Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4570

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-05-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
16-617913-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BD0275, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf wegens doodslag. Het openbaar ministerie had acht jaar cel en tbs geëist.

De rechtbank acht bewezen dat veroordeelde met gebruik van excessief geweld het slachtoffer om het leven heeft gebracht. De rechtbank kwalificeert het bewezen verklaarde als doodslag. De man werd vrijgesproken van moord, omdat van voorbedachte rade in de ogen van de rechtbank geen sprake is.

De rechtbank acht een langdurige gevangenisstraf geboden, omdat er een sterk gevaar voor recidive aanwezig is.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er weliswaar een stoornis bij verdachte aanwezig is, maar dat het feit volledig aan verdachte dient te worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat er daarom geen ruimte is voor het opleggen van tbs met dwangverpleging.

De veroordeelde man heeft bovendien slecht meegewerkt bij het onderzoek naar zijn persoon, waardoor hij slechts beperkt onderzoekbaar was. De rechtbank is daarom van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/617913-05

Datum uitspraak: 7 mei 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht te Nieuwegein.

Raadsman: mr. B.J. Tieman.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 februari, 18 april en 23 april 2007.

I. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 5 november 2005 te [B.], althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg), die [slachtoffer] meermalen met een (ijzeren) staaf/pijp, althans een hard en stevig voorwerp, op/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

II. Bij pleidooi gedaan verzoek

De raadsman heeft bij pleidooi een herhaald verzoek gedaan om [getuige 1] als getuige te doen horen. Deze getuige zou, aldus de raadsman, op enig moment contact gehad hebben met [getuige 2]. Deze laatste zou aan [getuige 1] hebben gezegd dat een medepatiënt van hem, ook verblijvende in Altrecht, iets van de moord af zou weten.

De rechtbank vat dit verzoek op als een verzoek tot heropening van het onderzoek.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de door de raadsman verzochte [getuige 1] slechts kan verklaren over het bezoek dat zij gehad zou hebben van [getuige 2].

Van deze [getuige 2] is de rechtbank - gelet op het proces-verbaal van de rechter-commissaris opgemaakt 28 maart 2007 - bekend dat hij gedwongen opgenomen is in het W.A.-huis te Utrecht.. Volgens zijn behandelend arts hoort hij stemmen en is hij nauwelijks aanspreekbaar. Hij heeft geen heldere momenten.

Met de rechter-commissaris is de rechtbank van oordeel dat het horen van deze getuige, wat een direct uitvloeisel zou zijn van het horen van de [getuige1], het welzijn van [getuige 2] zou kunnen schaden. Voorts zou de verklaring van die getuige, gelet op zijn psychische gesteldheid op grond van de informatie van de behandelend arts, niet betrouwbaar zijn.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

III. Overwegingen ten aanzien van het ten laste gelegde feit

1. Op zaterdag 5 november 2005 omstreeks 22.50 uur wordt op de [straat] te [B.] op de weg naar het [bezoekerscentrum A.] het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen door [getuige 3], werkzaam als boswachter op [de landgoederen R. en A.].

2. [Getuige 3] is kort na 5 november als getuige gehoord door de politie. Hij verklaart - zakelijk weergegeven - dat hij op 5 november rond 22.50 uur van de [straat] de onverlichte zijweg opreed in zijn eigen auto. Hij ontstak zijn grote lichten. Links achter in de hoek van deze zijweg zag hij in de verte een gele kentekenplaat reflecteren van een auto die schuin in één van de linkerparkeervakken stond. Verder zag hij geen auto’s staan. Hij zag voor zich uit ‘iets’ op de weg liggen. Hij zag dat het op een mens leek, liggend in een plas bloed. [Getuige 3] stapte uit zijn auto. Terwijl hij bij het lichaam stond, hoorde hij het geluid van een optrekkende auto, komend uit de richting van de achterste linkerparkeervakken. Hij zag een auto met hoge snelheid al zigzaggend en met een hoog toerental met gedoofde lichten op zich afkomen. Het was een klein model witte auto, met specifieke vierkanten koplampen met schuinoplopende hoeken vanuit de grill gezien. [Getuige 3] stapte snel zijn auto in en reed hard achteruit met het groot licht nog aan. Hij zag dat de motorkap van de hem tegemoetkomende auto beschadigd was. Terwijl de auto passeerde zag hij dat in de motorkap aan de bijrijderszijde een knik zat, alsof de motorkap van voren was opgeduwd.

3. Op basis van deze informatie (B-pv-vanaf blz.629) wordt een onderzoek gestart naar kleine witte auto’s met soortgelijke schade. Hieronder valt ook de auto van [verdachte], die in bezit is van een witte Suzuki Alto met [kenteken QQ-QQ-00].

4. De raadsman heeft betoogd dat de tekening van de auto zoals [getuige 3] de schade heeft waargenomen, kort na het incident, niet klopt met de door hem waargenomen schade aan de auto van verdachte. Tevens heeft [getuige 3] bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting wisselend verklaard met betrekking tot het type auto en de schade die hij heeft gezien. Voorts zijn ook geen bandensporen van verdachtes auto gevonden op de plaats delict.

