Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA5177

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
16/600491-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dood door schuld onder invloed van alcohol en voorlopige hechtenis (Raadkamerbeschikking).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/600491-07

BESCHIKKING IN HOGER BEROEP

De arrondissementsrechtbank te Utrecht, in raadkamer vergaderd;

gelet op het hoger beroep van de officier van justitie in dit arrondissement van 2 mei 2007, ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 1 mei 2007 tot schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak tegen de verdachte

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende te [adres, woonplaats].

Gelet op het tegen de verdachte verleende bevel tot bewaring van 1 mei 2007 en op het bevel tot schorsing van de bewaring per gelijke datum;

gehoord de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman;

1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 1 mei 2007 om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van diezelfde datum. Hij heeft mede aan de hand van een overgelegde memorie van appel ter zitting in raadkamer het volgende aangevoerd:

- de bewaring van verdachte is door de rechter-commissaris bevolen op grond van het gevaar voor recidive;

- de grond van een geschokte rechtsorde is door de rechter-commissaris niet opgenomen vanwege de omstandigheid dat het onderhavige strafbare feit, hoewel zeer ernstig, geen feit betreft waarop een gevangenisstraf van 12 jaren of meer is gesteld;

- de rechtsorde is, gelet op de ernst en omstandigheden van het geval wel degelijk geschokt;

- uit de processtukken blijkt niet dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte dusdanig zijn dat deze moeten prevaleren boven het maatschappelijke belang bij opheffing van de schorsing van verdachte.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank derhalve vorenbedoelde beschikking te vernietigen.

2. De feiten

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank bestaan er ernstige bezwaren tegen verdachte met betrekking tot het volgende:

- verdachte is als bestuurder van een auto betrokken bij een eenzijdig ongeval op 28 april 2007;

- daarbij is een inzittende om het leven gekomen;

- verdachte had, voordat hij ging rijden, alcohol gedronken;

- verdachte heeft na het ongeval een bloedproef geweigerd.

3. De overwegingen van de rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft de bewaring van verdachte gelast en geoordeeld dat ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en/of waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

De rechter-commissaris heeft dat oordeel gebaseerd op de aard van het ongeval en de omstandigheden waaronder dat was begaan.

Vervolgens heeft de rechter-commissaris om redenen gelegen in de persoon van verdachte het gegeven bevel bewaring geschorst ingaande 1 mei 2007.

4. Overwegingen van de rechtbank

Het standpunt van de officier van justitie is juist. Uit de bestreden beschikking blijkt namelijk slechts dat de rechter-commissaris termen aanwezig heeft geacht de bevolen bewaring te schorsen.

Toch brengt deze constatering naar het oordeel van de rechtbank niet mee, dat de rechter-commissaris een in dit geval onjuiste beslissing heeft genomen. Dat oordeel berust op het volgende.

Hoewel het zeer wel voorstelbaar is dat de wetgever een misdrijf als het onderhavige had kunnen bedreigen met een maximale gevangenisstraf van 12 jaren of meer – dit soort misdrijven veroorzaken doorgaans een grote schok in de maatschappij – heeft de wetgever de maximaal op te leggen straf beperkt tot 9 jaren.

Voor wat de gronden voor toepassing van de voorlopige hechtenis betreft heeft deze keuze van de wetgever tot gevolg dat de voorlopige hechtenis alleen kan worden gebaseerd op – kort gezegd – het recidivegevaar. Zoals de rechter-commissaris – op vordering van de officier van justitie – ook heeft gedaan.

Uit het dossier blijkt dat verdachte nooit eerder wegens alcomobilisme met politie of justitie in aanraking is geweest. Bovendien blijkt uit het dossier dat de verdachte is getroffen door de gevolgen van zijn verwerpelijke gedrag. De kans dat verdachte dus opnieuw in de nabije toekomst een dergelijk misdrijf zal begaan, lijkt daarom naar ervaringsregels niet bijster groot.

Toch valt deze kans niet geheel uit te sluiten. Immers heeft verdachte, die taxichauffeur van beroep is, bewust gekozen om alcohol te gaan drinken en vervolgens de keuze gemaakt om met medeneming van twee personen, in zijn auto te gaan rijden terwijl hij zich bewust was van zijn strafwaardig handelen en om die reden ook naar zijn eigen zeggen zich aan de voorgeschreven snelheden heeft gehouden om niet op te vallen.

In het hierboven omschreven spanningsveld – de zeer grote ernst van het vermoedelijk begane misdrijf, de vraag of er in dit geval wel een wettelijke grond is de voorlopige hechtenis te bevelen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte – heeft de rechter-commissaris naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een juiste afweging gemaakt.

De door de rechter-commissaris bevolen voorlopige hechtenis is immers een signaal naar de samenleving dat aan dit soort delicten zwaar wordt getild en naar verdachte een krachtig signaal dat alcomobilisme uit den boze is, op straffe van gehecht worden.

Weliswaar ligt dan een schorsing niet voor de hand, maar gegeven de vraag of in casu wel gronden aanwezig zijn heeft de rechter-commissaris terecht in dit geval het persoonlijk belang van verdachte zwaarder laten wegen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

BESCHIKKENDE:

Wijst het hoger beroep van de officier van justitie af.

Bekrachtigt de beslissing van de rechter-commissaris van 01 mei 2007 tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gedaan te Utrecht op 15 mei 2007 door mr. E.F. Bueno, voorzitter, en mrs. P.M.E. Bernini en A.J. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer als griffier.