Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4996

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
SBR 07-0620, 07-0621, 07-0629 en 07-0630
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing sloopvergunning ivm. onvoldoende belangenafweging bij besluitvorming. Ruimtelijke onderbouwing voldoet niet aan de daaraan in dit geval te stellen eisen. Onduidelijkheid omvang bouwwerk. Voldoende parkeerruimte? Motivering. Schorsing bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 07/620, 07/621, 07/629 en 07/630

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2007

inzake

[ve[naam],

wonende te Rhenen,

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen,

verweerder.

Inleiding

1.1 De verzoeken hebben betrekking op het besluit van verweerder van 7 maart 2007 waarbij verweerder aan de Rhenense Woningstichting, Binnenhof 9 te Rhenen (hierna: vergunninghouder) een sloopvergunning heeft verleend voor het slopen van de gebouwen Stationsweg 16 en 18 te Rhenen, alsmede een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning heeft verleend voor het realiseren van een appartementengebouw met 9 appartementen met bergingen op het perceel Stationsweg 16 tot en met 16b, 18 tot en met 18e te Rhenen.

1.2 De verzoeken zijn op 1 mei 2007 ter zitting behandeld, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. P.A. Faber, gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Kun en ing. K. Blaauw- van Herpt, beiden werkzaam bij de gemeente Rhenen. Namens vergunninghouder is verschenen M.J. Lodder, bijgestaan door mr. C.A. Hage, advocaat te Ede.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Sloopvergunning

2.3 Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Rhenen (hierna: de Bouwverordening), is, voor zover hier van belang, het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 8.1.1, derde lid, van de Bouwverordening, verbinden burgemeester en wethouders aan de sloopvergunning slechts voorschriften over:

a. de veiligheid tijdens het slopen;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;

c. (…)

In artikel 8.1.6, aanhef en onder a, van de Bouwverordening is bepaald dat een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. (…)

2.4 Verzoeker [naam] heeft aangevoerd dat verweerder bij het verlenen van de sloopvergunning geen rekening heeft gehouden met het feit dat zijn woning enkele muren deelt met het te slopen pand en dat er geen afspraak is gemaakt over de wijze waarop de sloop zal worden uitgevoerd, zodat hem niet duidelijk is in hoeverre en op welke wijze rekening is gehouden met zijn belangen.

2.5 De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat een sloopvergunning alleen kan worden geweigerd op één van de in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening genoemde gronden en dat alleen de daarin genoemde belangen bij de belangenafweging kunnen worden betrokken. De voorzieningenrechter verwijst voor dit uitgangspunt naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het betreffende artikel dat is gebaseerd op de tekst uit de Modelbouwverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (onder meer de uitspraken van 12 januari 2005, www.rechtspraak.nl, LJN: AS2158 en 4 mei 2006, www.rechtspraak.nl, LJN: AX0742). De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verweerder bij het verlenen van de sloopvergunning geen aandacht heeft besteed aan het belang van verzoekers voor zover deze in verband kunnen worden gebracht bij één van de in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening genoemde belangen. Het bestreden besluit geeft daarvan in ieder geval geen blijk. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat vergunninghouder met verzoekers zal overleggen over de feitelijke gang van zaken rond de sloop van de panden Stationsweg 16 en 18 in Rhenen. Vergunninghouder heeft dit ter zitting bevestigd. Hoewel de voorzieningenrechter overleg tussen partijen toejuicht, laat dit onverlet dat verweerder bij het verlenen van de sloopvergunning inzicht dient te geven in hoeverre en op welke wijze de belangen van verzoekers bij de belangenafweging zijn betrokken. Zo heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de bescherming van de woning van verzoeker [naam]. Gelet op het voorgaande is er voldoende aanleiding om de sloopvergunning te schorsen tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift.