De rechtbank stelt vast dat [getuige 3] in de dagen na het incident, toen zijn herinneringen nog vers waren, in een tweetal verhoren bij politie - los van het type auto - een duidelijk beeld geeft van de auto die hij op zich af heeft zien komen. Hij beschrijft een klein model witte auto met schade als onder 2 vermeld.

Volgens [getuige 3] reed het voertuig van links naar rechts over de weg, waarbij hij niet de gehele weg gebruikte, maar tussen de 40 en 60 procent van de breedte van de weg. Gelet hierop kan uit de enkele afwezigheid van bandensporen op de onverharde delen langs de weg daarom niet afgeleid worden dat de auto van verdachte (blz. 971) niet betrokken is geweest bij het incident, zoals door de raadsman gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van [getuige 3], afgelegd bij de politie, een duidelijke beschrijving volgt van een auto die op cruciale punten gelijkenis vertoont met de auto van verdachte.

5. Verdachte is als bestuurder van de witte Suzuki Alto, [kenteken QQ-QQ-00], diverse malen, vóór en na het bovengenoemde incident op 5 november 2005, aangehouden door de politie. Op 28 oktober 2005 heeft een aanrijding plaatsgevonden. Verdachte was betrokken bij deze aanrijding en de politie constateert in het proces-verbaal van bevindingen dat de voorzijde van zijn auto beschadigd was. Vervolgens is verdachte aangehouden door zijn opvallend rijgedrag op 1 november 2005 . De betrokken verbalisant beschrijft in het proces-verbaal dat de Suzuki Alto van verdachte nogal wat schade had aan de voorzijde en constateert een deuk in het midden van de motorkap. Voorts wordt verdachte aangehouden op 6 november 2005 . De verbalisanten zagen toen dat de auto van verdachte aan de voorzijde schade had. Ook op 9 november 2005 houdt de politie verdachte aan; uit de destijds opgemaakte processen-verbaal komt naar voren dat de auto van verdachte aan de voorzijde flink beschadigd is, waarbij sprake is van een knik in de motorkap. Op diezelfde dag is verdachte, die aangifte wilde doen van een mishandeling, gevraagd om mee te gaan naar het politiebureau. De auto van verdachte is voor een schouw naar het politiebureau gereden.

6. Op 16 november 2005 komt er een melding binnen bij de politie om 16.47 uur dat op de [straat] in [U.] een fietser is aangereden. Een getuige van het ongeval vertelt de politie dat een witte Suzuki Alto, met [kenteken QQ-QQ-00], na het ongeval met de fietser is doorgereden.

7. Vervolgens komt op 16 november 2005 om 18.47 uur een melding binnen dat een auto te water is geraakt ter hoogte van de [brug] in [U.]. De melder heeft niet gezien hoe de auto in het water is terechtgekomen. De auto blijkt de Suzuki Alto te zijn van verdachte.

8. Op 17 november 2005 doet verdachte aangifte van diefstal van zijn Suzuki Alto, [kenteken QQ-QQ-00]. Hij geeft aan dat hij zijn auto op 16 november 2005 tussen 12.00 en 13.00 uur heeft geparkeerd in zijn straat ter hoogte van zijn huis. Voorts meldt hij dat hij zijn auto niet had afgesloten en ook dat hij vergeten is zijn sleutel uit het contact te halen. Op 16 november om 19.00 uur heeft hij nog naar buiten gekeken. Toen zag hij zijn auto niet staan, hij vond dit wel vreemd, maar was in de veronderstelling dat hij zich misschien vergist had en de auto toch verderop had geparkeerd, want dat deed hij wel vaker. Op 17 november 2005 omstreeks 09.00 uur zag hij zijn auto nergens staan.

9. Vanaf 23 november 2005 is [verdachte] als verdachte aangemerkt. Dit omdat hij vóór en na 5 november eigenaar/gebruiker was van een witte kleine auto met schade aan de voorzijde en deze schade al aanwezig was vóór 5 november 2005. Daarbij kende verdachte het slachtoffer en was hij bekend met de plaats delict. Tevens had hij antecedenten op het gebied van geweldsdelicten.

10. De rechtbank heeft kennisgenomen van een aantal krantenberichten waarin aandacht is besteed aan de dood van [slachtoffer]. In het strafdossier zijn berichten opgenomen uit het ‘Algemeen Dagblad’ van 7, 8, 9, 15 en 16 november 2005. De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze krantenberichten is vermeld dat het slachtoffer door geweld om het leven is gebracht en dat hij niet was doodgeschoten. Voorts werd geschreven dat in het belang van het onderzoek over de doodsoorzaak geen nadere mededelingen werden gedaan.

