Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4348

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
487647 CU EXPL 06-9379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid NS voor schade hoofdconducteur als gevolg van Post Traumatisch Stress Syndroom; art.7:658 BW; RI&E; agressiepreventie; zelfdodingen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 296
RAV 2007, 22
JA 2007/122 met annotatie van N.C. Haasse
JAR 2007/136 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 487647 CU EXPL 06-9379 TP

vonnis d.d. 2 mei 2007

inzake

[eiser], wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. T.M.D. van den Beld,

tegen:

NS Reizigers B.V., gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen NSR,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.J.W. Remme

Verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

NSR heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en NSR heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de overgelegde stukken neemt de kantonrechter de volgende feiten als vaststaand aan:

a. [eiser], geboren op 31 oktober 1956, is op 1 mei 1981 in dienst getreden van NSR. Vanaf 1983 bekleedde hij de functie van hoofdconducteur.

b. [eiser] is in de loop van zijn dienstverband meerdere malen (ongeveer 10 keer) geconfronteerd geweest met suïcides en dodelijke ongevallen en voorts regelmatig met geweld en agressie.

c. [eiser] is in november 1999 na een incident waarbij hij in de trein is bespuugd, uitgevallen en ziek gebleven.

d. Bij [eiser] hebben zich klachten ontwikkeld die gediagnosticeerd zijn als Post Traumatische Stressstoornis (PTSS), gepaard gaande met depressiviteit en een paniekstoornis, waarvoor [eiser] vanaf februari 2000 werd behandeld bij de HSK Groep. De behandelend psycholoog drs. M. van Wieringen schreef op 9 juni 2000:

Met de heer [eiser] ben ik drieëneenhalve maand geleden een posttraumatische stressstoornis behandeling gestart. Deze behandeling loopt mede door zijn grote inzet en therapietrouw voorspoedig. (..).de klachten van de heer [eiser] nemen af. Van belang is dat nu ook de resterende klachten verdwijnen. Hieraan wordt hard gewerkt door (…). Dit zal nog zo’n 5 á 10 gesprekken in beslag nemen. Voor de werkhervatting is het van belang, om deze mogelijk te maken en om terugval te voorkomen. Ik verwacht hiervoor 15 extra sessies nodig te hebben. Mijn verwachting is dat de heer [eiser] op een acceptabel niveau kan gaan functioneren.

e. Op 9 april 2001 heeft van Wieringen bericht dat de behandeling is afgesloten omdat de sessies niet meer vergoed werden.

f. In 2002 is [eiser] nadat zijn arbeidsongeschiktheid 2 jaar had geduurd en na verkregen ontslagvergunning van de CWI, ontslagen.

g. [eiser] geniet tot op heden een WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100 %.

2. De vordering

2.1

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, NSR veroordeelt tot:

- betaling van alle door [eiser] geleden en te lijden letselschade, zowel materieel als immaterieel, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, één en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met verwijzing hiervoor naar de schadestaat-procedure;

- betaling van een voorschot op de totale schadevergoeding van € 50.000,-- te vermeerderen met wettelijke rente;

- de proceskosten.

2.2

[eiser] legt hieraan ten grondslag (naar de kantonrechter aanneemt primair respectievelijk subsidiair)

- dat NSR haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW heeft geschonden door niet of onvoldoende preventiemaatregelen te nemen ten aanzien van agressie, geweld en zelfdodingen en voorts doordat opvang en nazorg ontbrak;

- dat NSR haar verplichtingen op grond van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 en/of 6:248 BW heeft geschonden;

2.3

Ter onderbouwing van zijn vordering voor zover gebaseerd op artikel 7:658 BW voert [eiser] - samengevat - het volgende aan:

Preventie

2.4

-[eiser] werd veelvuldig geconfronteerd met verbale bedreigingen, onder andere door dronken of anderszins onder invloed verkerende passagiers en met name wanneer zij gevraagd werden naar hun vervoersbewijs;

-[eiser] was regelmatig getuige van vandalisme in de trein;

-[eiser] had regelmatig last van voetbalsupporters in de trein;

-de twee agressie-uitingen die het meeste indruk hebben gemaakt op [eiser] betroffen een incident in 1993 waarbij een passagier, gevraagd naar zijn vervoersbewijs, een mes trok en [eiser] trachtte neer te steken in het gangpad, en het incident direct voorafgaand aan de (blijvende) uitval van [eiser] in 1999 waarbij [eiser] door een jongen in zijn gezicht werd gespuugd.

