Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3310

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
SBR 06-3096
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een gezamelijke huishouding nu de verzorging verder strekt dan gewone mantelzorg. Eiseres heeft de inlichtingenplicht geschonden. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd met betrekking tot het terug te vorderen bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/3096

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2007

inzake

[eiseres]

wonende te Utrecht,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 7 juli 2006, waarbij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 april 2006 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is de uitkering die eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontving met ingang van 12 november 2004 ingetrokken, omdat zij vanaf dat moment een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) voert. Voorts is bij vorenvermeld besluit de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode 12 november 2004 tot en met 31 maart 2006 ten bedrage van € 17.567,80 van eiseres teruggevorderd.

1.2 Het beroep is op 16 februari 2007 ter zitting behandeld, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Jaarsma, advocaat te Vinkeveen. Tevens is verschenen [vertegenwoordiger], werkzaam bij SWBU. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

2.1 Eiseres ontving vanaf 17 oktober 1996 tot en met 31 maart 2006 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding op 23 september 2005 is een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van eiseres. Op basis van dit onderzoek is verweerder tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] die sinds 23 november 2000 een WAO-uitkering ontvangt. Van deze gezamenlijke huishouding heeft eiseres geen melding gedaan. Haar uitkering is met ingang van 12 november 2004 ingetrokken.

Dat is het moment waarop eiseres de auto van [betrokkene] op haar naam heeft gezet.

2.2 Bij besluit van 12 september 2006 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 3 juli 2006 opnieuw bijstand toegekend. De reden om nu wel bijstand toe te kennen is dat eiseres een schema heeft overgelegd waarin de bezoektijden van [betrokkene] zijn weergegeven. Naar aanleiding van dit schema heeft verweerder geconcludeerd dat de er geen sprake is van hoofdverblijf van [betrokkene] bij eiseres en dat, nu de situatie controleerbaar is, eiseres weer recht heeft op een uitkering.

2.3 Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.4 Uit het onderzoeksrapport van de sociale recherche van 28 april 2006 en de daarbij behorende bijlagen, waaronder een aantal verklaringen van buurtbewoners en verklaringen van zowel eiseres als [betrokkene], blijkt dat [betrokkene] vrijwel nooit in zijn eigen woning is en dat hij zo vaak bij eiseres is dat buurtbewoners er vanuit gaan dat hij daar woont. Bij controles in de periode 6 januari 2006 t/m 13 januari 2006 en 3 februari 2006 t/m 10 februari 2006 bij zowel het huis van eiseres als het huis van [betrokkene] is gebleken dat de auto waarmee [betrokkene] eiseres vervoert gedurende de periodes van de controle enkel bij de woning van eiseres heeft gestaan. Bij het huisbezoek op 30 maart 2006 bij de woning van eiseres werd [betrokkene] om 8 uur 's ochtends in ochtendjas aangetroffen terwijl hij de vuilnis buiten zette. Diezelfde dag heeft [betrokkene] verklaard dat hij vanaf het moment dat eiseres de auto van hem had gekocht vaker bij eiseres verbleef dan in zijn eigen huis. Eiseres heeft in haar verklaring van 30 maart 2006 aangegeven dat het contact met [betrokkene] in de loop van 2004 intensiever is geworden en dat hij ook wel eens in haar woning blijft slapen. Hoe vaak [betrokkene] bij haar verblijft en blijft slapen kan eiseres niet aangeven. Bij het huisbezoek op 31 maart 2006 bij de woning van [betrokkene] op het adres [adres] te Utrecht ontstond door de inrichting van de woning de indruk dat die slechts diende als opslagplaats. [betrokkene] staat sinds 12 november 2003 op dit adres ingeschreven. Uit afschriften van Eneco en Hydron blijkt dat in die woning vanaf het moment van inschrijving tot 14 december 2004 erg weinig, elektriciteit, gas en water is verbruikt.

2.5 Niet in geschil is dat eiseres ernstig ziek is en dat de heer [betrokkene] vaak bij haar verblijft in verband met de door eiseres benodigde verzorging. De vraag is of daarbij een situatie is ontstaan die aangemerkt kan worden als een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of [betrokkene] zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres en of er is voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging.

2.6 Het feit dat eiseres en [betrokkene] ieder een eigen woning hadden, hoeft blijkens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN:AZ9849, niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. De gedingstukken, en met name de onder 2.2 genoemde bevindingen uit het rapport van de sociale recherche van 28 april 2006, bieden voldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat [betrokkene] in de periode van 12 november 2004 tot en met 31 maart 2006 zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Daarbij acht de rechtbank met name de eigen verklaring van [betrokkene] van 30 maart 2006 van belang, waarin hij heeft verklaard dat hij vanaf het moment dat eiseres de auto van hem had gekocht vaker bij eiseres verbleef dan in zijn eigen huis, hetgeen wordt bevestigd door verklaringen van verschillende buurtbewoners.