11. Ook in verschillende televisieprogramma’s is aandacht geschonken aan de moord op [slachtoffer]. Het tv-programma “Bureau Hengeveld” van de regionale omroep heeft in uitzendingen op 8 en 15 november 2005 bericht over deze zaak. Ter terechtzitting van 18 april jl. zijn beelden van beide uitzendingen getoond. Uit de waarneming van deze beelden volgt dat onder meer informatie werd verstrekt over het slachtoffer en zijn omgeving, alsmede over een kleine witte auto die nabij de vindplaats van het lichaam was gezien. Over de doodsoorzaak werd gezegd dat [slachtoffer] door grof geweld om het leven was gekomen.

In de uitzending van “Bureau Hengeveld” en de uitzending van het tv-programma “Opsporing Verzocht” van de AVRO, beide van 31 januari 2006, is wederom uitgebreid aandacht besteed aan deze zaak. Melding wordt gemaakt dat tienduizend euro tipgeld is uitgeloofd.

In beide programma’s zijn beelden getoond van een reconstructie van de gebeurtenissen kort na het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer door de [getuige 3]. De videoband met beelden van beide uitzendingen maakt deel uit van het strafdossier en is door de rechtbank gezien. Opvallend gegeven is dat ook in deze televisie-uitzendingen niets wordt meegedeeld over de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen. Voorts stelt de rechtbank vast dat in de reconstructie uitgebreid aandacht is besteed aan de kleine witte auto die op de [getuige 3] was ingereden. Heel duidelijk wordt een auto getoond met ontstoken koplampen. Uit de verklaringen van de [getuige 3] blijkt dat de op hem inrijdende auto op 5 november 2005 geen verlichting voerde. De rechtbank stelt vast dat ook over deze informatie niet eerder in de media is bericht.

12. Uit de bevindingen van de arts en patholoog dr. Kubat volgt dat bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] tekenen zijn waargenomen van excessief uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd, bijvoorbeeld veroorzaakt door slagen. Het daardoor veroorzaakte letsel, onder meer destructie van de rechter gelaatshelft, uitgebreide breuken en verbrijzeling van aangezichtsbeenderen en de voorste delen van de schedelbasis, verklaren het overlijden volledig op basis van bloedverlies en hersenbeschadigingen. In de uitgebreide huidperforaties in het gelaat was sprake van een goed herkenbaar patroon veroorzaakt door een rond en waarschijnlijk hol voorwerp, bijvoorbeeld het uiteinde van een pijp, met een doorsnede van ongeveer 2,5 centimeter en daarnaast een patroon in de vorm van een langwerpig voorwerp zoals een stok of de zijkant van een pijp met een breedte van minimaal circa 2,5 centimeter.

13. Op verzoek van de technische recherche heeft dr. Kubat bij brief van 28 april 2006 zijn bevindingen ten aanzien van de genoemde patronen nader toegelicht. Verschillende letsels waren veroorzaakt door een rond of ovaalvormig, hard, rigide voorwerp met een diameter van ca 2 tot 2,5 cm met een kantige en waarschijnlijk ook een scherpe rand. Het voorwerp was aan het uiteinde geheel hol, zoals het uiteinde van een buis of een pijp. Ander, met name streepvormig letsel in het gelaat van [slachtoffer] zou kunnen zijn veroorzaakt door een staafvormig, hard voorwerp dat eventueel hetzelfde voorwerp zou kunnen betreffen als het voorwerp dat de ronde, ovaalvormige letsels van het andere patroon heeft veroorzaakt.

De rechtbank stelt vast dat deze bevindingen van de patholoog de na te noemen verklaringen van de [getuigen 4, 5 en 1] ondersteunen. In de verklaringen wordt door de getuigen gesproken over onder meer een metalen (holle) pijp waarmee verdachte het slachtoffer vele malen op het hoofd zou hebben geslagen.

14. Vanaf 24 januari 2006 zijn gespreksgegevens opgenomen en afgeluisterd, gevoerd met het door verdachte gebruikte telefoonnummer. Een aantal van de door verdachte - die [verdachte] heeft als roepnaam zo blijkt uit het dossier - gevoerde gesprekken is in het proces-verbaal opgenomen. De rechtbank acht hiervan de volgende gesprekken van belang.

- Een gesprek tussen verdachte en [getuige 6] d.d. 1 februari 2006 waarin verdachte aangeeft dat het allemaal met een sisser is afgelopen. [Getuige 6] begrijpt niet waar verdachte het over heeft en vraagt wát er met een sisser is afgelopen;

(pag. 717) [Verdachte]: nee, geen namen noemen, maar wat ik je wel eens verteld heb.

Ik heb een keer wat tegen jou verteld… waar ik niet trots op ben … Ik ben ook wel eens bij jou aan de deur geweest drmee…ja, daarmee..dat vervoersmiddel.. Ik wou dat ik 20.000 gulden had.

Staat op mijn kankerkop voor de gouden tip. Wie geeft er nou geld uit van de staat als het ergens naar toe leidt voor de gouden tip. Ja, je ziet heel vaak van die folders hangen op het politiebureau… Nou, oke kijk dan even op Uitzending gemist bij de AVRO… Nee, maar je begrijpt nu wel wat ik bedoel he. Oke er staat 20 mille op m’n kop.