2.5

[eiser] stelt dat NSR niet aan haar zorgplicht heeft voldaan doordat zij heeft nagelaten adequate en toereikende voorzorgsmaatregelen te nemen:

-er werden geen ingangscontroles gehouden bij de ingangen van de stations, zoals dat tegenwoordig wel veel gebeurt, waarbij passagiers zonder geldig vervoersbewijs en/of verkerend onder invloed van alcohol of drugs geweigerd hadden kunnen worden;

-bij risicotreinen had spoorwegpolitie met honden ingezet kunnen worden; ook had Spoorwegpolitie ingezet kunnen worden op het station van aankomst van late (disco)treinen zodat [eiser] agressieve reizigers had kunnen overdragen;

-de portofoon deed het vaak niet, dat was een structureel en bekend probleem;

-er was geen beleid tegen agressie en geweld op de werkvloer zoals voorgeschreven in artikel 3 Arbowet; er is door NSR geen Risico Inventarisatie en Evaluatie opgesteld zoals voorgeschreven in artikel 5 Arbowet.

2.6

[eiser] heeft in totaal 10 dodelijke ongevallen en suïcides meegemaakt tijdens zijn dienstverband bij de NS, waarvan twee hem in het bijzonder zijn bijgebleven, één in 1989 bij Raalte en één in Etten Leur in 1999. NSR had preventiemaatregelen kunnen nemen zoals het aanbrengen van hekwerken in combinatie met cameratoezicht op bepaalde trajectgedeeltes waarvan bekend is dat daar veel suïcides voorkomen, hetgeen NSR heeft nagelaten. Ook zou in de preventieve sfeer gedacht kunnen worden aan het beperken van de taken die een conducteur heeft in geval van suïcides, door de daarmee gepaard gaande werkzaamheden over te laten aan politie en brandweer.

Opvang/nazorg

2.7

[eiser] heeft aangevoerd dat, afgezien van de begeleiding die hem in 1993 en 1999 is geboden, nazorg door NSR ontbrak. De therapie die [eiser] volgde bij de HSK-Groep is in april 2001 afgesloten omdat de extra benodigde 15 sessies niet meer werden vergoed, hetgeen volgens [eiser] een schending van de zorgplicht oplevert.

3. Het verweer

3.1

NSR voert in de eerste plaats de volgende formele verweren aan:

-[eiser] maakt misbruik van recht door een procedure te entameren terwijl (nog) geen medische eindtoestand is bereikt en NSR therapie onder het topzorg-programma Psychotrauma van het AMC heeft aangeboden;

-de vordering is verjaard: [eiser] was in 1993 al bekend met zijn schade en de aansprakelijke persoon, nu [eiser] zelf heeft verklaard dat na 1993 veel PTSS-symptomen sluimerend aanwezig zijn gebleven.

Preventie

3.2

NSR stelt dat zij in dit kader heeft voldaan aan haar zorgplicht:

- [eiser] heeft naar aanleiding van de voorvallen die hij heeft meegemaakt agressiemeldingsformulieren ingevuld, naar aanleiding waarvan zijn leidinggevende altijd contact met hem op nam en een gesprek voerde.

- NSR voert sinds 1991 een actief agressiebeleid.

- Begin jaren ’90 hebben alle hoofdconducteurs van NS een tweedaagse cursus “omgaan met agressie” gehad, die [eiser] ook heeft gevolgd.

- NSR kan geen preventieve maatregelen treffen tegen zelfdodingen op het spoor omdat de infrastructuur eigendom is van Pro Rail.

- NSR betwist dat de aanwezigheid van 2 of meer conducteurs de (kans op) agressie zou hebben verminderd.

- Bij antwoord stelt NSR geen mogelijkheden te hebben (gehad) om ingangscontroles te verrichten omdat het station openbare ruimte is en NSR niet gerechtigd zou zijn daar controles te verrichten; dit standpunt verlaat zij (blijkbaar) bij dupliek, enerzijds door de stelling van [eiser] dat feitelijk wel ingangscontroles op diverse stations plaatsvinden, niet te weerspreken en anderzijds door rapporten over te leggen waaruit blijkt dat NSR midden jaren ’90 als één van de anti-agressiemaatregelen had besloten de ingangscontroles te intensiveren.

- NSR heeft geen invloed op aanwezigheid van spoorwegpolitie in de trein of op bepaalde stations omdat deze onderdeel is van KLPD en NSR daarop geen invloed heeft.

Opvang/nazorg

3.3

NSR stelt ook in dit kader te hebben voldaan aan haar zorgplicht:

-[eiser] is in 1997 en 1998 verwezen naar het bedrijfsmaatschappelijk werk. Daarna is hij weer aan het werk gegaan en was hij – voor zover NSR bekend – weer klachtenvrij.

-[eiser] is naar aanleiding van het voorval in 1999 waarbij hij in het gezicht werd gespuugd goed opgevangen. Er hebben vele gesprekken plaatsgevonden, daarna heeft begeleiding door het HSK plaatsgevonden, in het kader waarvan 40 sessies zijn vergoed. Daarna heeft NSR multidisciplinaire begeleiding via het Re-integratie Advies Centrum (RAC) aangeboden, hetgeen [eiser] heeft geweigerd. NSR heeft nu nog aangeboden om de kosten van het topzorgprogramma Psychotrauma van het AMC te vergoeden.

-NSR geeft aan dat zij (inderdaad) de financiering van de behandeling door psychologe drs. M. van Wieringen heeft gestaakt, niet vanwege financiële motieven maar omdat zij de uitkomst na nog eens 15 sessies te onzeker vond.

3.4

NSR geeft voorts aan dat zij [eiser] op maat gesneden reïntegratie heeft aangeboden, en dat hij diverse passende functies heeft geweigerd.

3.5

Naar de kantonrechter begrijpt: subsidiair, namelijk voor het geval wél sprake zou zijn van schending van de zorgplicht, betwist NSR het gestelde causaal verband tussen de PTSS en niet nakoming van de zorgplicht.

3.6

Meer subsidiair betwist NSR (de omvang van) de schade: [eiser] heeft een uitkering uit hoofde van de ongevallenverzekering genoten van € 45.000,-- bruto, daarnaast heeft hij zijn loon doorbetaald gekregen tot de datum van ontslag en hij ontvangt een maandelijks invaliditeitspensioen. Na afloop van de therapie van het topzorg-programma van het AMC zal het arbeidsvermogen van [eiser] gelijk zijn aan dat wat hij zou hebben gehad indien NSR wel aan haar zorgplicht zou hebben voldaan.

4. De beoordeling

Verjaring

4.1

NSR stelt dat de vordering van [eiser] is verjaard omdat [eiser] reeds in 1993 klachten en stress heeft geuit naar aanleiding van een incident waarbij hij bijna is neergestoken, en waarvoor hij toen ook begeleiding heeft genoten. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Op grond van de overgelegde rapporten van prof. dr. B.P.R. Gersons van 21 december 2005 en van de HSK Groep van 24 februari 2000, is de conclusie gerechtvaardigd dat een reeks van gebeurtenissen, opeenvolgend in de tijd, heeft geleid tot het (uiteindelijk) ontstaan van het PTSS. Gersons geeft aan dat het gaat om gebeurtenissen “met name in de laatste 2,5 jaar dat hij werkzaam was”, en dat “een duidelijke kerntraumatische ervaring hierbij niet is aan te wijzen”. Beide deskundigen noemen het “spuugincident” uit 1999, dat de directe aanleiding was voor de ziekmelding van [eiser], als de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen, maar zeker niet als de enige of belangrijkste oorzaak voor het ontstaan van het PTSS. Reeds op grond van deze conclusies, en voorts gelet op het feit dat de klachten die [eiser] had in 1993 (blijkbaar) niet van dien aard waren dat deze hebben geleid tot langdurige uitval, kan niet worden aangenomen dat [eiser] reeds toen bekend was met de schade waarvan hij thans vergoeding vordert van NSR.

Misbruik van recht

4.2

De kantonrechter verwerpt de stelling van NSR dat van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW sprake zou zijn omdat [eiser] ervoor heeft gekozen gelijktijdig het topzorg-programma van het AMC te doorlopen en te procederen over de aansprakelijkheid voor eventuele schade. Er is geen (geschreven of ongeschreven) rechtsregel die in een geval als het onderhavige verplicht tot het afwachten van een medisch eindoordeel voordat men een procedure entameert. Wel kan het feit dat mogelijk nog geen medische eindtoestand is bereikt gevolgen hebben voor de (bepaling van de) schade en een eventueel voorschot daarop. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake van een situatie waarin de bevoegdheid tot procederen wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of met het uitsluitend doel NSR te schaden.

Bereik van artikel 7:658 BW

4.3

Ook psychische schade kan onder het bereik van artikel 7:658 BW vallen. De kantonrechter ziet, gelet op de als bedoeld veronderstelde primaire en subsidiaire rangschikking van de grondslagen, aanleiding eerst de stellingen van partijen op grond van artikel 7:658 BW behandelen.

Schade geleden in de uitoefening van zijn functie

4.4

Vast staat dat [eiser] gedurende zijn dienstverband vanaf 1981 tot zijn uitval in 1999, meerdere malen met agressie is geconfronteerd en voorts dat hij betrokken is geweest bij een aantal zelfdodingen en dodelijke ongevallen. Tevens staat vast dat bij [eiser] na zijn uitval in 1999 de diagnose Post Traumatische Stress Stoornis (hierna PTSS) is gesteld, waarvoor hij is en nog steeds wordt behandeld.

Gersons heeft in zijn rapport aangegeven dat de PTSS voortkomt uit de traumatische ervaringen die [eiser] in zijn werk heeft meegemaakt. Zonder deze traumatische ervaringen zouden deze stoornissen niet mogelijk zijn geweest. NSR heeft dit niet betwist, en evenmin gesteld dat het ontstaan van het PTSS mede het gevolg is van niet werkgerelateerde factoren.

4.5

De stellingen van NSR betreffende het ontbreken van causaal verband tussen schending van de zorgplicht en het ontstaan van een PTSS, weergegeven onder 28 e.v. van de conclusie van antwoord, betreffen zoals [eiser] terecht opmerkt, uitsluitend het verband tussen (eventueel) schending van de zorgplicht voor zover gelegen in het onvoldoende bieden van opvang en nazorg, maar niet het causaal verband tussen uitoefening van de functie en het ontstaan van het PTSS.

4.6

Op grond van het voorgaande staat genoegzaam vast dat de gestelde schade is geleden in de uitoefening van de functie zoals bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW. Daarmee is nog geen oordeel gegeven over de vraag naar de omvang van eventuele schade en de vraag, gelet op de aan artikel 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, of en in welke mate aanleiding bestaat de schadevergoeding te verminderen evenredig met de mate waarin eventueel aan de werknemer toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen.

Zorgplicht

4.7

Partijen hebben in hun debat op dit onderdeel onderscheiden naar enerzijds preventieve maatregelen (of het ontbreken daarvan) en anderzijds de opvang en nazorg (of het ontbreken daarvan), welke onderverdeling de kantonrechter in het navolgende zal aanhouden. Voorop gesteld moet worden dat bij de beoordeling van de vraag of NSR aan haar zorgplicht heeft voldaan, het gehele dienstverband van [eiser], maar met name de periode van 1993 tot 1999, in de beoordeling betrokken dient te worden. Zoals weergegeven in de overgelegde medische stukken hebben de factoren die uiteindelijk hebben geleid tot het ontstaan van een PTSS zich immers in de loop van een aantal jaren ontwikkeld en kan niet één kerntraumatische ervaring worden aangewezen.

Preventie

4.8

[eiser] heeft in dit kader in de eerste plaats (reeds bij dagvaarding) aangevoerd dat NSR op grond van de artikelen 4 en 5 van de Arbowet verplicht is een beleid te voeren, gericht op het beschermen van werknemers tegen agressie en geweld, en in dat kader een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) op te (doen) stellen en een plan van aanpak.

NSR heeft bij dupliek aangegeven “dat RI&E’s zijn uitgevoerd”, echter niet is vermeld wanneer dit zou zijn geweest (hetgeen te meer op haar weg had gelegen waar [eiser] bij repliek had gemeld dat de Arbodienst niet bekend was met enige RI&E), deze zijn niet overgelegd en evenmin heeft NSR gereageerd op de stelling van [eiser] dat geen plan van aanpak is opgesteld. NSR heeft op dit punt geen specifiek bewijsaanbod gedaan.

