Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3557

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
222402/HA ZA 06-2704
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident, verzoek ex art. 22 en 843 a RV afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 222402 / HA ZA 06-2704

Vonnis in incident van 18 april 2007

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie in de hoofdzaak,

verweerder in reconventie in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur mr. P.H. Ruijzendaal,

tegen

de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. J.R. Meelker.

Partijen zullen hierna [Eiser] en London genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens houdende uitlating producties en verzoek ex artikel 22

en 843a Rv. tevens conclusie van eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. Op 16 september 2001 heeft in de gemeente Hulsberg te Limburg een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij [Eiser] als bestuurder van een motorfiets en verder een personenauto waren betrokken.

2.2. De personenauto was ten tijde van het ongeval tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij London.

2.3. London heeft erkend dat haar verzekerde het onder 2.1 genoemde verkeersongeval heeft veroorzaakt.

2.4. Sinds 17 december 2001 ontvangt [Eiser] een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de door hem afgesloten particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Nationale Nederlanden naar een percentage van 100% arbeidsongeschiktheid. Sinds 16 december 2002 ontvangt [Eiser] een zogenaamde WAZ-uitkering naar een percentage van 65-80%.

2.5. [Eiser] heeft op 9 januari 2003 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, waarin hij de rechtbank heeft verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen. Bij beschikking van 23 mei 2003 heeft deze rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen naar de in nummer 5.7 van genoemde beschikking geformuleerde vragen. De rechtbank heeft voorts, aangezien partijen geen overeenstemming konden bereiken over de personen die als deskundigen benoemd dienden te worden, ambtshalve deskundigen benoemd, te weten: dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog, verbonden aan Medisch Centrum Molendael te Baarn, drs. M.S.P. Vermeulen, neuropsycholoog te Utrecht en prof. Dr. G.F. Koerselman, psychiater, verbonden aan het Universitair Medisch Centrum te Utrecht, divisie hersenen, afdeling psychiatrie.

2.6. Dr. E.M.H. van den Doel heeft op 8 januari 2004 het door hem uitgebrachte rapport van 22 oktober 2003 en zijn antwoord van 6 januari 2004, gegeven op de reactie van London op zijn conceptrapport, ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.

2.7. Drs. M.S.P. Vermeulen heeft op 2 november 2004 het door hem over [Eiser] uitgebrachte rapport ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.

2.8. Prof dr. G.F. Koerselman heeft op 15 maart 2005 het door hem over [Eiser] uitgebrachte rapport van 14 maart 2005 ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.

3. De vorderingen in de hoofdzaak, de grondslagen daarvan en het verweer

3.1. [Eiser] vordert dat het de rechtbank behage om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat London aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het verkeersongeval dat op 16 september 2001 heeft plaats gevonden, waarbij als uitgangspunt wordt genomen dat de aanwezige gezondheidsklachten, blijvende invaliditeit, beperkingen en arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAZ en AOV bij [Eiser] ongevalsgevolg zijn en dat er geen sprake is van een predispositie bij [Eiser], die tot een beperking van de mate van toerekening van de geleden of toekomstige schadeposten aanleiding geeft;

b. London te veroordelen om aan hem te vergoeden de materiële schade bestaande uit het verlies aan verdienvermogen zoals dat is begroot door NRL op EUR 1.458.563,00, vermeerderd met de twee genoemde p.m. posten, verminderd met de betaalde voorschotten van in totaal EUR 100.000,-- onder algemene titel en vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de datum van dagvaarding;

c. London te veroordelen om aan hem te vergoeden de overige geleden en nog te lijden materiële schade. Hierbij wordt gevorderd de materiële schadeposten zoals medische en behandelkosten, reiskosten, kosten accountant en verlies aan zelfwerkzaamheid, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;

d. London te veroordelen om aan hem te vergoeden de resterende buitengerechtelijke kosten zoals begroot voor een bedrag va EUR 1.226,30, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de datum van dagvaarding;

e. London te veroordelen om aan hem te vergoeden de kosten in verband met het opstellen van het rapport van NRL voor een bedrag van EUR 9.430,75, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de datum van dagvaarding;

f. London te veroordelen om aan hem te vergoeden te immateriële schade van EUR 15.000,-- of een nader te bepalen bedrag, die het gevolg is van het verkeersongeval dat op 16 september 2001 heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2001;

g. London te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [Eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat London aansprakelijk is voor alle schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het hem op 16 september 2001 overkomen ongeval, waarbij hij letsel heeft opgelopen. [Eiser] stelt dat hij als gevolg van dat letsel zijn werkzaamheden als zelfstandig ICT-ondernemer die hij vóór 16 september 2001 uitoefende niet meer kan uitoefenen en dat het door hem opgelopen letsel voorts tot gevolg heeft dat hij bijna niets meer kan.

3.3. London betwist dat [Eiser] als gevolg van het onder 2.1 genoemde ongeval zodanig letsel heeft opgelopen dat hij arbeidsongeschikt is geworden in de door hem gestelde mate en duur. Tevens betwist London de omvang van de door [Eiser] gevorderde schade.