… Ik ben d’r niet blij mee… maar er zijn geen details bekend Maar ik schrok er wel van dat er zoveel op mijn hoofd staat.

… Niet in details treden als je me belt. Nou oké, kijk maar op Opsporing Verzocht bij het tweede deel. Ik heb je een keer wat verteld, dus kijk maar…

- Een gesprek tussen verdachte en [getuige 6] d.d. 6 februari 2006 waarin verdachte spreekt over het programma “Opsporing Verzocht”;

(pag.722) [Verdachte]: toevallig dinsdag tv gekeken.

Opsporing verzocht een kameraad zei, moet je maar eens kijken. Er waren een paar geweldsdelicten. Op 1 staat 10.000 euro.

… Ik weet het, zijn er maar 4 dat ik weet, die op mij kennen… Moet je maar eens nadenken over wat ik ooit gezegd heb. Alleen niet in details treden graag.

Oke. Ze weten niets, alleen iets wits wat snel was, meer niet. Ze hebben een loving gedaan van 10 ruggen of zoiets. Maar jij weet het, ik weet het en het vrouwtje weet het. En die twee gebroeders weet je wel, maar die heb ik al te pakken genomen.

... Hetzelfde is jou ook al overkomen. Dus je weet precies wat er kan gebeuren, begrijp je wat ik bedoel. Alles kan uit de hand lopen, weet je wel.

… Alleen dat van jou was hol en dat van mij massief.

[Getuige 6]: Nou, dan komt het iets harder aan he.

[Verdachte]: Houdt niets meer over van de voorkant.

(pag. 723) Verdachte leest vervolgens een tekst voor, waarschijnlijk afgebeeld op een internetpagina van het programma Opsporing verzocht. Het gaat over het aantreffen van het [slachtoffer];

[Verdachte]: Maar wat er ooit een keer gezegd is en wat nu bevestigd is en wat ik niet hoop is nu bevestigd en daarvoor denk ik nu shit. Zijn toch die 10 rooien die op iemand zijn kop staan…

[Verdachte]: De kinderen worden nu nooit meer lastig gevallen door de persoon. Het was niet de bedoeling, maar je ziet dan toch weer het verleden voor je ogen.

(pag 724) [Verdachte]: wees maar blij dat die van jou hol was.

[Getuige 6]: …Maar ik heb niet op zijn hoofd geslagen.

Maar ik dus wel, maar ja ik denk dat jij dat ook had gedaan als het jou kinderen waren geweest

De rechtbank heeft vastgesteld dat op pagina B2-724 waar dit gesprek schriftelijk is uitgewerkt de aanduiding van de spreker voor deze zin niet is opgenomen. Ter terechtzitting van 18 april jl. heeft de officier van justitie het telefoongesprek van 6 februari 2006 afgespeeld en heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte ook deze zin uitspreekt.

….. en ik heb tegen mijn vrouwtje gezegd ik heb het huisje goed ingericht voor je. Mochten ze me ooit ophalen dan laat ik alles achter voor je en een telefoon en dit en zus en zo. Dat je een normaal leven kan leiden. En anders ontspring ik gewoon de dans [getuige 6] en verder in details wil ik gewoon niet, zou ik maar niet treden.

[Getuige 6]: …Dit is gewoon een keer in mijn leven voor gekomen.

[Verdachte]: Ja bij mij ook. Maar ik wil alleen maar zeggen dat als je met z’n tweeën op pad gaat wordt het een slachtpartij jo. Dat is schrikwekkend.

[Getuige 6]: …Ja, nee zo erg was het bij ook niet.

[Verdachte]: Nee, oke

[Getuige 6]:… Maar gewoon een pak rammel gekregen en dat was het.

[Verdachte]: Ja maar als jij twee dochters had en er zou aan gezeten zijn. Wat doe je dan ook nog steeds een staaf ijzer…als je nu dit al doet, laat staan dan.

15. [Getuige 6] is door de politie gehoord en onder meer geconfronteerd met voornoemde gesprekken met verdachte . De getuige verklaart dat het voor hem duidelijk is wat er is gebeurd als verdachte in het telefoongesprek een vergelijking trekt met een gebeurtenis die de getuige heeft meegemaakt. De getuige geeft aan dat hij in het verleden iemand heeft geslagen met een holle pijp van een douchegordijn om zijn zoon te beschermen.

Uit de voormelde telefoongesprekken volgt dat [getuige 6] blijk geeft over informatie te beschikken, die hij naar het oordeel van de rechtbank slechts van de dader kan hebben gekregen.

16. De rechtbank merkt op dat verdachte bij de politie meerdere malen is geconfronteerd met bovengenoemde telefoongesprekken. Als uitleg waar deze gesprekken over gaan heeft verdachte toen telkens andere verklaringen gegeven. Ter zitting heeft verdachte aangegeven geen nadere toelichting dan wel uitleg te willen geven over de inhoud van de telefoongesprekken. Ook wilde verdachte geen duidelijkheid verschaffen over zijn steeds wisselende verklaringen bij de politie met betrekking tot die gesprekken.