Bouwvergunning en vrijstelling

2.6 Het perceel heeft in het geldende bestemmingsplan “Cuneralaan I”, vastgesteld door de raad van de gemeente Rhenen op 28 september 1982, de bestemming “Bijzondere doeleinden (BD)”. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de voor maatschappelijke-, medische-, culturele- en andere bijzondere doeleinden benodigde hoofdgebouwen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken, parkeerterreinen, speelterreinen en tuinen. Blijkens de aanduiding op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart mag de hoogte van het hoofdgebouw niet meer bedragen dan 8,50 meter.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de planvoorschriften. Om deze strijdigheid op te heffen heeft verweerder een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door Gedeputeerde Staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van Gedeputeerde Staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. In artikel 19, eerste lid, van de WRO is hierover bepaald: onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben op 4 juli 2006 de circulaire Artikel 19 WRO (hierna: de circulaire) vastgesteld, die op 1 september 2006 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 3.1.2. van de bij deze circulaire behorende (limitatieve) lijst kunnen burgemeester en wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor realisering, verandering, vervanging en uitbreiding van woningen / woongebouwen, ongeacht de maatvoering tot een maximum van 100 woningen in de hoofdkernen van de gemeenten Utrecht, Amersfoort, Veenendaal, Woerden, Houten en Nieuwegein en een maximum van 30 in de overige kernen.

De voorzieningenrechter is van oordeel hier sprake is van een situatie die is bedoeld in artikel 3.1.2 van de Circulaire en waarin met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend. Ten aanzien van de vraag of verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.7 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bouwplan, voor zover in de ruimtelijke onderbouwing daarover inzicht is gegeven, vanwege de omvang en situering niet een geringe inbreuk maakt op de planologische situatie. Naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie ingrijpender is, dienen zwaardere eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. Naar voorlopig oordeel is de vrijstelling in dit geval niet voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de locatie gelegen op de hoek van de Stationsweg en de Duistereweg. De Stationsweg is slechts aan de zuidzijde bebouwd en wordt gekenmerkt door vrijstaande bebouwing met een divers karakter. De bouwtijd en verschijningsvormen van de woningen zijn verschillend. De Duistereweg wordt aan de westzijde gevormd door aaneengesloten bebouwing, bestaande uit vooroorlogse arbeiderswoningen. Aan de oostzijde staat lossere bebouwing. De straat loopt richting de Rijn sterk af, waardoor de bebouwing op de locatie aan de Stationsweg opvalt. Voor het hele gebied geldt dat de hoogte van het maaiveld sterk varieert. De bebouwingshoogte langs de Stationsweg ligt tussen de 7 en 10 meter, de huizen hebben meestal twee lagen met een kap. Langs de Duistereweg is de hoogte van de bebouwing lager, de rijwoningen hebben één laag met kap en een hoogte van ongeveer 6 meter.

Met betrekking tot de stedenbouwkundige randvoorwaarden heeft verweerder verwezen naar de “Nota uitgangspunten herontwikkeling locatie Stationsweg 16 – 18” (augustus 2003) en “Toetsing bouwplan Stationsweg 16 – 18” opgesteld door Kuiper Compagnons (februari 2005). Deze nota’s bevatten de stedenbouwkundige visie van verweerder op de voorgestane ontwikkeling van het gebied en waarin is aangegeven op welke wijze het bouwplan hier binnen past. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de keuze voor de omvang van het bouwplan ten opzichte van de bebouwing in de directe omgeving echter onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft de ruimtelijke effecten van het bouwplan onvoldoende in kaart gebracht. De voorzieningenrechter acht daarvoor allereerst van belang dat onduidelijk is wat de hoogte is van het gebouw. Ook ter zitting heeft verweerder niet aannemelijk kunnen maken wat de hoogte van het bouwplan is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de bouwhoogte niet heeft kunnen afleiden van schaal van de bouwtekening. De zorgvuldigheid eist dat duidelijk is wat de afmetingen van het bouwwerk zijn.

De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat verweerder in eerdere instantie is uitgegaan van een bouwplan met een beperktere omvang. Op 18 november 2003 heeft verweerder gekozen voor variant B waarbij de appartementen in verschillende woontorentjes met kappen werden vormgegeven en deze gebouwen qua grootte overeen komen met ruime vrijstaande woningen. De torens in deze variant moesten aansluiten op de bestaande bebouwing aan de Stationsweg en de Duistereweg en (daarom) bestaan uit twee lagen en een kap. Bij brief van 27 november 2003 heeft verweerder aan vergunninghouder medegedeeld dat de 9 op te richten appartementen met een oppervlakte van 90 m² in de vorm van 3 woontorentjes qua grootte moeten overeenstemmen met ruime vrijstaande woningen en dat de torentjes die aansluiten bij de bebouwing aan de Stationsweg en de Duistereweg zullen bestaan uit twee lagen met een kap. In 2005 heeft verweerder een ingediende bouwaanvraag getoetst aan de gewenste hoofdopzet die in de nota van uitgangspunten is beschreven. Dit bouwplan wijkt af van de randvoorwaarden van variant B doordat het bouwplan voorziet in twee en een halve laag met kap in plaats van twee lagen met kap.

