waarborgen voor rechtzoekenden te worden beschouwd, waarvan een strikte naleving noodzakelijk is, aldus eiseres.

2.11 Vaststaat dat in Amersfoort NU, in de rubriek Stadberichten, een huis-aan-huisblad dat ook via internet te raadplegen is, van 25 oktober 2006, onder het kopje verleende reguliere bouwvergunningen, het volgende is vermeld: Willem Barentzstraat e.o.

het bouwen van een complex met 56 huurappartementen, bedrijfs-/winkelruimten en een ondergrondse parkeergarage, blok g 986407 20-10-2006

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee heeft voldaan aan de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 3:43 in samenhang met artikel 3:12 van de Awb. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate de zakelijke inhoud van het besluit is weergegeven, nu uit de tekst volgt waarvoor een bouwvergunning is verleend.

2.12 Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de bouwvergunning in de onjuiste rubriek is geplaatst en vermelding van de vrijstelling ten onrechte achterwege is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat hieraan geen doorslaggevende betekenis toekomt. Nu in onderhavige situatie het verlenen van een bouwvergunning niet mogelijk was zonder vrijstelling, impliceert de vermelde verlening van een bouwvergunning tevens de verlening van een vrijstelling. Bovendien is voor de mogelijkheid van het instellen van bezwaar de bouwvergunning leidend. De door eiseres aangehaalde uitspraken zien niet op publicatie van een vrijstelling en leiden derhalve niet tot een andere conclusie.

2.13 Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiseres dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat het hoofdkantoor van eiseres niet is gevestigd in Amersfoort en dat eiseres niet verweten kan worden dat zij geen kennis heeft genomen van de publicatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In dat verband acht de rechtbank van belang dat verweerder eiseres bij brief van 9 augustus 2006 er op heeft gewezen dat de bouwvergunning zal worden gepubliceerd in Amersfoort NU, zodra Gedeputeerde Staten van Utrecht (GS) hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen vrijstelling en vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend. Bij schrijven van 3 oktober 2006 is eiseres over de afgifte van de verklaring van geen bezwaar geïnformeerd. Eiseres had derhalve bedacht moeten zijn op publicatie van het besluit tot verlening van de vrijstelling en bouwvergunning in Amersfoort NU en kon niet in de veronderstelling verkeren dat dat besluit haar zou worden toegezonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met voormelde publicatie voldaan aan de op haar rustende verplichting daartoe en was het aan eiseres om deze in de gaten te houden. Overigens wijst de rechtbank er op dat eiseres een vestiging heeft in Amersfoort en dat zij via dat filiaal geïnformeerd had kunnen worden over de publicatie.

2.14 Ten aanzien van de stelling van eiseres dat de bevoegdheid tot het niet-ontvankelijk verklaren een discretionaire bevoegdheid betreft en verweerder een belangenafweging had moeten maken alvorens een beslissing over de ontvankelijkheid te nemen, overweegt de rechtbank dat uit artikel 6:11 van de Awb volgt dat niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege dient te blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat verweerder in onderhavige situatie terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het belang van eiseres bij het bezwaar kan alsdan geen reden zijn om eiseres alsnog te ontvangen in bezwaar.

2.15 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 07/404):

2.16 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. H.L.M. Obispo-van Rooijen mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.