17. Op 8 februari 2006 neemt verdachte telefonisch contact op met de politie om informatie te verstrekken die hij van de [getuige 2] zou hebben gehoord. In dat gesprek komt onder meer het volgend aan de orde :

(Pag. 730) [Verdachte]: Maar hij, hij, hij, hij zegt gewoon dat die, uh, geslagen heb uh, met een voorwerp. Hij heb mij dingen verteld, zeg maar, wat niet op televisie is verteld…..

(pag. 732) [Verdachte]: … Ik hoop in ieder geval dat ik een moordzaak opgelost heb en ik hoop in ieder geval, ja, dat ik daarbij ook mijn premie heb…..

De rechtbank stelt vast dat verdachte informatie geeft die alleen bij de dader bekend kan zijn.

18. De getuige en vriendin van verdachte [getuige 1] heeft - zakelijk weergegeven - de volgende verklaringen afgelegd .

[Verdachte] heeft tegen mij verklaard dat hij iemand heeft vermoord. Hij vertelde dit voordat het programma “Opsporing Verzocht” op televisie werd uitgezonden. [Verdachte] heeft ook tegen mij gezegd dat hij de verkeerde te pakken had. [Verdachte] vertelde mij dat hij in de periode dat hij de moord gepleegd zou hebben waanideeën heeft gehad en dat hij toen meerdere middelen gebruikte zoals cocaïne, weed, drank, medicijnen en paddenstoelen. [Verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij iemand vermoord had met een stok of met een balk. Hij zei dat ze samen naar het bos gereden zijn waar het pannenkoekenhuis is. Tijdens het kijken naar “Opsporing Verzocht” zei [verdachte] tegen mij: “Kijk eens. Ze hebben een andere auto. Ze hebben niet het profiel van mijn auto. ”Ik zei toen dat er maar één was die zo kon rijden en [verdachte] zei dat hij het was en gewoon hard had gereden. [Verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij de man tegen zijn kop aan geslagen heeft. [Verdachte] zei dat er een andere auto aan kwam rijden en dat hij degene die in de auto reed, niet de tijd had gegeven om te kijken. [Verdachte] zei ook tegen mij: ”Binnenkort ben ik er misschien niet meer. Als ze bewijzen hebben, dan ben ik er niet meer.”

[Verdachte] heeft mij verteld dat hij bewijzen had weggemaakt. Hij zei dat hij alles schoon had aangetrokken. Ik hoorde dat [verdachte] via de computer aan [getuige 6] (de rechtbank begrijpt: [getuige 6]) verteld heeft dat hij een moord gepleegd had.

19. De raadsman heeft in zijn pleidooi gesteld dat de verklaringen van de in deze zaak gehoorde getuigen in verband met hun problemen met zeer grote reserve aangaande hun betrouwbaarheid moeten worden bezien. Dit geldt in het bijzonder voor de verklaringen van de [getuige 1]. Zij is naar het oordeel van de raadsman volstrekt onbetrouwbaar hetgeen zou zijn bevestigd door de behandelend psychiater en de begeleider van de [getuige 1]. De raadsman stelt dat om die reden haar verklaringen niet kunnen worden gebruikt als bewijsmiddel.

De rechtbank deelt de stelling van de raadsman niet. De rechtbank merkt op dat de getuige niet van meet af aan open kaart heeft gespeeld. Zij wordt immers op 13 en 15 februari 2006 gehoord waarbij zij aangeeft dat [verdachte] haar nooit iets heeft verteld over de dood van [slachtoffer]. Pas op 20 april 2006 legt zij een voor de verdachte zeer belastende verklaring af. De verklaring die [getuige 1] hierover heeft afgelegd bij de rechter-commissaris op 7 september 2006 (pag. 2) te weten dat zij haar partner aanvankelijk niet wilde verraden, acht de rechtbank aannemelijk. Bovendien stelt de rechtbank vast dat haar verklaring van 20 april 2006 bij de politie afgelegd, veel gedetailleerde informatie bevat die zij, naar het oordeel van de rechtbank, niet van anderen dan van verdachte kan hebben gehoord. Haar verklaring past om die reden bij, en vindt steun in ander bewijsmateriaal. De raadsman is in de gelegenheid geweest om de getuige te ondervragen. De getuige blijft op 7 september 2006 in haar verklaring bij de rechter-commissaris in hoofdlijnen bij haar verhaal zoals afgelegd bij de politie op 20 april 2006 en is niet met nieuwe informatie gekomen. De getuige acht het mogelijk dat zij de informatie over het op het hoofd slaan van het slachtoffer uit de berichtgeving in de media heeft vernomen. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat juist deze informatie nimmer in de media terecht is gekomen en dat de getuige zich op dit onderdeel bij de rechter-commissaris moet hebben vergist.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaring van de [getuige 1] betrouwbaar is en zich leent voor de onderbouwing van het ten laste gelegde feit.

20. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de [getuigen 4 en 5] uitblinken door onbetrouwbaarheid. Het is volgens de raadsman onacceptabel dat deze gebroeders hun verklaring gezamenlijk hebben mogen afleggen bij de politie. Elk verhoor daarna is mogelijk een product van wat zij elkaar hebben horen zeggen tijdens het eerste gezamenlijk verhoor. Alle verklaringen van deze getuigen zouden daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs.

21. Op 7 februari 2006 zijn [getuigen 4 en 5] als getuigen verhoord door de politie. In dit verhoor gaven de broers - zakelijk en kort weergegeven - aan niets te weten over de moord op [slachtoffer] en dat ze niemand kenden die in het bezit was van een witte kleine auto met schade aan de motorkap.

22. Op 13 februari 2006 wordt vanuit [stichting A], een stichting die hulp biedt aan dak- en thuislozen in [U.], de politie geïnformeerd dat zij belangrijke informatie hebben over de dood van [slachtoffer] . Naar aanleiding daarvan heeft de politie gesproken met [getuige 7], hulpverleenster bij [stichting A] . Zij verklaart dat zij [getuigen 4 en 5] al vele jaren kent en dat deze broers niet van elkaar te scheiden zijn. Voorts geeft zij aan dat [getuige 4] haar op vrijdag 10 februari 2006 heeft verteld dat hij wist wie de moord op [slachtoffer] had gepleegd en op welke wijze. Hij vertelde dat hij bedreigd werd door verdachte dat hij niet naar de politie mocht gaan.

Uit een verklaring van een andere medewerker van [stichting A], [getuige 8] , komt naar voren dat hij de broers op 13 februari 2006 in een gesprek heeft geprobeerd te bewegen om bij de politie een verklaring af te leggen. De broers gaven aan, uitsluitend samen met de politie in gesprek te willen te gaan, in aanwezigheid van de twee voornoemde medewerkers van [stichting A]. Uit het proces-verbaal van dit verhoor op 13 februari 2006 komt naar voren dat [getuige 4] in het algemeen het woord heeft gevoerd. Na afloop van het gesprek gaf [getuige 4] aan dat voor hem een last van zijn schouders was gevallen, nu hij aan de verbalisanten het juiste verhaal had verteld.

23. De rechtbank is van oordeel dat het gezamenlijk horen van twee getuigen als onwenselijk moet worden beschouwd. Dit leidt in beginsel tot een vormverzuim met doorgaans onherstelbare gevolgen.

De rechtbank stelt echter vast dat [getuigen 4 en 5] na 13 februari 2006 apart van elkaar uitgebreid door de politie zijn gehoord op 20 februari en 6 april 2006. Voorts is [getuige 4] bij de rechter-commissaris gehoord op 7 september 2006 en [getuige 5] op 15 maart 2007 steeds in aanwezigheid van de raadsman van verdachte. Uit al deze verhoren blijkt dat zowel [getuige 4] als [getuige 5] - ondanks het tijdsverloop - in de kern consistent verklaren. Daarbij bevatten hun verklaringen veel gegevens over de dood van [slachtoffer], waaronder informatie die alleen afkomstig kan zijn van de dader. Dat de beide broers met elkaar hebben gesproken over de zaak en hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, zoals de raadsman heeft aangevoerd, is, gelet op hun relatie, niet ondenkbeeldig. Echter, het zodanig op elkaar afstemmen van verklaringen die zoveel informatie - ook op details - bevat, is - gelet op het tijdsverloop - nauwelijks voorstelbaar.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat de broers weliswaar bij tijd en wijle dakloos zijn en regelmatig gokken, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat zij drugs, medicijnen of (overmatig) alcohol gebruiken, dan wel anderszins niet in staat zouden zijn een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gezamenlijk horen van [getuigen 4 en 5] op 13 februari 2006 geen gevolgen heeft voor de bruikbaarheid van de daaropvolgende verklaringen die door deze getuigen individueel zijn afgelegd. Derhalve neemt de rechtbank de verklaringen van deze getuigen mee als bewijsmiddel in de onderbouwing van het ten laste gelegde feit.

24. In 2005 sliepen de broers [getuigen 4 en 5] zeer regelmatig tegen betaling bij verdachte. Zo waren zij ook in de avond van zaterdag 5 november 2005 aanwezig in zijn woning. [Getuigen 4 en 5] hebben de navolgende verklaringen afgelegd.

[Getuige 4] verklaart – kort en zakelijk weergegeven - dat [verdachte] die avond het huis heeft verlaten rond half tien, met medeneming een stuk pijpleiding met een doorsnede van ongeveer 2 cm. Rond elf uur kwam [verdachte] terug en vertelde dat hij iets verschrikkelijks had gedaan. Hij had namelijk de verkrachter van zijn kinderen gepakt. Verder verklaart [getuige 4] dat hij heeft gezien dat [verdachte] bij thuiskomst bloed aan zijn handen had en dat hij gelijk naar de douche is gegaan. [Verdachte] had hem verteld dat hij de man had opgepikt en uiteindelijk zijn hersens heeft ingeslagen. Ook vertelde [verdachte] dat hij was weggereden met gedoofde lichten en dat hij de boswachter van de sokken wilde rijden. Volgens [getuige 4] gebruikte [verdachte] veel wiet, hasj, alcohol, bruin en wit en was hij altijd gekker als [getuige 1] er niet was; hoe langer ze weg was hoe erger het werd.