2.8 Met betrekking tot het criterium van wederzijdse verzorging wijst de rechtbank op de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: AV8575, waarin is geoordeeld dat indien geen of slechts in geringe mate sprake is van financiële verstrengeling ook andere feiten en omstandigheden voldoende kunnen zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

2.9 In dit verband overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat eiseres en [betrokkene] hebben verklaard dat vrijwel alle huishoudelijke taken door [betrokkene] worden verricht. Hij deed de boodschappen, kookte en bracht eiseres naar de dokter en de apotheek. In verband met dat vervoer heeft eiseres op 12 november 2004 de auto van [betrokkene] op haar naam laten zetten, zodat zij een parkeervergunning voor de auto kon aanvragen. De verzekering voor de auto staat op naam van [betrokkene] en wordt door hem betaald. De bewonersparkeervergunning is ingegaan op 29 december 2004 en wordt maandelijks contant betaald aan de balie van het parkeerbedrijf. Gelet op deze onderzoeksresultaten, maar met name gelet op het feit dat eiseres, terwijl daar door verweerder expliciet naar is gevraagd, geen duidelijkheid heeft verschaft met betrekking tot de dagen en tijden dat [betrokkene] bij haar verbleef, is de rechtbank van oordeel dat verweerder tot de conclusie heeft kunnen komen dat er sprake is van verzorging die verder gaat dan normale mantelzorg.

2.10 Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij de rechtbank niet kunnen overtuigen van haar standpunt dat het veelvuldige verblijf van [betrokkene] in haar woning geen feitelijke samenwoning opleverde. Zo heeft eiseres op geen enkele manier aangetoond dat [betrokkene] wel degelijk ook in zijn eigen woning verbleef. Dat de woning van [betrokkene] tijdens het huisbezoek een opslagplaats leek omdat toevallig vlak voor het huisbezoek een grote hoeveelheid spullen uit Amerika was gearriveerd, heeft zij eerst ter zitting gesteld en bovendien niet nader onderbouwd. Evenmin zijn er bewijzen van energieverbruik en waterverbruik met betrekking tot de na de door verweerder onderzochte periode overgelegd waaruit blijkt dat [betrokkene] regelmatig in zijn eigen woning verbleef.

2.11 Ten aanzien van het argument van eiseres dat zij en [betrokkene] niet de bedoeling hadden een gezamenlijke huishouding te voeren, overweegt de rechtbank dat voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding slechts de feitelijke situatie van belang is en niet de intentie van eiseres. Hetzelfde geldt voor de aard van de relatie. Het al dan niet bestaan van een affectieve relatie tussen eiseres en [betrokkene] is niet relevant.

2.12 Nu eiseres verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van de gezamenlijke huishouding heeft zij in strijd met de in artikel 17, van de WWB neerlegde inlichtingenplicht gehandeld. Daarmee is gegeven dat verweerder in gevolge artikel 54, derde lid onder a, van de WWB en artikel 58, eerste lid onder a, van de WWB bevoegd is het recht op bijstand over de desbetreffende periode te herzien en het te veel of ten onrechte uitbetaalde van eiseres terug te vorderen.

2.13 De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder het totale bedrag dat eiseres gedurende de periode van belang aan bijstand heeft ontvangen, heeft teruggevorderd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat [betrokkene] een WAO- uitkering ontvangt die, met een eventuele toeslag, voldoende is voor beiden, zodat terecht het gehele bijstandsbedrag is teruggevorderd. Het dossier bevat, behalve de verklaring van [betrokkene] dat hij ongeveer € 700,- per maand ontvangt, geen gegevens met betrekking tot zijn inkomsten. Of [betrokkene] de door verweerder genoemde WAO-toeslag zal (kunnen) ontvangen, heeft verweerder niet kunnen bevestigen. Nu de hoogte van het inkomen van [betrokkene] niet duidelijk is geworden kan dan ook niet met zekerheid gezegd worden dat het inkomen van [betrokkene] voldoende was voor hem en eiseres. Evenmin kan, gelet op die ontbrekende informatie, vastgesteld worden of en op hoeveel bijstand eiseres recht had indien zij op basis van de gezamenlijke huishouding gezinsbijstand zou hebben aangevraagd. Dit klemt temeer nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat eiseres gezinsbijstand had kunnen aanvragen waarbij dan het uit te keren bijstandsbedrag verminderd zou worden met het inkomen van [betrokkene]. Nu uit het bestreden besluit noch uit de overige gedingstukken is op te maken van welke maatstaf verweerder bij de berekening van het terug te vorderen bedrag is uitgegaan, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet voldoende gemotiveerd is. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

2.14 Bij dat nieuw te nemen besluit zal verweerder tevens gemotiveerd moeten aangeven of en waarom er naar zijn mening al dan niet sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot matiging van het terug te vorderen bedrag of tot het afzien van terugvordering. Bij die beoordeling zal verweerder dienen te betrekken het feit dat eiseres voorheen altijd mededeling heeft gedaan van feiten en omstandigheden waarvan zij meende die van invloed waren op haar uitkering, zoals de omstandigheid dat haar dochter bij haar kwam wonen en de auto die zij op haar naam heeft laten zetten. Met betrekking tot die auto acht de rechtbank nog van belang dat eiseres van tevoren aan verweerder toestemming heeft gevraagd, dat verweerder die heeft verleend en dat verweerder in deze omstandigheid geen aanleiding heeft gezien nader onderzoek te doen naar of vragen te stellen over de woonsituatie van eiseres. Tevens dient verweerder aandacht te besteden aan de omstandigheid dat hij eiseres tot het besluit van 12 september 2006, waarbij de uitkering is toegekend op basis van een door eiseres opgemaakt bezoekschema, geen duidelijkheid heeft gegeven in welke mate de aanwezigheid en zorg van [betrokkene] wel was toegestaan en geen gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB zou opleveren.

2.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 7 juli 2006;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

3.1 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,- aan haar vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-;

3.6 wijst de gemeente Utrecht aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te vergoeden;

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. G. Delissen mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet door belanghebbende beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.