De voorzieningenrechter is, mede omdat de hoogte van de gebouwen niet duidelijk is, van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de thans voorgestane hoogte aanvaardbaar is in het door hem voorgestane ruimtelijk beleid. De stelling dat de hoogte van het bouwwerk nodig is om voldoende leefruimte te creëren voor 9 appartementen kan niet dienen als motivering dat het bouwwerk passend is in haar omgeving. Vooral nu ook Kuiper Compagnons het huidige bouwplan vanuit stedenbouwkundig oogpunt op de rand van het toelaatbare acht, heeft verweerder daarbij nadrukkelijker moeten motiveren welke ruimtelijke effecten het bouwplan heeft op de omgeving en hoe de belangen van de omwonenden zich daarmee verhouden. Daarbij dient niet voor tweeërlei uitleg vatbaar te zijn in hoeverre het bouwplan verdiept zal worden aangelegd en hoe een en ander zich verhoudt tot de ligging boven N.A.P. en de hoogteverschillen in het maaiveld in de directe omgeving.

2.8 Verzoekers hebben niet zonder reden aangevoerd dat er sprake is van een forse toename van bebouwing tot dicht op de perceelsgrens. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet heeft gemotiveerd hoe het belang van verzoekers bij het behoud van zonlicht, privacy en uitzicht bij het bestreden besluit is betrokken. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met de overweging dat verzoekers een verzoek tot vergoeding van planschade kunnen indienen. Ter zitting heeft verweerder nog betoogd dat de belangenafweging heeft plaatsgevonden bij het opstellen van de stedenbouwkundige voorwaarden in de “Nota uitgangspunten herontwikkeling locatie Stationsweg 16 – 18” (augustus 2003). De voorzieningenrechter merkt daarover echter op dat, nog daargelaten of een belangenafweging kan worden overgelaten aan een stedenbouwkundige, in deze nota niet is aangegeven dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden en om welke redenen de belangen van verzoekers moeten wijken. Verweerder zal moeten motiveren om welke reden het belang van de vergunninghouder bij een woongebouw van deze omvang zwaarder moet wegen dan het belang van verzoekers bij behoud van hun huidige woongenot. Verweerder zal daarbij in aanmerking moeten nemen dat de vergunninghouder ook de keuze heeft minder appartementen in het woongebouw te realiseren.

2.9 Verzoekers hebben verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet de rapportages van Kuiper Compagnons en andere stukken ter inzage heeft gelegd. Hoewel verzoekers deze grieven terecht naar voren hebben gebracht, hebben verzoekers in een later stadium alsnog kennis van deze stukken kunnen nemen en er zal nog een volledige heroverweging plaatsvinden.

2.10 Verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de noodzaak aan parkeerruimte. De voorzieningenrechter merkt daarover op dat verweerder, gelet op de gemotiveerde stelling van verzoekers, in het te nemen besluit op bezwaar gemotiveerd op deze grond zal moeten ingaan. Verweerder heeft, zonder nadere motivering en onderbouwing, nog niet aannemelijk gemaakt dat 1.1 parkeerplaats per appartement toereikend is en dat er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn.

2.11 De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om het besluit van verweerder van 7 maart 2007 te schorsen tot zes weken nadat verweerder heeft beslist op verzoekers bezwaar tegen dat besluit.

2.12 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Voor vergoeding van de reiskosten van de gemachtigde komt een bedrag van € 21,40 in aanmerking en voor de reiskosten van verzoekers elk een bedrag van € 12,70. Van overige kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken. De kosten voor kopiëren en het opvragen van stukken, die door verzoekers zijn begroot op € 86,30, komen ingevolge het Bpb niet als proceskosten van onderhavige procedure voor vergoeding in aanmerking. Wel zal verweerder de door verzoekers betaalde griffierechten moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het besluit van verweerder van 7 maart 2007 tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van (elk) € 12,70 en tot een bedrag van € 21,40 voor de gemachtigde;

3.4 bepaalt dat verweerder de door verzoekers betaalde griffierechten ten bedrage van € 572,- aan hen (€ 286, - aan verzoeker [naam] en € 286,- aan verzoekers [naam 2]) vergoedt;

3.5 wijst de gemeente Rhenen aan als rechtspersoon die de onder 3.3 en 3.4 genoemde bedragen dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op: