Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3921

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
26-04-2007
Zaaknummer
SBR 07-669 en 07-640
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB0763
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor binnenplanse vrijstelling. Het distributieplanologisch onderzoek van eisers hanteert een onjuist uitgangspunt en vormt geen reden tot twijfel aan het distributieplanologisch onderzoek van vergunninghouder. Het verkeerskundig onderzoek dat eisers hebben laten uitvoeren wordt niet bij de beoordeling betrokken omdat het dermate laat is overgelegd dat verweerder daardoor onvoldoende gelegenheid heeft gehad met behulp van een tegenonderzoek te reageren. Met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen voldoet het bouwplan aan de norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/669 en 07/640

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2007

inzake

Rova Beheer B.V.,

Avor Beheer B.V.,

Plastic Industries B.V.,

[eiser] en [eiseres],

[eiser],

allen gevestigd of wonende te Maarssen,

[eisers]

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 23 januari 2007, waarbij het bezwaar van verzoekers tegen het besluit van 24 augustus 2006 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) een bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een bouwmarkt op het p[weg]1] in Maarssen.

1.2 Het verzoek is op 3 april 2007 ter zitting behandeld, waar [belanghebbende] namens Rova Beheer B.V. en Avor Beheer B.V. is verschenen en [belanghebbenden] namens Plastic Industries B.V. zijn verschenen, bijgestaan door mr. P.H. Revermann. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Goris, werkzaam bij de gemeente Maarssen. Tevens is ter zitting verschenen vergunninghouder, bijgestaan door mr. M. Nijenhuis, advocaat te Utrecht en namens Praxis B.V. is verschenen [belanghebbende] bijgestaan door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 07/640):

2.3 Voor de feiten die op deze procedure betrekking hebben verwijst de voorzieningenrechter naar de bijgevoegde uitspraak van 17 november 2006, met nummer SBR 06/3380. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat verweerder het bouwplan, gelet op de in artikel 50, eerste lid van de Woningwet genoemde aanhoudingsplicht, had moeten toetsen aan het nieuwe bestemmingsplan "Maarssenbroek Werkgebied". Daartoe had verweerder het bouwplan moeten beoordelen op de gevolgen voor de bestaande voorzieningenstructuur, de gevolgen voor de mobiliteit, de omvang van de winkel ten opzichte van de omgeving en de gevolgen van de vestiging voor de totale distributieve structuur. Nu verweerder dat niet had gedaan was hij niet bevoegd de aanhoudingsplicht te doorbreken

2.4 De voorzieningrechter stelt vast dat het bestemmingsplan "Maarssenbroek Werkgebied" inmiddels in werking is getreden. Het perceel heeft ingevolge dit bestemmingsplan de bestemming "Bedrijven -B- (dv)". Artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften omschrijft de doeleinden die op gronden met deze bestemming zijn toegestaan. Op grond van dit voorschrift is het bouwplan niet zonder meer toegestaan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, onder c, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor bouwmarkten.

Aan deze binnenplanse vrijstelling is de voorwaarde verbonden dat de aanvraag wordt beoordeeld op de gevolgen voor:

1. de bestaande voorzieningenstructuur;

2. de mobiliteit;

3. de omvang van de winkel ten opzichte van de omgeving;

4. de vestiging voor de totale distributieve structuur.

2.5 Vergunninghouder heeft een distributie planologisch onderzoek (DPO) voor de doe-het-zelfbranche in de gemeente Maarssen overgelegd. De conclusie van dit door Goudappel Coffeng uitgevoerde onderzoek van 5 december 2006 is dat er in Maarssen voldoende marktruimte is voor een tweede bouwmarkt. De geplande vestiging van de Praxis bouwmarkt zal niet leiden tot een verstoring van de distributieve situatie in de doe-het-zelfbranche en evenmin tot een onevenredige aantasting van de voorzieningenstructuur. Met de ontwikkeling van een tweede bouwmarkt in Maarsen nemen de keuzemogelijkheden voor de consument toe en ontstaan er gezonde concurrentieverhoudingen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiermee is voldaan aan de onder punt 1 en 4 genoemde voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling. In bezwaar hebben eisers de conclusie van dit DPO betwist. Hangende hun beroep en verzoek om voorlopige voorziening hebben eisers deze stelling nader onderbouwd met een op 7 maart 2007 door BRO adviseurs in ruimtelijke ordening, economie en milieu (BRO) uitgevoerd distributie planologisch onderzoek, waarin wordt geconcludeerd dat de uitbreiding met een Praxis bouwmarkt een substantiële aantasting betekent van het bestaande voorzieningenniveau, omdat er onvoldoende marktmogelijkheden zijn voor drie bouwmarkten.