De kantonrechter neemt daarom als vaststaand aan dat door NSR gedurende de relevante periode geen RI&E’s zijn opgesteld. Hoewel NSR op andere wijze (zie hierna) wel risico’s in kaart heeft gebracht biedt een RI&E een meer gestructureerde en in beginsel vollediger risicoanalyse, gepaard aan een plan van aanpak. Het niet opstellen van een RI&E levert, in samenhang met na te noemen overige omstandigheden van het geval dan ook schending van de zorgplicht op.

4.9

NSR heeft wel bij dupliek twee rapporten overgelegd, te weten een rapport van Advies- en Onderzoeksgroep Beke (dr. H.B. Ferwerda) uit 1997, genaamd “Achtergronden bij en ontwikkeling van het anti-agressiebeleid bij NS-Reizigers”, hierna aan te halen als het Beke- rapport, en een rapport van 2 februari 1999 van John Dietz, Coördinator anti-agressiebeleid, genaamd “Sociale Veiligheid bij NSR”.

4.10

Met name het Beke-rapport geeft zicht op de ontwikkeling van het anti-agressiebeleid van NSR gedurende de jaren 1991-1999. Uit dit rapport blijkt dat in 1991 is begonnen met invoering van 11 anti-agressiemaatregelen. Hieronder bevinden zich ook de door [eiser] genoemde items, zoals toegangscontroles op de stations, inzet van Spoorwegpolitie en het gebruik van een portofoon. Tevens vermeldt het rapport als veruit de belangrijkste oorzaak van agressie het “niet in orde zijn van het treinkaartje”. In 1993 is een onderzoek gedaan naar de stand van zaken met betrekking tot agressie tegen conducteurs. De uitkomst van dit onderzoek is dat ruim 9 van de 10 conducteurs met de regelmaat van de klok slachtoffer zijn van verbaal geweld, 50 % wel eens slachtoffer is geworden van lichamelijke agressie en

25 % ooit wel eens slachtoffer is geworden van gewapende agressie. In het onderzoek uit 1993 wordt gemeld dat de ervaringen met agressie zeer ingrijpend zijn voor de betrokkenen. In het rapport worden 40 aanbevelingen gedaan. Het Beke-rapport vermeldt dat NS het besluit neemt om al die aanbevelingen om te zetten in beleid, en dat onder meer door middel van het invullen van agressiemeldingen monitoring zal plaatsvinden. Voorts vermeldt het rapport dat het anti-agressiebeleid vanaf 1995 een samenhangend pakket maatregelen behelst dat is samen te vatten in 5 speerpunten:

- Invoering van het treintarief en ingangscontroles om zwartrijden (belangrijkste oorzaak van agressie) tegen te gaan;

- Extra bemensing van agressietreinen

- Hardere aanpak zwartrijders

- Interne en externe communicatie over maatregelen om veiligheid te verbeteren;

- Opvang, begeleiding en training van het uitvoerend personeel en direct management.

Het rapport vervolgt:

Zonder uitspraken te doen over de effectiviteit van het beleid en mogelijke knel-en verbeterpunten kan (..) gesteld worden dat er vanaf 1993 structurele en professionele aandacht is voor het terugdringen van agressie tegen en het verhogen van de sociale veiligheid van het personeel.

4.11

Uit het vervolg van het rapport (pagina’s 7 en 8) blijkt dat monitoring van de frequentie gedurende de jaren 1993 tot 1996 een vrijwel constant beeld te zien geeft van zeer veel voorkomende agressie jegens conducteurs. Als knelpunt wordt genoemd problemen rond de kaartverkoop (defecte automaat, toepassing treintarief).

Als derde knelpunt wordt het volgende vermeld:

“Ondanks het feit dat er sprake is van zeer veel draagvlak voor de ingangscontrole bij het treinpersoneel komt deze zeer belangrijke anti agressiemaatregel – in de praktijk – niet goed van de grond. Te veel is het een maatregel die incidenteel (…) wordt toegepast en te weinig wordt de maatregel gekoppeld aan de risicoanalyses die voorhanden zijn en die inzicht geven in die momenten dat ingangscontroles gewenst en effectief zijn. Opgemerkt dient te worden dat de maatregel ingangscontrole met name in de eerste maanden van 1995 zeer consequent en veelvuldig is toegepast.

Het feit dat in die periode de laagste percentages slachtoffers onder hc’s werden genoteerd lijkt te wijzen op het feit dat ingangscontroles zeer effectief zijn”.