3.4. In reconventie vordert London betaling van [Eiser] van het bedrag van EUR 76.000,--. De rechtbank neemt voorts aan dat London, gezien de tekst van haar vordering, tevens de wettelijke rente over voormeld bedrag vordert vanaf de dag van dagvaarding en dat de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

3.5. Aan haar vordering in reconventie legt London ten grondslag dat zij bij wijze van voorschot onder algemene titel een bedrag van EUR 100.000,-- heeft betaald. London stelt dat zij de schade van [Eiser] op niet meer dan EUR 24.000,-- begroot, te weten EUR 1.500,-- wegens smartengeld, EUR 22.500,-- wegens juridische rechtsbijstand buiten rechte en diverse kleine niet nader te noemen kosten tot een bedrag van EUR 1.000,--. Op grond hiervan is London van mening dat zij EUR 76.000,-- teveel heeft betaald aan [Eiser] en zonder dat daarvoor een voldoende rechtsgrond bestond.

4. De beoordeling in het incident

4.1. In het incident heeft London gevorderd [Eiser] op te dragen de door haar onder de nummers 98 tot en met 103 van haar conclusie van antwoord opgesomde ontbrekende gegevens te verschaffen aan (de medisch adviseur en de advocaat van) haar uiterlijk met de conclusie van repliek in conventie, dan wel uiterlijk vier weken voor de comparitie na antwoord.

4.2. [Eiser] heeft bij conclusie van antwoord in het incident een groot aantal producties (30 tot en met 46) in het geding gebracht. Voorts stelt hij dat hij bereid is alle informatie en gegevens te verstrekken die behulpzaam kunnen zijn om zijn vordering te onderbouwen.

[Eiser] stelt dat, indien de rechtbank nog meer informatie en gegevens wenst, hij dit via het tussenvonnis waarin de comparitie van partijen wordt bevolen, hoopt te vernemen.

4.3. London verzoekt onder meer om [Eiser], op grond van artikel 22 Rv., te bevelen de onder de nummers 98 tot en met 103 van haar conclusie van antwoord opgesomde ontbrekende gegevens te verschaffen. Op zichzelf heeft London er belang bij dat de omvang van de schade van [Eiser] zo spoedig mogelijk in rechte wordt vastgesteld. Dit brengt echter nog niet met zich dat de feitelijke informatie die daarvoor eventueel nodig zal blijken te zijn in de verhouding tussen partijen tot een persoonlijk vorderingsrecht leidt. Een rechtsgrond heeft London daarvoor niet aangevoerd en de rechtbank ziet die grond ook niet. Het is slechts aan de rechter om eventueel in de bodemprocedure op de voet van artikel 22 Rv. (een van de) partijen te bevelen bepaalde bescheiden over te leggen. London kan dat recht niet occuperen. Reeds hierom strandt dit deel van het gevorderde.

4.4. Voor zover London haar vordering heeft willen baseren op artikel 843a Rv overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 843a Rv heeft betrekking op de situatie dat een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij bekend is, maar niet in haar bezit is. In dat geval bestaat een bijzondere exhibitieplicht. Er is geen sprake van een algemeen inzagerecht. Een partij kan slechts om inzage dan wel een afschrift vragen in bepaalde, met name genoemde stukken. Daarnaast stelt artikel 843a Rv. als voorwaarden dat de partij die om inzage/een afschrift vraagt daarbij een rechtmatig belang heeft en dat het gaat om stukken met betrekking tot een rechtsverhouding waarin deze partij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

4.5. Ter voldoening aan de door London onder de nummers 98 tot en met 103 in haar conclusie van antwoord gevraagde gegevens, heeft [Eiser], bij conclusie van antwoord in het incident, reeds een groot aantal producties in het geding heeft gebracht. De rechtbank neemt aan dat [Eiser] hiermee, mede gelet ook op de overige al door hem in het geding gebrachte producties, heeft voldaan aan de door London verlangde verstrekking van administratieve gegevens.

4.6. De rechtbank is voorts van oordeel dat London haar vordering, met name voor wat betreft de door haar verlangde medische en arbeidskundige gegevens, dermate ruim heeft geformuleerd, dat geen sprake is van een verzoek om inzage/ een afschrift van bepaalde, met name genoemde stukken als bedoeld in artikel 843a Rv. London vordert immers exhibitie van de volledige medische voorgeschiedenis. Afgezien van het feit dat de stukken hiermee te weinig gespecificeerd zijn om als “bepaalde” bescheiden in de zin van genoemd artikel gekwalificeerd te kunnen worden, is niet gesteld of gebleken dat is voldaan aan de door artikel 843a Rv gestelde voorwaarde dat het recht alleen is toegekend aan degene die partij was bij de rechtsbetrekking. Een verzoek tot exhibitie van de door London bedoelde (medische) stukken dient, nog daargelaten wat er van het aan [Eiser] toekomende blokkeringsrecht zij, reeds op die grond te worden afgewezen.

4.7. London zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen.

5.2. Indien partijen, zonder dat daaraan voorafgaand een comparitie wordt gehouden, gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door te verwijzen naar een mediator, dienen zij dat binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan de griffie te berichten.

5.3. [Eiser] heeft de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. [Eiser] moet de conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden. Na de comparitie kan deze conclusie niet meer genomen worden.

5.4. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.5. De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

5.6. In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

5.7. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook aan de orde komen of een schikking (al dan niet op onderdelen) mogelijk is. Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. veroordeelt London in de kosten van het incident, aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op EUR 579,00,

in de hoofdzaak

6.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op woensdag 6 juni 2007 van 13.30 uur tot 15.30 uur,

6.4. bepaalt dat [Eiser] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat London Verzekeringen N.V. dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.5. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2007.

w.g. griffier w.g. rechter