2.6 Nog daargelaten dat het rapport van BRO eerst na het bestreden besluit is overgelegd, zodat verweerder daarmee bij het nemen van dat besluit geen rekening heeft kunnen houden, ziet de voorzieningenrechter in het rapport van BRO onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen uitgaan van de conclusies van het door vergunninghouder overgelegde rapport van Goudappel-Coffeng. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de verschillende conclusies in de beide rapporten met name kunnen worden verklaard door het feit dat in het rapport van Goudappel Coffeng is uitgegaan van de aanwezigheid van één bestaande bouwmarkt, de Gamma, in de gemeente Maarssen, terwijl BRO in zijn onderzoek is uitgegaan van twee bestaande bouwmarkten, te weten de Gamma en Rob's Bouwmarkt. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat BRO terecht van twee bestaande bouwmarkten is uitgegaan omdat Rob's Bouwmarkt[weg]2] te Maarssen met een eerder voor een Karwei bouwmarkt op dat perceel verleende vrijstelling wordt geëxploiteerd. De voorzieningenrechter volgt deze stelling niet en wijst daartoe op een brief van 24 augustus 1994 van de gemeente Maarssen aan de directie van Rova Beheer B.V., waaruit blijkt dat de vrijstelling voor die eerdere op het p[weg]2] gevestigde bouwmarkt met de verhuizing van die bouwmarkt naar een ander terrein ([adres 3]) is komen te vervallen. De in het dossier aanwezige stukken en hetgeen eisers hebben aangevoerd bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. Nu op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat Rob's Bouwmarkt zonder vrijstelling en dus in strijd met het bestemmingsplan ter plaatse wordt geëxploiteerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze bouwmarkt niet als bestaande bouwmarkt dient te worden betrokken bij een distributie planologisch onderzoek. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het door vergunninghouder overgelegde DPO, waarbij de aanwezigheid van Rob's Bouwmarkt niet bij de beoordeling is betrokken. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat op het moment dat het DPO van vergunninghouder werd uitgevoerd Rob's Bouwmarkt ter plaatse nog niet was gevestigd. Hetgeen overigens nog door eisers is aangevoerd, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat bij dit DPO de toekomstige ontwikkelingen onvoldoende zijn betrokken of om andere redenen de daarin getrokken conclusies in twijfel te trekken.