Als vierde knelpunt wordt genoemd dat het moeilijk is voor treinpersoneel om door hen ervaren agressie te melden bij het directe management. Men heeft de idee dat er niets met de meldingen wordt gedaan: “Serieuze aandacht voor de eerste opvang door het directe management of zelfhulpgroepen en terugkoppeling naar het treinpersoneel van gevoerd beleid zijn in dit kader forse aandachtspunten”.

4.12

Hoewel de kantonrechter zich realiseert dat preventie van agressie- en geweldsincidenten uitermate lastig is, en dat van NSR niet gevergd kan worden dat zij maatregelen treft die agressie jegens haar personeel geheel uitsluiten, is sprake van een zodanig ernstig en frequent voorkomend probleem dat van NSR verwacht mag worden dat zij zich maximaal inspant om in de praktijk de risico’s voor haar personeel tot een minimum terug te brengen. Voor de beantwoording van de vraag welke veiligheidsmaatregelen van NSR gedurende de relevante periode verwacht mochten worden, zijn de destijds bestaande kennis en inzichten doorslaggevend. Het verweer van NSR komt er ten dele op neer dat zij in de bewuste periode (1991 tot 1999) haar beleid heeft gebaseerd op de toen bestaande inzichten en dat in dat kader niet méér van haar verwacht kon en mocht worden dan zij heeft gedaan.

4.13

Met het overleggen van de rapporten bij dupliek heeft NSR genoegzaam aangetoond dat, anders dan [eiser] stelt, NSR wel degelijk anti agressiebeleid heeft ontwikkeld. Het enkele feit echter, dát beleid is ontwikkeld brengt niet automatisch met zich dat daarmee aan de zorgplicht is voldaan. Het gaat er immers om dat beleid wordt omgezet in praktijk, met andere woorden dat het wordt uitgevoerd. En voorts dat, indien en voor zover beleid niet of matig effectief is, dit beleid wordt bijgesteld. Hieraan ontbreekt het in het onderhavige geval. Uit het rapport van Ferwerda blijkt dat de reeds in 1993 geconstateerde hoge frequentie van agressie jegens conducteurs in absolute zin nauwelijks is gewijzigd in de daarop volgende jaren. Het in 1991 ingezette anti-agressiebeleid was dan ook omstreeks 1997 weinig effectief te noemen. Het feit dat in de maatschappij sprake is van toenemende agressie - en dat een gelijkblijvende frequentie dus positief geduid kan worden - doet hieraan slechts in beperkte mate af. Dit gebrek aan effectiviteit kan voorts niet geheel verklaard worden uit externe factoren, zoals de hiervoor genoemde maatschappelijke toename van agressie en geweld.

Het rapport bevat duidelijke aanwijzingen dat ook factoren binnen de invloedssfeer van NSR, zoals het niet goed van de grond komen van de ingangscontroles, hebben bijgedragen aan de ineffectiviteit van het beleid in de periode die door het rapport wordt bestreken.

4.14

Daarnaast heeft [eiser] een aantal mogelijke preventiemaatregelen genoemd zoals meer (en andere) inzet van de Spoorwegpolitie, bijvoorbeeld op het station van aankomst van zogenaamde “discotreinen” zodat zich misdragende passagiers overgedragen kunnen worden, en het ter beschikking hebben van werkende portofoons.

4.15

NSR heeft hierop gesteld dat destijds, in 1991, tussen de vakbonden en NSR was overeengekomen dat op 10 grotere stations Spoorwegpolitie aanwezig zou zijn en dat dat voor alle partijen acceptabel was.

Dit verklaart echter niet waarom NSR in de daarop volgende jaren deze preventiemaatregel niet heeft herzien toen bleek dat het door haar ingezette anti-agressiebeleid slechts matig effectief was. NSR heeft voorts betoogd dat zij geen enkele invloed heeft op de inzet van Spoorwegpolitie. Zelfs indien dit feitelijk juist is had het, gelet op de niet bestreden stelling van [eiser] dat inzet van Spoorwegpolitie effectief is bij preventie van agressie, op de weg van NSR gelegen in het kader van onderbouwing van haar stelling dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht om aan te geven dat en wat zij heeft gedaan om die invloed te vergroten. Dit heeft zij nagelaten.

4.16

Op de stelling van [eiser] dat het niet goed werken van de portofoons een bekend en structureel probleem is, wordt door NSR in het geheel niet ingegaan.

