Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4728

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
16/600104-07; 16/181535-04 (vordering tul); 21/000721-06 (vordering tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 20-jarige man die in januari dit jaar betrokken was bij een overal op een kapsalon heeft drie jaar gevangenisstraf gekregen. De officier van justitie had twee weken geleden eenzelfde straf geëist.

Twee overvallers maakten op 17 januari 300 euro buit door een greep te doen uit de kassalade. De veroordeelde man zwaaide tijdens de overval met een voorwerp dat op een vuurwapen leek. Op dat moment waren in de kapsalon een kapper en een klant aanwezig.

Als bewijs gebruikt de rechtbank onder meer een vingerafdruk van de overvaller, die op de kassalade werd aangetroffen.

Naast de driejarige gevangenisstraf moet, moet de man nog 44 dagen van twee eerder voorwaardelijk opgelegde straffen uitzitten. Ook moet hij ruim 1200 euro betalen aan de twee benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/600104-07; 16/181535-04 (vordering tul); 21/000721-06 (vordering tul)

Datum uitspraak: 9 mei 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, te Nieuwegein.

Raadsvrouwe: mr. M.P. Hilhorst.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 april 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het signalement dat door de kapper en de klant is gegeven niet met het signalement van haar cliënt overeen komt. Het is twijfelachtig of haar cliënt in de kapperszaak geweest is aldus de raadsvrouwe. De raadsvrouwe is van mening dat alleen de vingerafdruk overblijft voor het bewijs en dat zulks zonder ondersteunend bewijs onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Bovendien trekt de raadsvrouwe de juistheid van de conclusie dat de vingerafdruk zonder meer aan haar cliënt toebehoort in twijfel. Zij stelt dat het dactyspoor aangetroffen op de kassalade onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank verwerpt het betoog van de raadsvrouwe. Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte samen met een ander de overval op de kapperszaak heeft gepleegd. De verdachte heeft zelf bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op die dag ’s middag bij de bewuste kapper is geweest. Daar komt nog bij dat een vingerafdruk van hem op de zijkant van de kassalade is aangetroffen terwijl de kassalade volgens de aangever ook door één van de daders is beetgepakt. Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige verklaard dat deze vingerafdruk meer dan voldoende punten bevat voor het vaststellen van de overeenkomsten met de vingerafdruk van verdachte. De conclusie dat het de afdruk van verdachte betrof is dus betrouwbaar.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander een overval gepleegd op een kapperszaak. Hij heeft daarbij dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van het slachtoffer gehouden en heeft daarbij hard “geld, geld, geld” geroepen .

Verdachte heeft zich bij zijn handelen alleen door eigen financieel belang laten leiden en heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers. Daar komt bij dat de situatie ook voor de in de kapperszaak aanwezige klant zeer angstaanjagend en bedreigend moet zijn geweest.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van delicten als deze, nog lange tijd psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Ten aanzien van de persoon van de verdachte is bovendien van belang dat hij meermalen eerder is veroordeeld terzake van vermogensdelicten al dan niet gepleegd met geweld . De rechtbank acht gevaar voor herhaling dan ook aanwezig.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij ter terechtzitting geen enkel inzicht in de laakbaarheid van zijn strafbare gedrag heeft getoond en niets lijkt te leren van eerder opgelegde straffen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een jas kleur groen, merk G STAR, 3/4 jas met capuchon, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie dit voorwerp in beslag is genomen.

De vordering van de benadeelde partij [Betrokkene A]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van

€ 177,50 wegens materiële schade en een bedrag van € 750,-- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 750,-- en de materiële schade wordt begroot op € 177,50, derhalve in totaal € 927,50.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [Betrokkene B]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van

€ 417,78 wegens materiële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de voordeur is niet aan te merken als rechtstreekse schade. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 291,70. De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 13 april 2005 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 28 april 2005.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, te weten het hiervoor bewezen verklaarde feit, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken gelasten.

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Arnhem van 7 december 2006 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 63 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 22 december 2006.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, te weten het hiervoor bewezen verklaarde feit, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen gelasten.

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 3 JAREN (zegge: drie jaren).

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen jas aan verdachte.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Betrokkene A], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 927,50 (zegge negenhonderdzevenentwintig euro en vijftig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 927,50 (zegge negenhonderdzevenentwintig euro en vijftig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Betrokkene B] wonende te [woonplaats] ten dele toe tot een bedrag van € 291,70 (zegge tweehonderdeenennegentig euro en zeventig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het hiervoor omschreven gedeelte.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 291,70 (zegge tweehonderdeenennegentig euro en zeventig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Ten aanzien van parketnummer 16/181535-04:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, groot 2 weken, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 13 april 2005.

Ten aanzien van parketnummer 21/000721-06:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf 30 dagen, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd arrest d.d. 7 december 2006.

Dit vonnis is gewezen door mrs J.R. Krol, J.F. Dekking en J.M. Bruins, bijgestaan door mr. V.H. van der Horst als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2007.