2.7 Met betrekking tot de onder punt 2 genoemde voorwaarde overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter beoordeling van de mobiliteit de verkeerskundige van de gemeentelijke afdeling Openbare Werken heeft geraadpleegd. Deze heeft het bouwplan beoordeeld en aangegeven dat de extra verkeersintensiteit als gevolg van de komst van de Praxis bouwmarkt 160 auto's per uur zal zijn. De [betreffende weg] is een rechte doodlopende weg van 6 meter breed. Gelet op het karakter en de inrichting van die weg zal de weg de extra hoeveelheid auto's goed kunnen verweken. De weg is gelet op de breedte van 6 meter ook goed geschikt voor vrachtverkeer. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben gesteld dat de weg het extra verkeer niet aan zal kunnen. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben eisers op vrijdag 30 maart 2007 een door AGV (adviseurs in mobiliteit) uitgevoerd verkeerskundig onderzoek overgelegd. Verweerder heeft dit onderzoek maandag 2 april 2007, de dag voor de zitting, ontvangen en nog diezelfde contact opgenomen met de eigen verkeerskundige en het onderzoeksbureau Delft Infra Advies. Zij hebben volgens verweerder kanttekeningen geplaatst bij het AGV rapport, maar gezien de korte termijn heeft verweerder deze bevindingen niet meer kunnen overleggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers hun onderzoek dermate laat hebben ingezonden dat verweerder daardoor onvoldoende de gelegenheid heeft gehad daarop te reageren met behulp van een tegenonderzoek. Dit klemt temeer nu er sinds de eerste aanvraag om een bouwvergunning voor het oprichten van een Praxis bouwmarkt een behoorlijke tijd is verstreken en de verkeersituatie al vanaf het begin één van de bezwaren van eisers was en zij derhalve ruimschoots in de gelegenheid zijn geweest een verkeerskundig onderzoek te laten uitvoeren en in een eerder stadium van de procedure in te brengen. De voorzieningenrechter zal het door eisers overgelegde onderzoek van VGA dan ook niet bij de beoordeling betrekken. Slechts het door verweerder ingebrachte onderzoek door de verkeerskundige van de gemeente zal dus bij de beoordeling worden betrokken. De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen is aangevoerd en ook overigens geen aanleiding aan de juistheid van dit onderzoek te twijfelen. Verweerder heeft het bestreden besluit derhalve op goede gronden mede op dit onderzoek kunnen baseren.

2.8 Ten aanzien van de onder punt 3 genoemde voorwaarde voor vrijstelling, de omvang van de winkel ten opzichte van de omgeving, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan qua grootte binnen de bestaande bebouwing past. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven wat de grootte van de op te richten bouwmarkt is en wat de omvang is van de reeds bestaande gebouwen in de directe omgeving en hoe de het bouwplan zich verhoudt tot die andere gebouwen. Daaruit blijkt dat in de directe omgeving van de toekomstige bouwmarkt panden zijn gelegen die duidelijk groter zijn dan het bouwplan. De ter zitting door verweerde getoonde foto bevestigt dat. Daarnaast is er door de welstandscommissie een beoordeling gemaakt van het bouwplan in relatie met de omgeving en heeft die commissie op 20 april 2006 positief geadviseerd.

2.9 Eisers hebben verder nog aangevoerd dat geen vrijstelling verleend had mogen worden omdat het bouwplan niet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein voorziet. Volgens eisers zullen meerdere parkeerplaatsen nimmer als zodanig worden gebruikt omdat de vier langsparkeerplaasten niet goed te bereiken zullen zijn, een deel van de plaatsen zal worden gebruikt voor het stallen van winkelwagens, aanhangwagens en fietsen en één van de invalidenparkeerplaatsen zal worden gebruikt door de geldwagen.

Vergunninghouder heeft daarop gereageerd en aangegeven dat de bedoelde langsparkeerplaatsen zullen worden gebruikt door personeelsleden en dat de geldwagen één keer per week op een afgesproken tijd voor korte duur bij de geldkluis aanwezig zal zijn. Eén invalidenparkeerplaats zal dan één tot twee uur afgesloten zijn. Voor de winkelwagens en de aanhangwagens is binnen ruimte gereserveerd. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat de in het bouwplan opgenomen parkeerplaatsen voldoen aan de in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening 2006 van de gemeente Maarssen bepaalde afmetingen. Evenmin is in geschil dat het bouwplan moet voldoen aan de norm van de CROW van 2,2 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Volgens deze norm zijn er 72 parkeerplaatsen nodig. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan voorziet in 76 parkeerplaatsen, waarvan twee plaatsen gereserveerd worden voor invaliden. Het bouwplan voldoet derhalve aan de norm. Gelet op de overcapaciteit van vier parkeerplaatsen, de zeer korte periode dat de geldwagen aanwezig zal zijn en de stalling van winkelwagens en aanhangwagens in het pand acht de voorzieningenrechter door eisers niet aannemelijk gemaakt dat er niet voldoende parkeerplaatsen zullen zijn waarvan daadwerkelijk gebuikt zal kunnen worden gemaakt.

2.10 Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 07/669):

2.11 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. G. Delissen mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de voorzieningenrechter gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.