4.17

Het nemen van preventiemaatregelen tegen zelfdodingen op het spoor ligt, zoals beide partijen onderkennen, aanmerkelijk ingewikkelder. Nu schending van de zorgplicht reeds kan worden aangenomen op grond van een gebrek aan preventie tegen agressiemaatregelen én na te noemen gebrek aan opvang en nazorg (zowel waar het agressie als zelfdodingen betreft), behoeft niet tevens te worden onderzocht of NSR maatregelen had moeten treffen ter voorkoming van zelfdodingen op het spoor.

Nazorg en opvang

4.18

De klacht van [eiser] dat NSR in haar verplichtingen op dit punt tekort is geschoten behelst in hoofdlijnen twee punten, te weten het feit dat afgezien van twee incidenten in 1993 en 1999, NSR aan [eiser] na diverse traumatische gebeurtenissen geen hulpverlening, opvang of nazorg heeft geboden en voorts het feit dat NSR in 2000, toen [eiser] in therapie was bij de HSK Groep, heeft geweigerd de 10 tot 15 extra sessies, volgens de behandelend psychologe benodigd om de therapie af te ronden, te vergoeden.

4.19

Ten aanzien van agressiemeldingen blijkt uit de overgelegde stukken dat bij het personeel een algemeen gevoel heerste dat met deze meldingen niets werd gedaan. Het Beke-rapport is kritisch waar het betreft opvang en nazorg door NSR. NSR heeft bij dupliek de stelling van [eiser] dat hij wekelijks agressiemeldingsformulieren invulde en daar geen enkele reactie op kreeg, niet weersproken. Evenmin heeft NSR haar eerder bij antwoord ingenomen stelling dat de leidinggevende van [eiser] na een agressiemelding contact opnam, gehandhaafd noch heeft NSR deze stelling geadstrueerd door overlegging van één of meer agressiemeldingsformulieren.

4.20

Ten aanzien van de zelfdodingen en ongevallen met dodelijke afloop heeft NSR evenmin weersproken de stelling van [eiser] dat van opvang of nazorg geen sprake was. [eiser] heeft ter adstructie van zijn stellingen op dit punt een door zijn leidinggevende ingevuld Arboformulier van een zelfdoding bij Rheden in 1999 overgelegd. Uit dit formulier blijkt dat de bedoeling is dat een vervolg opvanggesprek op de dag na het voorval plaatsvindt en in totaal nog 4 nazorggesprekken daarna. Op het formulier is echter niets ingevuld en de gesprekken hebben volgens [eiser], hetgeen niet is weersproken door NSR, niet plaatsgevonden.

4.21

NSR heeft de stelling van [eiser] dat het meemaken van zelfdodingen voor een conducteur traumatisch kan zijn, niet betwist. NSR stelt bij dupliek dat de stelling van [eiser] dat hij slechts in 2 gevallen opvang en nazorg heeft gehad juist is, en dat dit paste in haar beleid: “slechts indien er indicaties zijn dat de verwerking niet goed verloopt is professioneel ingrijpen geïndiceerd. [eiser] stelt zelf dat hij zijn werk altijd gewoon deed. Dan kan NSR niet vermoeden dat hij psychisch letsel aan het ontwikkelen was.”

4.22

Indien en voor zover NSR met het voorgaande bedoelt te zeggen dat haar beleid gedurende de jaren ’90 ten aanzien van opvang en nazorg van haar werknemers bij agressie en zelfdodingen op het spoor, inhield dat zij pas in actie kwam wanneer de werknemer zich ziek meldde, is de kantonrechter van oordeel dat dit niet toereikend is in het kader van de op NSR rustende zorgplicht. Uit de overgelegde medische stukken als ook uit de rapporten die door NSR bij dupliek zijn overgelegd, blijkt dat juist adequate opvang direct na het meemaken van een traumatische gebeurtenis van essentieel belang is. Gersons stelt in zijn rapport dat de mate waarin deze eerste opvang wordt geboden en waarin wordt gevolgd of zich een PTSS ontwikkelt, van invloed is op de omvang van een eventuele PTSS. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat NSR, behoudens twee gevallen, deze eerste opvang en nazorg direct na de (potentieel) traumatiserende gebeurtenis niet aan [eiser] heeft geboden. Evenmin is gesteld door NSR dat zij destijds redelijkerwijs niet op de hoogte was of kon zijn van de mogelijke impact van traumatiserende ervaringen op haar personeel. Zo heeft NSR bijvoorbeeld niet gesteld dat zij zich heeft laten voorlichten over PTSS en de mogelijkheden om een (dreigende) PTSS bij haar personeel te onderkennen.