[Getuige 5] verklaart – kort en zakelijk weergegeven - dat [verdachte] die avond met een stuk ijzeren pijp de woning verliet. Toen [verdachte] thuis kwam vertelde hij iets ernstigs te hebben gedaan. Hij vertelde dat hij iemand met een pijp had doodgeslagen, omdat deze man zijn kinderen had verkracht. Er zat bloed op de handen van [verdachte] en hij is rechtstreeks naar de douche gelopen om zijn handen te wassen. [Verdachte] vertelde voorts dat hij het slachtoffer heeft opgepikt door aan hem te vragen ‘een spelletje te spelen’. [Verdachte] had een sportbroek aan toen hij terugkwam, zijn andere kleding had hij in zo’n bak gegooid voor oude kleren. [Verdachte] is volgens [getuige 5] weggereden zonder licht omdat die man eraan kwam. [Verdachte] vertelde hem ook dat hij de auto had gedumpt. Hij is naar de politie gegaan en heeft een valse aangifte gedaan dat de auto gestolen was.

IV. Vrijspraak

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat de verdachte voordat hij de na te noemen bewezenverklaarde handelingen heeft begaan, de tijd heeft gehad om zich op het daartoe te nemen besluit te beraden, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van dat besluit na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Van de ten laste gelegde voorbedachte rade dient verdachte te worden vrijgesproken.

V. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

hij op 5 november 2005 te [B.], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, die [slachtoffer] meermalen met een (ijzeren) staaf/pijp, althans een hard en stevig voorwerp, op/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen, genoemd in onderdeel III van dit vonnis, zijn vervat.

VI. De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Doodslag

VII. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

VIII. Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- Verdachte heeft het slachtoffer op brute wijze van het leven beroofd, waarbij hij excessief geweld heeft gebruikt, zoals is gebleken uit het sectierapport van de patholoog dr. Kubat.

Het slachtoffer is met een hard voorwerp meerdere malen op het hoofd en in het gelaat geslagen. Dit slaan heeft dermate zwaar letsel opgeleverd dat het lachtoffer onherkenbaar was verminkt. Hij is aan de gevolgen hiervan overleden.

- De dood van het slachtoffer en de wijze waarop hij om het leven is gebracht heeft leed veroorzaakt bij de familie van het slachtoffer. Na een lange tijd van verwijdering behoort thans, door het handelen van verdachte, een hereniging met familieleden niet meer tot de mogelijkheden.

- Verdachte heeft door zijn handelen veel angst en onrust veroorzaakt in de kringen waarin het slachtoffer in [U.] leefde.

- Op een feit als het onderhavige wordt in de samenleving begrijpelijkerwijs met verontwaardiging en afschuw gereageerd. De rechtbank is zich bewust van deze gevoelens. Deze horen ook een rol te spelen in de uiteindelijk op te leggen straf.

- Dat geldt ook voor het gegeven dat verdachte met zijn destructieve levenswijze, te weten het door elkaar gebruiken van allerlei soorten drugs, al dan niet in combinatie met alcohol, het leven van anderen bij herhaling in gevaar heeft gebracht.

- Bij het bepalen van de op te leggen straf weegt de rechtbank mee dat verdachte steeds heeft geweigerd enige opening van zaken te geven; daarnaast heeft hij in een poging het “tipgeld” op te strijken, ook nog geprobeerd een vriend als dader aan te merken.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

-de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 januari 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

- een omtrent verdachte opgemaakt briefverslag d.d. 6 april 2006 van drs. P.E. Geurkink, psycholoog;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 28 maart 2006 van I. Matthaei, psychiater;

- een omtrent verdachte opgemaakt multidisciplinair rapport d.d. 13 oktober 2006, opgemaakt door

mw. A. Ederveen-Grochowska, psychiater en A.J. de Groot, psycholoog, verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - als conclusie:

Betrokkene is een gemiddeld intelligente Nederlandse man bij wie sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk antisociale en narcistische, maar ook – in mindere mate – theatrale en borderline trekken. De antisociale trekken zijn ook zichtbaar in de hoge mate van psychopathie. Bovendien is de persoonlijkheid zwak geïntegreerd. Verder is bij betrokkene sprake van polydruggebruik. In de afgelopen 5 jaar, onder invloed van externe factoren, werd zijn persoonlijkheidsstoornis nadrukkelijker zichtbaar, hetgeen gepaard ging met een sterke achteruitgang in het psychosociaal functioneren op meerdere terreinen (schulden, woonproblemen en contacten met justitie). Omdat betrokkene door zijn sterke ontkenning, beperkt onderzoekbaar was, is de invloed van bepaalde stressfactoren, zoals het seksuele misbruik van zijn kinderen en een mogelijke achteruitgang van zijn cognitieve vermogens, niet met zekerheid vast te stellen. Naast kenmerkende aspecten van zijn persoonlijkheidsstoornis werden tijdens dit onderzoek ook andere symptomen zichtbaar, zoals obsessieve en paranoïde gedachten, angst-, onrust- en depressieve gevoelens. Zij kunnen worden beschouwd als uiting van falende copingmechanismen om het kwetsbare zelfbeeld en de ik-grenzen in stand te houden. De verslechtering van de kwantiteit en kwaliteit van relaties ging bij betrokkene gepaard met een toename van irreële en grandioze voorstellingen, veranderingen in zijn gevoelsleven en verzwakking van zijn gewetensfunctie.

Het is tijdens de observatieperiode gelukt meer inzicht te krijgen op de aard en de ernst van de stoornissen van betrokkene en om het niveau van zijn functioneren in kaart te brengen. De persoonlijkheidsstoornis was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig, omdat dit bij betrokkene een chronisch beloop heeft.

Er is over de periode direct voorafgaand aan het tenlastegelegde weinig betrouwbare informatie beschikbaar. Daarom kan geen onderbouwd oordeel geveld worden over een eventueel verband tussen stoornis en delict, indien bewezen.

Het is dan ook niet mogelijk een eventuele doorwerking van de stoornissen van betrokkene in het delict vast te stellen. Gelet op het voorgaande is het niet mogelijk om een conclusie met betrekking tot de mate van (verminderde) toerekeningsvatbaarheid te trekken. Evenmin kan om die reden een gedragskundige inschatting van de delictgevaarlijkheid, voortvloeiend uit de stoornis, worden gemaakt.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het impliciet ten laste gelegde feit doodslag wordt veroordeeld tot - kort gezegd -:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van het voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling met dwangverpleging.

Het thans voorliggende rapport d.d. 13 oktober 2006 laat zich er - gelet op de weigerachtige houding van verdachte - niet over uit of en in hoeverre het bewezenverklaarde feit onder invloed van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens is gepleegd en of behandeling van verdachte mogelijk c.q. nodig is.

De rechtbank is van oordeel dat het er bij deze stand van zaken voor moet worden gehouden dat er weliswaar een stoornis bij verdachte aanwezig is, maar dat het feit volledig aan verdachte dient te worden toegerekend. Ook anderszins zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen termen aanwezig voor oplegging van de door de officier van justitie gevorderde terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur passend en geboden. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder gelet op de ernst van het feit en het strafblad van verdachte op het gebied van geweldsdelicten.

De rechtbank acht gelet hierop een ernstig gevaar voor recidive aanwezig.

Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de rechtbank geen nader beeld heeft gekregen over de persoon van verdachte, nu verdachte door zijn opstelling slechts beperkt onderzoekbaar was, is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur een passende reactie vormt, bij welke strafoplegging bescherming van de maatschappij voorop staat. Het is op deze grond dat de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

Ten aanzien van het beslag overweegt de rechtbank het navolgende.

a. Verbeurdverklaring:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp dat aan verdachte toebehoort,

te weten een personenauto, merk Suzuki Alto, kleur wit en voorzien van het [kenteken

QQ-QQ-00] (vermeld onder nummer 1 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage aan dit vonnis is gehecht), zal worden verbeurd verklaard, aangezien

met behulp van dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan.

b. Bewaring in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een fietssleutel (vermeld onder nummer 15 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage aan dit vonnis is gehecht), kan thans geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

c. Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerpen, te weten een tweetal foto’s, (vermeld onder nummer 14 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage aan dit vonnis is gehecht), acht de rechtbank het [Leger des Heils] degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal gelasten dat dit voorwerp aan genoemde rechtspersoon wordt teruggegeven.

d. Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een huissleutel, (vermeld onder nummer 16 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage aan dit vonnis is gehecht), acht de rechtbank de eigenaar van de woning [straat] te [U.] degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal gelasten dat dit voorwerp aan genoemde rechtspersoon wordt teruggegeven

e. Teruggave in beslag genomen goederen

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen, zoals vermeld onder de nummers 2 t/m 13 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage aan dit vonnis is gevoegd, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag is genomen.

IX. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 63 en 287 het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in onderdeel V van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF (12) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd: een personenauto, merk Suzuki Alto, kleur wit en voorzien van het [kenteken QQ-QQ-00].

Gelast de teruggave van een tweetal foto’s, aan het [Leger des Heils].

Gelast de teruggave van een huissleutel aan de eigenaar van de woning [straat] te [U.].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen, vermeld onder de nummers 2 tot en met 13 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan veroordeelde.

Gelast de bewaring van een fietssleutel ten behoeve van de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door mrs L. Bakker-Splinter, A.C. van den Boogaard en

A.J. Smit, bijgestaan door H.J. Nieboer en A.L. Roosien als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2007.

A.L. Roosien is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.