Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3654

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
SBR 06-2531
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BD0645, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OZB-aanslag. Geen sprake van een ontoelaatbare verhoging van het OZB-tarief. Heffing van rioolrecht staat hier los van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/654
V-N 2007/35.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/2531

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2007

inzake

[eiser],

wonende te Hoogland,

eiser,

en

de inspecteur gemeentelijke belastingen van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op de uitspraak van verweerder van 19 mei 2006, waarbij eisers bezwaar tegen de beschikking van 28 februari 2006 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemde beschikking is voor het jaar 2006 een aanslag onroerende zaakbelasting (OZB) voor het perceel [adres] te Hoogland (verder: het object) opgelegd van € 219,-.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 16 maart 2007, waar eiser in persoon is verschenen. Namens verweerder is verschenen A.J.C. Lam, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

Overwegingen

2.1 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de OZB-tarieven met 4,33% heeft verhoogd, waarmee de door de minister van Financiën (verder: de minister) maximaal toegestane verhoging van 2% is overschreden. Gebleken is voorts dat hiervoor geen toestemming is verleend door gedeputeerde staten van Utrecht, aldus eiser. Ten aanzien van 2005, en daarbij rekening houdend met de nieuwe eenheid van € 2.500,-, heeft eiser aangegeven dat de OZB in 2005 € 2,47 per eenheid bedroeg, zodat deze in 2006 maximaal € 2,52 (€ 2,47 + 2%) mag bedragen. Ook hieruit blijkt derhalve dat het door de gemeenteraad vastgestelde tarief van € 2,58 te hoog is, aldus eiser.

2.2 Verweerder heeft in zijn bestreden besluit onder meer aangegeven dat de gemeentelijke riolering tot en met 2005 werd bekostigd uit de opbrengsten van de OZB. Vanwege het vervallen van het gebruikersdeel van de OZB in 2006 en om een structurele inkomstenderving te voorkomen, heeft de raad van de gemeente Amersfoort besloten om met ingang van 1 januari 2006 een rioolrecht in te voeren. Volgens verweerder is het OZB-tarief in 2006 gedaald ten opzichte van 2005.

2.3 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het door verweerder in 2006 gehanteerde tarief voor de OZB de door de minister maximaal toegestane verhoging met 2% - over welk percentage partijen niet van mening verschillen - ten opzichte van 2005 heeft overschreden.

2.4 Vast staat dat in 2005 de tariefeenheid ingevolge artikel 220f van de Gemeentewet - zoals dat destijds luidde - € 2.268,- was. Verder bedroeg het OZB-tarief in de gemeente Amersfoort in 2005 voor wat betreft de eigendom van woningen € 2,86 per tariefeenheid. Teneinde een juiste vergelijking te maken heeft verweerder in het verweerschrift terecht aangegeven dat, uitgaande van een tariefeenheid van € 2.500,-, het OZB-tarief in 2005 voor wat betreft de eigendom van woningen, omgerekend naar de tariefeenheid van 2006, € 3,15 per tariefeenheid bedraagt. Niet in geding is dat het OZB-tarief in 2006 voor wat betreft de eigendom van woningen is vastgesteld op € 2,58. Nu er derhalve sprake is van een verlaging van het OZB-tarief, wordt geoordeeld dat verweerder is gebleven binnen de door de minister gestelde maximale verhoging. Hieruit volgt dat de door eiser genoemde toestemming van gedeputeerde staten van Utrecht niet nodig was.

2.5 Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij heeft berekend dat hij door het vervallen van de gebruikersbelasting OZB circa

€ 228,- minder aan gemeentelijke lasten hoeft te betalen. Door de gelijktijdige invoering van het rioolrecht is deze lastenverlichting echter slechts circa € 121,-. De rechtbank kan deze redenering van eiser niet volgen, aangezien alleen de verhoging van het OZB-tarief is beperkt, en niet het bedrag aan gemeentelijke lasten voor de OZB én het rioolrecht. Het feit dat de kosten voor het riool voorheen uit de OZB-opbrengsten werden gefinancierd maakt dit niet anders. De door eiser overgelegde berekeningen zijn gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat voor de vaststelling van de toegestane tariefstijging eerst de opbrengsten ten behoeve van de riolering uit het OZB-tarief van 2005 mogen worden verwijderd en dat dit bedrag dan met maximaal 2% mag worden verhoogd.

2.6 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld en in het openbaar uitgesproken op

28 maart 2007.

De griffier: De rechter:

mr. M.E. Companjen mr. drs. R. in 't Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.