4.23

De klacht van [eiser] dat NSR ten onrechte heeft geweigerd om de volgens de behandelend psycholoog Van Wieringen benodigde extra sessies te vergoeden treft eveneens doel. Van Wieringen heeft op 9 juni 2000 schriftelijk bericht dat zij op dat moment 3,5 maand bezig was met een PTSS behandeling, en dat deze door de grote inzet van [eiser] en therapietrouw voorspoedig verliep. Van Wieringen sprak de verwachting uit dat [eiser] na afronding van de therapie op een acceptabel niveau zou gaan functioneren. Zij geeft ten slotte concreet aan waaraan nog gewerkt moet worden ten behoeve van werkhervatting en dat zij verwacht hiervoor nog ongeveer 15 sessies nodig te hebben.

4.24

NSR heeft gesteld dat [eiser] in totaal 40 sessies heeft gehad en dat dat voor een programma dat bedoeld is voor kortdurende interventie “extreem lang” is.

Volgens NSR was het “beter om een andere oplossing te zoeken”, reden waarom NSR [eiser] heeft aangemeld bij het RAC. Dit oordeel van NSR is op geen enkele wijze onderbouwd met bijvoorbeeld medische stukken, terwijl evenmin is gebleken dat deze beslissing op verantwoorde wijze en in overleg met de behandelend psycholoog is genomen. Door in te grijpen in een succesvol verlopende therapie en zonder overleg een ander traject te kiezen – nog afgezien van de vraag of het RAC dezelfde soort begeleiding bood en afgezien van het feit dat een reeds aangevangen therapie niet zonder meer inwisselbaar is vanwege het procesmatige karakter ervan – heeft NSR onzorgvuldig jegens [eiser] gehandeld.

Conclusie

4.25

De kantonrechter is van oordeel dat de hiervoor genoemde gronden, onder meer inhoudende onvoldoende preventie waar het agressie betreft, het ontbreken van een RI&E, onvoldoende opvang en nazorg (zowel ten aanzien van agressie als ten aanzien van zelfdodingen op het spoor), in onderlinge samenhang bezien de conclusie rechtvaardigen dat NSR de ingevolge artikel 7:658 BW op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

Schade

4.26

Uitgangspunt is dat de rechter de omvang van de schade zoveel als mogelijk is reeds nu begroot. Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade, alsmede de vraag of zich factoren voordoen die zouden kunnen leiden tot het aannemen van proportionele aansprakelijkheid voor die schade, heeft de kantonrechter behoefte aan nadere informatie. Het gaat daarbij om onder meer de volgende vragen:

- de eventueel door een deskundige te beantwoorden vraag of nu reeds een medische eindtoestand is bereikt, in welk kader een rol zou kunnen spelen wat de stand van zaken is van deelname aan het topzorg-programma van het AMC;

- de vraag hoe de gang van zaken ten aanzien van het al dan niet aanbieden en/of accepteren van andere functies precies is geweest, van belang voor beantwoording van de vraag of eventuele inkomensschade van [eiser] niet het uitsluitend gevolg is van zijn ziekte maar tevens van zijn opstelling in het re-integratietraject;

4.27

De kantonrechter stelt zich voor ten aanzien van de schade een comparitie te bepalen. Dit is echter alleen zinvol wanneer partijen niet voornemens zijn van deze uitspraak in hoger beroep te komen, hetgeen de kantonrechter vanwege het principiële karakter van de zaak niet ondenkbaar voorkomt. Voor het geval één der partijen hoger beroep wenst in te stellen, is de kantonrechter voornemens het petitum aldus op te vatten dat (tevens) verzocht wordt om een verklaring voor recht dat NSR haar zorgplicht heeft geschonden en op dit onderdeel een tussenvonnis te wijzen waarvan tussentijds hoger beroep wordt opengesteld. De beslissing zal dan voor het overige worden aangehouden. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte over dit “processcenario” uit te laten, waarna een tussenvonnis zal worden gewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 30 mei 2007 te 9.30 uur, waar partijen zich schriftelijk dienen uit te laten omtrent hetgeen hiervoor onder 4.27 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2007.